Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen in het principaal cassatieberoep
wanneer komt vast te staan dat [verweerster] het vuur heeft laten aan staan en dat hierin de oorzaak van de brand is gelegen, zij daardoor jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, dat dit aan haar kan worden toegerekend en dat zij in dat geval gehouden is de daardoor ontstane schade aan hem te vergoeden”. Vervolgens gaat het hof in rov. 4.10 en 4.11 (rov. 4.9 ontbreekt) in op de vraag of er vanuit moet worden gegaan dat [verweerster] drie pannen op het vuur heeft laten staan, of dat het er slechts één is geweest, namelijk een pan met aardappelen. Na bespreking van de verschillende argumenten die op dit punt door partijen zijn aangevoerd, komt het hof aan het eind van rov. 4.11 tot de slotsom dat er in ieder geval een pan met aardappelen op het fornuis heeft gestaan en daarnaast
mogelijkeen pan met groenten, terwijl
niet uitgeslotenis dat er daarnaast nog een pan was met een onbekende inhoud. In aansluiting hierop overweegt het hof in rov. 4.12 het volgende:
(ii) niet is uit te sluiten dat de brand is ontstaan door een mankement in een gevelkachel in de keuken of een mankement in de elektrische installatie in de keuken dan wel in de daarop aangesloten stroomverbruikers (verlengsnoer of meervoudige tafelcontactdoos);
Gelet op de verwijzing door het hof in rov. 4.12 naar ‘
de gemotiveerde betwisting door [verweerster], met name door het rapport van [C]’ van de opvatting van [A] dat er geen andere mogelijke oorzaak is voor de brand dan het in enige mate aan laten staan van het gas onder een of meer pannen, had de inschakeling van de deskundige door het hof kennelijk tot doel om na te gaan of die opvatting gegrond was, en er dus geen andere mogelijke oorzaken voor de brand waren.
Voorts is nog op te merken dat het hof in rov. 4.10 verwijst naar uiteenlopende verklaringen van [A] over
de mate waarinde gaspitten open stonden (namelijk: alle drie voor de helft dan wel twee helemaal en één pit half open). [2] [eiser] gaat er vanuit dat ook dit punt een reden was voor de benoeming van een deskundige door het hof, [3] maar uit het arrest blijkt dit niet duidelijk. Het punt is in ieder geval niet expliciet meegenomen in de vraagstelling aan de deskundige.
aardappelen, is gebaseerd op een door hem uitgevoerde proef met het laten droogkoken van een pan met aardappelen, zo blijkt uit het rapport. [4] Uit die proef bleek namelijk dat een drooggekookte pan met aardappelen, binnen het in deze zaak gegeven tijdsbestek, niet tot ontbranding komt.
blijkt tevens dat zij geen plausibele verklaring heeft voor het openstaan van de drie gaspitten. Mocht[
zij]
een plausibele verklaring hebben voor het open staan van de betreffende drie pitten en/of een verklaring daarvoor voorhanden hebben, anders dan dat dit verband hield met de aanwezigheid van drie pannen met eten op de gaskookplaat en waaronder het vuur aan bleef staan, is het ook zo dat evengoed alleen de pan met aardappelen, waaronder het vuur aan bleef staan, heel goed een brand kan hebben ingeleid in pannen die zich naast die pan met aardappelen op het gasfornuis bevonden.Zulks zou zeker kunnen hebben plaatsgevonden als gevolg van de warmte c.q. de hitte die optrad als gevolg van het aan blijven staan van het vuur onder de pan met aardappelen en het ‘droogkoken’ van die aardappelen. Die hitte kan onderdelen van een daarnaast gesitueerde pan, te denken valt aan een steel van een steelpan en/of de inhoud daarvan (denk aan jus/vet/olie), hebben doen ontbranden. In het concept rapport heeft ondergetekende dit onbesproken gelaten, daar het volgens ondergetekende en gelet op de drie openstaande pitten van de gaskookplaat, zeer plausibel is dat er in totaal drie pannen op het vuur hebben gestaan, waaronder een pan met vlees met jus/vet/olie.”
dat vaststaat dat een pan met aardappelen op het vuur stond, en daarnaast mogelijk een pan met groenten en niet uitgesloten is dat er daarnaast nog een pan was met onbekende inhoud - A-G] te verlaten. Zijn conclusie dat de brand niet is ontstaan in de pan met aardappelen brengt mee dat niet met voldoende zekerheid althans waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de brand is veroorzaakt door het gedrag van Van Rijkswijk zoals in dit tussenarrest is omschreven. De deskundige acht de aanwezigheid van een pan met groente en een pan met vlees met jus/vet/olie aannemelijk, maar de omstandigheden waarop hij dit oordeel baseert, zijn reeds verdisconteerd in de uitgangspunten die in het tussenarrest van 17 juni 2014 zijn opgenomen. Daaraan zijn door de deskundige in zijn rapport geen nieuwe gezichtspunten toegevoegd.
oorzaakvan de brand. Anderzijds lijkt het hof in het midden te laten of sprake is geweest van onrechtmatig handelen van [verweerster], nu in rov. 4.8 wordt overwogen dat (mijn onderstreping): ‘
wanneerkomt vast te staan dat [verweerster] het vuur heeft laten aan staan, (...)’.
In de eerste lezing – dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen van [verweerster] – is bovendien niet geheel duidelijk
watdat onrechtmatig handelen in de visie van het hof precies behelsde. Dat komt met name doordat het hof in rov. 4.12 van het tussenarrest van 17 juni 2014 en in de vraagstelling aan de deskundige slechts spreekt over ‘
het gedrag van [verweerster] zoals in de hieraan voorafgaande rechtsoverwegingen is omschreven’. Eén van die voorafgaande rechtsoverwegingen is rov. 4.8. Uit die rov. lijkt te volgen dat de onrechtmatigheid gelegen is in het ‘
laten aanstaan van het vuur’ door [verweerster]. De daarop volgende overwegingen 4.10 en 4.11 hebben echter betrekking op de vraag
welke pannennu precies op het vuur hebben gestaan (wat niet duidelijk is, behoudens zekerheid over de pan met aardappelen). In rov. 4.12 wordt het handelen van [verweerster] dan omschreven als ‘
het in enige mate aan laten staan van het gas onder een of meer pannen’. Tenslotte lijkt uit rov. 10.3 van het tussenarrest van 29 september 2015 te volgen dat het hof de onrechtmatigheid van het handelen van [verweerster] gelegen ziet in het laten droogkoken van de pan met aardappelen.
het vuur heeft laten aanstaan’. Dat het hof het onrechtmatig handelen van [verweerster] tot uitgangspunt heeft genomen, is ook aannemelijk omdat [verweerster]
geen griefheeft gericht tegen rov. 3.11 van het tussenvonnis van 20 oktober 2010, waarin de rechtbank oordeelt dat de handelwijze van [verweerster] onrechtmatig is jegens [eiser] c.s. Bij gebreke aan een grief diende het hof dit oordeel derhalve als vaststaand aan te nemen. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat het deskundigenbericht is uitgebracht om helderheid te krijgen over het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en het uitbreken van de brand.
uitsluitendin voldoende mate kan komen vast te staan indien (in voldoende mate) vast komt te staan
of en zo ja, welke pannenop de openstaande gaspitten hebben gestaan. Deze veronderstelling is naar mijn mening onjuist, en in ieder geval onverenigbaar met het aan het hof uitgebrachte deskundigenbericht van Brugman.
Voor ogen moet worden gehouden dat in deze zaak niet aan enige twijfel onderhevig is dat [verweerster]
drie gaspitten heeft open laten staan. Dat dit het geval is geweest, volgt uit het technisch onderzoek van [A]. De rechtbank heeft deze vaststelling van [A] overgenomen. [5] Ook het hof lijkt als vaststaand aan te nemen dat drie van de vier gaspitten (aangeduid als ‘gaskraantjes’) van het fornuis gedeeltelijk openstonden (midden rov. 4.10 en rov. 4.11, eerste zin). Het hof verwijst op de genoemde plekken immers naar de vaststelling van [A] op dit punt en overweegt níet dat het die vaststelling niet volgt of dat het twijfelt aan die vaststelling. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet om een veronderstelling of hypothese, maar om een vaststelling van [A] die is gebaseerd op door hem verricht technisch onderzoek aan het gasfornuis. [6] Dat er vanuit moet worden gegaan dat [verweerster] drie gaspitten heeft open laten staan, is nog eens nadrukkelijk onder de aandacht gebracht door deskundige Brugman (zie de passage aangehaald onder 2.6, p.16). Ook [verweerster] trekt in haar memorie na deskundigenbericht niet in twijfel dat drie van de vier gaspitten hebben opengestaan en gaat er daar vanuit dat het hof dit gegeven ‘
reeds in overweging heeft genomen’. [7] De in het kader van het causaal verband tussen onrechtmatig handelen en schade te beantwoorden vraag is dan of met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld dat (i) het openstaan van drie van de vier gaspitten, in aanmerking genomen (ii) dat zich op één van de openstaande gaspitten een drooggekookte pan aardappelen bevond, de oorzaak was van de brand die in de keuken van [verweerster] is ontstaan. Uit het rapport van de door het hof ingeschakelde deskundige Brugman kan niet anders worden afgeleid dan dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Dat het hof tot een ontkennende beantwoording van de vraag naar de aanwezigheid van causaal verband komt, vindt zijn oorzaak erin, als ik het goed zie, dat het hof het eerste deel van het onrechtmatig handelen van [verweerster], hiervoor weergegeven als (i), in het geheel niet (meer) heeft meegenomen bij zijn beoordeling van het causaal verband. De causaliteitsvraag is door het hof kennelijk versmald tot de vraag of met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld dat het droogkoken van de pan met aardappelen de oorzaak was van de brand in de keuken.
par. 1.1) dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd omdat niet is onderkend dat reeds het gevaarzettend gedrag van [verweerster] had moeten leiden tot de conclusie dat sprake was van onrechtmatig handelen, faalt de klacht. Het hof ís er (in deze lezing) immers vanuit gegaan dat sprake was van onrechtmatig handelen van [verweerster].
par. 4.2) dat als sprake is van gevaarzetting, daarmee de onrechtmatigheid van de gedraging reeds een gegeven is en dat het causaal verband geen bewijs meer behoeft. Ook deze klacht faalt, omdat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Gevaarscheppend gedrag
kanleiden tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatig handelen. Bij de beoordeling van de vraag of dat het geval is, moet niet alleen worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en de ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen. Dit betekent dat niet reeds de enkele mogelijkheid van schade als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar dat gedrag onrechtmatig doet zijn. Gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. [8] Dit alles staat echter los van de vraag of het onrechtmatige gevaarzettende handelen ook heeft geleid tot de schade waarvan een benadeelde vergoeding vordert. Het bewijs van dit causaal verband rust conform de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op de benadeelde, in het onderhavige geval [eiser] c.s.
par. 4.3 en 4.4) dat in de stellingen van [eiser] c.s. besloten ligt dat [verweerster] wist, althans behoorde te weten, dat het onbeheerd achterlaten van een brandend vuur onder (een) kookpan(nen) een risico oplevert, en dat dit risico wordt verhoogd door het pand te verlaten doet niet ter zake, omdat de kwestie van de voorzienbaarheid van het risico slechts relevant is voor de vraag of het gevaarzettend gedrag als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Die vraag had het hof echter al bevestigend beantwoord.
par. 5.5). Ook de vraag naar de bezwaarlijkheid en de gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen is relevant bij de beantwoording van de vraag of het gevaarzettend gedrag als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Zoals gezegd had het hof die vraag al bevestigend beantwoord.
par. 5.6 en 5.7)klagen onder meer over een gebrek aan begrijpelijkheid dan wel het blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting van het oordeel van het hof dat (zo begrijp ik) de oorzaak van de brand niet met voldoende zekerheid kan worden gesteld, omdat kennelijk van [eiser] c.s. wordt verlangd dat aangetoond wordt dat de brand is veroorzaakt door de doorkokende (kennelijk wordt bedoeld: drooggekookte) pan met aardappelen. Zoals uiteengezet onder 2.10, acht ik deze klachten gegrond. Gegeven het feit dat vast staat dat:
(i) drie van de vier gaspitten hebben opengestaan;
is niet duidelijk waarom het hof in rov. 10.3 van het arrest van 29 september 2015 tot het oordeel komt dat de oorzaak van de brand niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, zeker nu de deskundige van mening is dat wél voldoende aannemelijk is dat de oorzaak van de brand gelegen is in het feit dat ‘de vlam in de pan is geslagen’ (maar niet de pan met aardappelen). Waarom het hof de bevindingen van de deskundige niet heeft overgenomen, is door het hof niet op begrijpelijke wijze toegelicht. Volledigheidshalve merk ik nog op dat uit het deskundigenbericht tevens blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een
andereoorzaak van de brand, zoals die eerder door [C] was gesuggereerd.
Hiermee slagen de motiveringsklachten in par. 5.6 en 5.7 van het eerste middel.
2.16 Voor zover uit de arresten van het hof zou moeten worden afgeleid dat het hof ervan uit is gegaan dat de op [eiser] c.s. rustende bewijslast met betrekking tot het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [verweerster] en de brand meebrengt dat precies moet worden vastgesteld hoe de brand zich in de keuken heeft ontwikkeld, berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Voldoende is immers dat in voldoende mate komt vast te staan dat de brand in de keuken het gevolg is geweest van het onrechtmatig handelen van [verweerster].
de partij(dus [verweerster] zelf) mogelijk om op de voet van art. 263 Rv Pro (oud) de gerechtelijke handeling van de (toen nog) procureur of advocaat [14] te ontkennen. Dit was de désaveu-procedure. De betrokken partij diende daarvoor op de voet van art. 247-249 Rv (oud) een incident tot ontkenning van de ‘verrichting’ van de procureur of advocaat te openen. Indien de vordering werd toegewezen, leidde dit tot nietigverklaring van de ‘verrichting’ (art. 268 Rv Pro (oud)). [15] Met het afschaffen van de désaveu-procedure per 1 januari 2002 is de mogelijkheid om de nietigheid in te roepen van een onterechte ‘verrichting’ van de advocaat, vervallen. In de parlementaire geschiedenis is hierover opgemerkt dat aanstelling van een advocaat als procesvertegenwoordiger bij de wederpartij in het algemeen het vertrouwen van vertegenwoordigingsbevoegdheid wekt en dat de wederpartij beschermd moet worden tegen bevoegdheidsoverschrijding. Daarom werd het billijk geacht dat degene die een ander aanstelt om hem in rechte te vertegenwoordigen, het risico draagt van de volmachtoverschrijding. [16] Voor zover een gerechtelijke erkentenis per vergissing is gedaan, kan de partij deze op grond van art. 154 lid 2 Rv Pro herroepen (indien aannemelijk is dat zij door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd). In de parlementaire geschiedenis is verder opgemerkt dat de gevolgen van andere vormen van onterechte erkentenissen met een actie tot schadevergoeding kunnen worden opgelost.
Uit het voorgaande volgt dat het onder Rv (oud) theoretisch mogelijk was geweest voor [verweerster] zelf om op grond van de gestelde volmachtoverschrijding de nietigheid in te roepen van de stellingname in de door mr. Bouman opgestelde processtukken. Naar huidig recht is dat echter niet meer mogelijk. Hoe dan ook kan de wederpartij, [eiser] c.s., zich niet beroepen op volmachtoverschrijding door de advocaat van [verweerster].
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
par 1.2). Voor zover het hof de enkele mogelijkheid van het ontstaan van schade voldoende zou hebben geacht voor de conclusie dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting en/of anderszins onrechtmatig handelen, is dit ook onjuist (
par. 1.3).