Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het verzet
primairde klacht dat de Griffier bij de vaststelling van het griffierecht ten onrechte ervan is uitgegaan dat de zaak betrekking heeft op een vordering met een beloop van meer dan € 100.000,--. Met een beroep op de gedingstukken [4] wordt namens opposante gesteld dat (nog) niet vast staat dat het in deze zaak gaat om een financieel belang van ruim zes miljoen euro, zodat voor de vaststelling van het griffierecht het tarief zou moeten gelden voor zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde. Het griffierecht voor niet-natuurlijke personen zou in dat geval, conform het destijds geldende tarief, € 777,-- moeten bedragen.
2.3 (…) De heffing van griffierecht berust onder meer op de grond dat die heffing, kort gezegd, de eiser of verzoeker aanzet tot het maken van een afweging van de hoogte van dit griffierecht tegen zijn belang bij de zaak (vgl. onder meer Kamerstukken II 1984/85, 18835, 3, p. 6, en Kamerstukken II 1991/92, 22495, 3, p. 125). Dat is, ook in het kader van art. 6 EVRM Pro, een legitieme grond voor de heffing van griffierecht, ook bij de allerlaagste inkomens (vgl. de rechtspraak van het EHRM genoemd in noot 27 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).” [12]
wanneer de eis of het verzoekschrift enkel strekt tot betaling van een bepaalde geldsom”. Thans wordt in art. 3 lid 5 Wgbz Pro voor de hoogte van het griffierecht verwezen naar de tabel in de bijlage behorend bij die wet. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen een vordering van onbepaalde waarde of een vordering met een beloop van een bepaald bedrag. Dit laatste duidt op een vordering van
bepaalde waarde. Onder de Wgbz dient daarom voor de bepaling van het griffierecht in beginsel te worden gekeken naar de waarde van de vordering of wel het financieel belang van de zaak. Daarbij is, anders dan onder de Wtbz, niet van belang of de vordering expliciet gericht is op
betaling van een bepaalde geldsom. Gelet op deze wijziging moet worden aangenomen dat de toevoeging van de Hoge Raad in rov. 2.1 van zijn arrest van 27 september 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE1552, NJ 2002/533): “
Daarbij biedt de wet geen ruimte voor een andere dan een formele uitleg van de vordering en mag de griffie bij de bepaling van het vast recht niet door de vordering heen kijken”, thans niet meer geldt. [13] In het huidige griffierechtstelsel kan, anders dan onder de Wtbz, dus ook een verklaring voor recht worden aangemerkt als een vordering met een bepaalde waarde indien daarbij een concreet schadebedrag wordt genoemd, hoewel niet de
betalingvan dit bedrag wordt gevorderd.
Heeft de rechter de vermeerdering van de eis of het verzoek echter wel toegelaten, maar wijst de rechter de vordering of het verzoek maar gedeeltelijk toe, dan vindt er geen restitutie van het griffierecht plaats. Hierin verschilt de nieuwe regeling niet van de huidige regeling. Bovendien geldt hetzelfde voor zaken waarin geen vermeerdering van de eis of het verzoek heeft plaats gevonden, maar waarin de vordering of het verzoek reeds bij de aanvang van de procedure hoog is ingezet en deze uiteindelijk slechts deels wordt toegewezen. (…).” [17]
subsidiaireklacht, die ertoe strekt dat het destijds geldende tarief voor natuurlijke personen had moeten worden toegepast, is van belang dat art. 15 lid 1 Wgbz Pro regelt dat van partijen die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven. De strekking van deze regeling is het stimuleren van efficiënt procedeergedrag. Hoewel dit geen hoofddoel is onder de Wgbz, zijn in het griffierechtenstelsel wel elementen ingebouwd die partijen ‘prikkelen’ goed na te denken over procedurekeuzes. Een daarvan is dat partijen gestimuleerd worden om gezamenlijk te procederen. Indien de individuele partijen alle een eigen advocaat hebben en afzonderlijke conclusies nemen, compliceert dit de zaak aanzienlijk en lopen ook de met de zaak gemoeide kosten op, zo is de gedachte. [18]
niettegen de onderneming ([betrokkene 2]), en dat dit bij de Hoge Raad bekend zou zijn, is dan ook niet juist. Het vorenstaande brengt mee dat is voldaan aan het bepaalde in art. 15 lid 1 en Pro 2 Wgbz, zodat de Griffier op juiste gronden is uitgegaan van eenmaal het gezamenlijke griffierecht voor niet-natuurlijke personen.
de factoten laste van haar komt, geldt het volgende. De wetgever heeft de expliciete keuze in art. 15 lid 2 Wgbz Pro voor het (hogere) griffierecht voor niet-natuurlijke personen niet toegelicht. Wel blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wgbz dat andere, mogelijke consequenties van het voor niet-natuurlijke personen geldende hogere griffierecht wel onder ogen zijn gezien en dat deze niet onredelijk zijn bevonden. Dit volgt onder meer uit de navolgende passage over de consequenties van het hogere griffierecht voor rechtspersonen voor in de proceskosten veroordeelde natuurlijke personen:
Het nieuwe griffierechtenstelsel brengt geen verandering in de regel dat de partij die de procedure verliest, wordt veroordeeld in de kosten van zijn wederpartij, ongeacht of sprake is van een zaak waarin de eiser een rechtspersoon is en de verliezer een natuurlijke persoon of wellicht een onvermogende natuurlijke persoon, dan wel of de wederpartij verweer heeft gevoerd of niet (artikel 237 Rv Pro). Dit heeft tot gevolg dat de verhoging van het griffierecht voor rechtspersonen ook consequenties kan hebben voor natuurlijke personen en onvermogende natuurlijke personen. Indien zij immers door een rechtspersoon bij een procedure worden betrokken en zij deze vervolgens verliezen, zullen zij op basis van het nieuwe griffierechtenstelsel een hoger griffierecht moeten vergoeden. De verhogingen zijn mijns inziens echter niet van dien aard dat natuurlijke personen door deze verhoging aanzienlijk slechter af zijn dan zij nu zouden zijn op basis van het huidige griffierechtenstelsel. Gelet hierop acht ik het ook niet nodig om de regeling aan te passen.” [22]
de factovoor rekening van een natuurlijk persoon als [opposante] komt, geacht moet worden te berusten op een keuze van de wetgever. De rechter kan daarin niet treden, tenzij het recht op effectieve toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast (art. 6 EVRM Pro). [24] In dat geval kan er aanleiding zijn voor de rechter om de wettelijke regeling buiten toepassing te laten, voor zover de hardheidsclausule van art. 127a lid 3 Rv (jo. art. 409a lid 3 Rv) [25] en de regeling voor onvermogenden geen soelaas bieden.
Terzijde merk ik op dat onder omstandigheden een kostenveroordeling in de proceskosten van de wederpartij ook een schending van art. 6 EVRM Pro kan opleveren. [26] Hieruit is af te leiden dat ook sprake kan zijn van aantasting van de kern van het recht op toegang tot de rechter indien betrokkene
achterafwordt geconfronteerd met een ‘
excessive fee’. Nu in het onderhavige geval echter niet gesteld of gebleken is dat opposante niet in staat is het hogere griffierecht voor niet-natuurlijke personen te dragen, is er geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van strijd met art. 6 EVRM Pro.