Conclusie
eerste middelkeert zich met twee klachten tegen de bewezenverklaring van feit 3. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Volgens de tweede klacht is het hof ten onrechte tot een kwalificatie van de strafverzwarende omstandigheid ‘verbreking’ in de zin van art. 311 Sr Pro gekomen, althans heeft het deze kwalificatie onvoldoende gemotiveerd.
hij op 30 oktober 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in Verzorgingstehuis [A] ([a-straat 1]) heeft weggenomen een geldbedrag eneen sleutelbos, toebehorende aan [betrokkene 1], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door zijn handen tussen de toegangsdeuren/schuifdeuren te wringen en/of de toegangsdeuren/schuifdeuren van het verzorgingstehuis (met kracht) open te schuiven.”
Ten aanzien van feit 3:
proces-verbaal aangifted.d. 30 oktober 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1521-2013212602-1 (blz. 92 e. v.) .
proces-verbaal van bevindingend.d. 13 januari 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL1512-2013212602- 9 (blz. 104 e.v.).
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2016.”
“Inleiding
Den Haag: feit 3
"Ik erken dat ik op 30 oktober 2013 samen met een ander een verzorgingstehuis aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage ben binnengedrongen. Wij konden het verzorgingshuis binnenkomen doordat ik mijn handen tussen de toegangsdeuren wist te wringen en daarna die toegangsdeuren vervolgens open kon schuiven.*
tweede middelklaagt dat het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf heeft opgelegd zonder daarbij in het bijzonder de redenen als bedoeld in art. 359, zesde lid, Sv op te geven. Dit klemt temeer, aldus de toelichting op het middel, nu het hof daarbij is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.