Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
“jaren te laat’’(pleitnota in hoger beroep onder 37) tot het algehele verbod op het gebruik van asbest is overgegaan, moet voorbij worden gegaan. In hoger beroep staat alleen de periode vanaf 20 februari 1993 tot het einde van de jaren negentig ter beoordeling (zie onder 3.1). Bij aanvang van die periode bestond reeds regelgeving die voorzag in een asbestverbod, te weten het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet 1993. De inwerkingtreding daarvan vond circa vijf maanden later plaats, op 1 juli 1993. Aan de zijde van de Staat is toegelicht dat de wetgever bij de vaststelling van die termijn in aanmerking heeft genomen dat de regelgeving noopte tot het omschakelen van productieprocessen zodat onmiddellijke invoering van het asbestverbod ongewenst was. Ook is er op gewezen dat de Staat geen gevolg heeft gegeven aan de wens van de Arboraad om een langere termijn voor inwerkingtreding in aanmerking te nemen. Gelet op deze afweging, en gegeven de ruime beleidsvrijheid die de Staat hierbij toekomt, heeft de Staat in redelijkheid tot een termijn van inwerkingtreding van circa vijf maanden kunnen komen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat gedurende die termijn wel andere regelgeving gold die beperkingen stelde aan het werken met asbest (zoals het Besluit van 10 december 1991 tot wijziging van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1991, 685) (hierna: het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet 1991).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder A) en een verkorte weergave van ’s hofs oordeel (
onder B, sub 1). Vervolgens wordt een viertal onderdelen geformuleerd, waarin [eiser] achtereenvolgens klaagt dat het hof in rov. 3.8 de maatstaf voor de op de Staat rustende algemene toezichtsverplichting heeft miskend, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd (
onder B, sub 2), dat het hof in rov. 3.6 en 3.7 heeft miskend dat op de Staat een verzwaarde motiveringsplicht rust bij gesteld algemeen toezichtsfalen (
onder B, sub 3), dat het hof in rov. 3.14, eerste voorkomen, [51] heeft miskend dat de op de Staat rustende waarschuwingsplicht ter zake van asbestgevaren ertoe strekt de daaraan blootstaande werknemer (actief) voldoende van die gevaren te doordringen, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd (
onder B, sub 4) en tot slot dat het slagen van een of meer van voornoemde klachten meebrengt dat de daarop voortbouwende oordelen evenmin in stand kunnen blijven (
onder B, sub 5).
onderdeel 2onder 2.1.tegen rov. 3.8 geformuleerde rechtsklacht berust op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Het bestreden oordeel houdt niet in dat voor aansprakelijkheid van de Staat wegens onvoldoende algemeen toezicht steeds vereist is dat de Staat wist of had moeten weten (“normatieve wetenschap”) dat Zalco het asbestverbod in de relevante periode overtrad. Het oordeel berust op de volgende overwegingen: (1) de Staat had geen kennis over de overtreding van het asbestverbod bij Zalco, (2) de Arbeidsinspectie heeft in de relevante periode geen meldingen ontvangen over overtreding van het asbestverbod bij Zalco, (3) de stellingen over (de kenmerken van de onderneming van) Zalco zijn zeer algemeen en (4) de Staat heeft bij het houden van toezicht een grote beleids- en beoordelingsvrijheid. Die overwegingen kunnen naar mijn mening het oordeel dragen dat van (algemeen of concreet) toezichtsfalen geen sprake is. [eiser] lijkt eraan voorbij te zien dat het hof in de bestreden overweging is ingegaan op het door hem gestelde algemeen
enconcreet toezichtsfalen. De bestreden passage ziet eerst en vooral op het beweerdelijk concreet toezichtsfalen. Het verwijt dat sprake is geweest van algemeen toezichtsfalen heeft het hof in het bijzonder verworpen, omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en omdat de Staat ter zake een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid heeft. In dit verband zijn ook rov. 3.6 en 3.7 relevant. Dat oordeel is in lijn met het eerder onder 3.9 genoemde terughoudende regime met betrekking tot toezichthoudersaansprakelijkheid.
onder 2.2.geformuleerde motiveringsklacht wordt m.i. tevergeefs opgeworpen.
onder 2.4.berust op de onjuiste veronderstelling dat het hof - kort gezegd - heeft miskend dat [eiser] zich in het kader van het door hem gestelde algemeen toezichtsfalen van de Staat (ook) op de in onderdeel 2.2. genoemde stellingen heeft beroepen. Het hof heeft deze stellingen van [eiser] wel degelijk onder ogen gezien, zoals blijkt uit rov. 3.5 tot en met 3.8. Dat het hof op die plaats niet met zoveel woorden alle stellingen heeft genoemd, rechtvaardigt niet de slotsom dat het hof die stellingen niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Overigens mist het onderhavig onderdeel ook belang, nu de bedoelde stellingen niet tot een ander oordeel kunnen leiden, zoals bij de bespreking van de onder 2.2. geformuleerde klachten tot uitdrukking is gebracht. [62]
onderdeel3 klaagt [eiser]
onder 3.1.- kort gezegd - dat het hof heeft miskend dat het op de weg van de Staat lag om het verweer dat wel aan de algemene toezichtsverplichting is voldaan voldoende met feiten en omstandigheden te onderbouwen, omdat het daarbij bij uitstek om feiten en omstandigheden gaat die in zijn domein liggen. Volgens [eiser] rustte op de Staat een verzwaarde motiveringsplicht of betwistingslast. Ik begrijp de achtergrond van de klacht aldus dat de kennis over de uitgevoerde controles zich in het domein van de Staat bevindt.
onder 3.2, dat ’s hofs oordeel onvoldoende begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is voor zover het hof niet heeft miskend dat op de Staat een verzwaarde motiveringsplicht of betwistingslast rustte, omdat niet kenbaar is vastgesteld dat de Staat als verweer heeft gevoerd dat hij aan de algemene toezichtstaak heeft voldaan en dat met voldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, bouwt voort op de vorige klacht en slaagt derhalve evenmin. Voor zover [eiser] nog aanvoert dat de stelling dat enig zichtbaar toezicht heeft ontbroken wel degelijk kan bijdragen aan de conclusie dat de Staat niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel voldoende heeft onderbouwd dat hij wel voldoende algemeen toezicht heeft gehouden, verdient opmerking dat [eiser] daarmee voorbij gaat aan de overweging van het hof dat voor toezicht fysieke aanwezigheid van de Arbeidsinspectie niet steeds vereist is (rov. 3.7).
onderdeel 4, dat inhoudt dat het hof heeft miskend dat de op de Staat rustende waarschuwingsplicht ter zake van asbestgevaren ertoe strekt de daaraan blootstaande werknemer (actief) voldoende van die gevaren te doordringen, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt tevergeefs voorgesteld. Het berust m.i. op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. [eiser] veronderstelt dat het hof in rov. 3.14, eerste voorkomen, heeft geoordeeld dat de Staat aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan. Dat heeft het hof echter niet gedaan. Het hof heeft een oordeel gegeven over de stelling van [eiser] dat de Staat hem in de relevante periode had moeten waarschuwen voor de gevaren van asbest. In de bestreden overweging heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat er alle omstandigheden in aanmerking genomen geen aanleiding bestond om [eiser] te waarschuwen. Om die reden - en niet zozeer omdat de Staat aan zijn waarschuwingsplicht zou hebben voldaan [67] - heeft het hof geoordeeld dat van een jegens [eiser] onrechtmatige schending van een waarschuwingsplicht van de Staat geen sprake is. De klachten van het onderdeel moeten reeds daarop stranden.
Onder 4.6.klaagt [eiser] dat het hof eraan voorbijziet dat aan een waarschuwingsplicht ook op andere wijze kan worden voldaan dan door middel van een individueel bedrijfsbezoek. Zulks laat het relevante deel van voornoemde overweging evenwel onverlet. Voor zover uit voornoemde overweging volgt dat er geen specifieke aanleiding was de werknemers van Zalco te waarschuwen, heeft [eiser] daartegen geen zelfstandige klachten gericht. Eveneens onder 4.6
.wordt in zoverre volstaan met de voortbouwende klacht dat dit oordeel niet in stand kan blijven indien (een van) de klachten uit onderdeel 2 of 3 slagen. Bij de bespreking van deze onderdelen (onder 3.18 tot en met 3.29) is reeds toegelicht waarom zij geen succes hebben. Dit betekent dat de verdere klachten van het vierde onderdeel belang missen, omdat ’s hofs oordeel ook bij het slagen daarvan overeind blijft.
onder 4.2. tot en met 4.4.geformuleerde motiveringsklachten bouwen voort op de zojuist bedoelde onjuiste rechtsopvatting en falen om die reden. [70]
steedsbekend mag worden verondersteld, maar slechts dat
dezeopenbare (wettelijke) informatie bekend mocht worden verondersteld. In het licht van de in feitelijke aanleg betrokken stellingen ligt het bovendien in de rede dat het hof niet alleen het oog heeft gehad op de relevante wet- en regelgeving - het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet 1991 en het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet 1993 - maar ook op de bijbehorende openbare informatie, zoals de parlementaire geschiedenis, de aan de regelgeving gegeven publiciteit en media-aandacht en de desbetreffende voorlichtingscampagnes en –brochures. [71] Ook de plaatsing van het woord ‘wettelijk’ tussen haakjes wijst erop dat het hof het oog heeft gehad op meer dan alleen de openbare
wettelijkeinformatie.