Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door het vervoeren van cocaïne in een korset. De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onrechtmatig verkregen was door een onrechtmatige lijfsvisitatie met volledige ontkleding.
De Hoge Raad oordeelde dat de lijfsvisitatie beperkt was: het shirt werd iets omhoog gedaan en de broek gedeeltelijk laten zakken, wat binnen de bevoegdheden van de douane viel. Er was geen sprake van volledige ontkleding zoals bedoeld in de Algemene Douanewet. De handelingen waren gericht op onderzoek aan de kleding, niet aan het lichaam zelf.
Verder werd vastgesteld dat de controle plaatsvond op basis van de Algemene Douanewet en niet de opsporingsbevoegdheid van de Opiumwet. Daarom was art. 359a Sv (vormverzuim in voorbereidend onderzoek) niet van toepassing. De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde de rechtmatigheid van het bewijs en de aanhouding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling tot acht maanden gevangenisstraf blijft in stand.