Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klacht, inhoudende dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren, bestaat uit drie onderdelen.
eerste onderdeel van de eerste klachtwordt aangevoerd dat het hof ten einde zijn bevoegdheid vast te stellen de COMI (Centre Of Main Interests) had moeten bepalen en de vraag waar deze zich bevond niet in het midden had mogen laten. Volgens het onderdeel volgt dit uit het arrest
arrest Schmid/Hertel [1] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder HvJ EU). In dit arrest wordt volgens het onderdeel bovendien afstand heeft gedaan van het uitgangspunt dat de Insolventieverordening EG nr. 1346/2000 [2] (verder de Ivo) alleen van toepassing is op procedures waarbij COMI van de schuldenaar in een EU-staat (met uitzondering van Denemarken) ligt. [3] In het
tweede onderdeelwordt nogmaals aangevoerd dat het hof in rov. 3.4 heeft miskend dat de rechter verplicht is de COMI te bepalen en dat, indien wordt vastgesteld dat COMI buiten de EU is gelegen, de rechter van die lidstaat zich onbevoegd moet verklaren. Uit nr. 15 van de considerans blijkt volgens het onderdeel dat de Ivo de internationale bevoegdheid bepaalt met voorbijgaan aan de nationale regelingen, waardoor de woonplaatsbenadering van art. 2 Fw Pro opzij gezet wordt.
Onderdeel 3richt zich tot rov. 3.5. Aangevoerd wordt dat het hof ten onrechte heeft getoetst aan art. 2 lid 1 Fw Pro. Aangezien COMI zich in Dubai bevindt is art. 2 lid 2 Fw Pro van toepassing. Op grond van art. 2 lid 2 Fw Pro is de rechter te Dubai bevoegd.
uitsluitendvan toepassing is op procedures waarbij het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar in de Gemeenschap ligt. Dat betekent dat de Ivo volgens de considerans niet van toepassing is indien het COMI zich niet in een lidstaat bevindt. [8]
arrest Schmid/Hertelheeft het HvJ EU die regel uitgebreid naar de situatie waarin de verweerder woonplaats in een derde land heeft. [10] Deze uitbreiding ziet dus op samenhangende procedures jegens derden nadat de bevoegdheid reeds was vastgesteld. Dat, zoals in het eerste onderdeel wordt betoogd, de uitspraak tevens zou impliceren dat de Ivo van toepassing kan zijn indien de COMI zich buiten de lidstaat bevindt, is onjuist. Het arrest ziet immers op de situatie nadat de insolventieprocedure door een rechter op het grondgebied van een lidstaat is geopend en biedt een praktische oplossing die voorkomt dat de curator in verschillende landen procedures moet voeren. [11] Dat het HvJ EU hiermee tevens heeft beoogd de werking van Ivo naar de onderhavige situatie uit te breiden kan noch uit de tekst van het arrest noch uit de conclusie van A-G Sharpston voor het arrest worden afgeleid. Die conclusie wordt in de reacties naar aanleiding van dit arrest dan ook niet getrokken. [12] Bij besluit van het Europees Parlement en de Raad d.d. 20 mei 2015 (dus na het
arrest Schmid/Hertel) heeft een herschikking van de Ivo plaatsgevonden. [13] Daarin is geen wijziging van de toepasselijkheid van de Verordening met derde landen opgenomen. Aangenomen moet dus worden dat geen uitbreiding van de werkingssfeer is beoogd. [14]
onderdelen 1 en 2van de klacht falen.
onderdeel 3wordt aangevoerd dat [eiseres] zich buiten de EU heeft begeven hetgeen met zich zou brengen dat art. 2 lid 2 Fw Pro (waarin is bepaald dat indien de schuldenaar zich buiten Europa heeft begeven, de rechtbank van zijn laatste woonplaats bevoegd is) van toepassing is. Dit laatste betekent volgens [eiseres] dat de rechter van Dubai bevoegd is. Dit onderdeel faalt eveneens. Zoals gezegd is bij de vaststelling van de woonplaats van rechtspersonen de statutaire vestigingsplaats doorslaggevend. Aangezien [eiseres] statutair in Amsterdam en niet in Dubai is gevestigd is art. 2 lid 1 Fw Pro van toepassing en leidt dit tot bevoegdheid van de rechter in Amsterdam, ook als, zoals wordt gesteld, de COMI van [eiseres] in Dubai zou zijn gelegen. Volgens het onderdeel leidt toepassing van lid 1 in plaats van lid 2 tot een onredelijke uitkomst - kort gezegd - omdat natuurlijke personen zich vrijelijk kunnen verplaatsen en rechtspersonen niet. Dit faalt eveneens. Daargelaten dat een rechtspersoon op zichzelf de mogelijkheid heeft om zijn statutaire zetel te verplaatsen [17] (waarvoor [eiseres] kennelijk niet heeft gekozen), is de achterliggende gedachte voor het verschil in behandeling tussen natuurlijke personen en rechtspersonen gelegen in het voorkomen dat een debiteur de gevolgen van een faillissement kan ontlopen door zijn bedrijfsactiviteiten eenvoudig naar het buitenland te verplaatsen. [18] Ik verwijs ook naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt in mijn conclusie voor HR 19 februari 2016 betreffende een zusteronderneming van [eiseres]. Volgens het onderdeel verschilt de onderhavige zaak met die zaak dat thans van enige binding met de Nederlandse rechtsorde geen sprake meer is. Daargelaten de juistheid van die stelling, is dit voor de bevoegdheidsvraag op grond van art. 2 Fw Pro echter niet relevant. De eerste klacht faalt dan ook in zijn geheel.
tweede klachtricht zich op het oordeel van het hof dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie die doorbreking van het terugverwijzingsverbod rechtvaardigt (rov 3.6 t/m 3.8). Aangevoerd wordt dat, gezien de ingrijpende gevolgen van een faillissement, terugverwijzing op zijn plaats was geweest zodat [eiseres] haar mogelijkheid om in eerste aanleg verweer te voeren volledig had kunnen benutten en de rechtbank had kunnen overtuigen van de ongegrondheid van de vorderingen. [19] Doordat er in eerste aanleg een te korte periode was gelegen tussen de ontvangst van de oproep voor de zitting en de zitting heeft [eiseres] zich daarop onvoldoende kunnen voorbereiden.
derde klachtricht zich op rov. 3.9 t/m 3.14 waarin het hof vaststelt dat is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring. Aangevoerd wordt dat het hof ten aanzien van de vordering ter zake van de vernietigde aandelentransactie betreffende Hotel Tante Pietje (hierna: de Tante Pietje-vordering) niet heeft vastgesteld dat [eiseres] in een toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen, waardoor ’s Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Dit laatste kon het hof ook niet vaststellen omdat de dossierstukken daarvoor geen grondslag bieden volgens de klacht. Verder wordt aangevoerd dat het hof ook ten aanzien van de belastingschuld niet heeft kunnen oordelen dat [eiseres] in een toestand verkeert van te hebben opgehouden met betalen en dat het hof ten onrechte niet op de door [eiseres] aangevoerde stellingen waarin zij het bestaan van de vordering betwist, is ingegaan. [eiseres] heeft er in het beroepschrift op gewezen dat de curatoren, althans Dekker q.q. het haar onmogelijk hebben gemaakt de vordering van de Belastingdienst te voldoen door te bewerkstelligen dat het door de Belastingdienst verleende uitstel werd ingetrokken. Doordat de zitting vervolgens op een zeer korte termijn plaatsvond, werd [eiseres] de mogelijkheid om -eventueel onder protest- tot betaling van de naheffingsaanslag over te gaan ontnomen (mede gezien het feit dat betaling vanuit Dubai moest plaatsvinden en het bankverkeer vanwege Paasweekend enkele dagen stil lag). In het beroepschrift heeft [eiseres] (onder nr. 156 en 157) kenbaar gemaakt dat zij in staat en bereid was om de naheffingsaanslag te voldoen. Dit door de curatoren ook niet weersproken. De bereidheid om te betalen blijkt tevens uit de door [eiseres] aan de Belastingdienst verstrekte zekerheidstelling, die uiteindelijk niet door de Belastingdienst werd geaccepteerd vanwege het uitgesproken faillissement. [24]