Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
W.no 5019), bevestigende het arrest van het Hof te Leeuwarden van 20 December 1882 (
W.no. 4862), waarbij geoordeeld werd dat toewijzing van de Pauliana ten gevolge heeft, dat het in fraudem creditorum verkochte onroerend goed vrij en onbezwaard tot den boedel terugkeert, zoodat de daarop inmiddels door den kooper verleende hypotheken vervallen; en zulks onverschillig of de hypotheekhouder al of niet te goeder trouw is. De juistheid dier beslissing na het geldend recht kan de bedenkelijke gevolgen van dergelijken rechtstoestand niet wegnemen. De aangenomen vernietiging ex tunc (herstel in den toestand vóór de vernietigde handeling) brengt feitelijk de schade ten laste van den derde, die niet alleen volkomen te goeder trouw handelde maar ook met de omstandigheden, die tot de Pauliana aanleiding geven, niet bekend kon zijn. Niet alleen is dit ten eenenmale in strijd met den rechtsregel, dat de schade van het misbruikte vertrouwen moet komen ten laste van hem die het vertrouwen schonk (in casu van de schuldeisers, die hun schuldenaar crediet verleenden), maar bovendien wordt daardoor aan alle transacties met onroerend goed, speciaal aan het grondcrediet, alle rechtszekerheid ontnomen. Hoe toch kan de kooper of geldschieter ooit afdoende gewaarborgd zijn, dat niet eene vroegere overdracht van het goed later tot eene Pauliana aanleiding zal geven? De zekerheid van den eigendom en van het hypotheekrecht is eene fictie, zoolang recht zal zijn, wat het bovenaangehaalde arrest besliste. Afdoende verbetering kan alleen verkregen worden door in plaats van de vernietiging ex tunc (van rechtswege herstel van den toestand zooals hij was vóór de nietige handeling) te stellen vernietiging ex nunc (herstel van den vorigen toestand voor zooverre dit nog mogelijk is bij eerbiediging der rechten, inmiddels door derden te goeder trouw verkregen). Deze weg is in het Ontwerp gevolgd. In het derde lid van artikel 51 wordt Pro uitdrukkelijk bepaald, dat de rechten worden geëerbiedigd door derden te goeder trouw verkregen op het goed dat uit het vermogen van den gefailleerde is gegaan, en dat hij die het van dezen ontving, verplicht is terug te geven. De boedel (d.w.z. de vereeniging van schuldeischers) ontleent derhalve aan de nietigheid der in fraudem creditorum verrichte rechtshandeling slechts een persoonlijk recht tot teruggave, casu quo tot schadevergoeding. Immers, is het terug te geven goed inmiddels te goeder trouw door een derde gekocht, het zal van dezen derden bezitter niet kunnen worden opgeëischt.’
ex tuncen
ex nunchier worden gebruikt in een andere zin dan thans gebruikelijk. Tegenover elkaar staan enerzijds een vernietiging met terugwerkende kracht zonder bescherming van derden te goeder trouw en anderzijds een vernietiging met terugwerkende kracht mét bescherming van derden te goeder trouw. De positie van derden te goeder trouw is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Dat ook de Memorie van Toelichting uitging van een terugkeer in de boedel van een overgedragen goed zonder ‘teruglevering’, blijkt duidelijk uit de vermelding bij art. 42 Fw Pro dat aan de curator ook het revindicatoir beslag ten dienste staat. [5] Art. 51 Fw Pro, dat spreekt van een teruggave uit hoofde van onverschuldigde betaling, doet dus niet af aan de werking van het causale stelsel van art. 3:84 BW Pro. [6]