Conclusie
retro-overdrachtvan de muziekuitgaverechten en de maatstaf die voor de opzegging wordt gehanteerd.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
retro-overdrachtvan de muziekuitgaverechten geen sprake kan zijn, althans dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
bepaaldetijd behelzen die in beginsel niet opzegbaar zijn.
onder 12met de motiveringsklacht dat indien en voor zover het hof dit niet zou hebben miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom
subonderdeel I.II en I.IIIdie hierop voortbouwen.
retro-overdracht– lijkt te volgen dat het hof ervan is uitgegaan dat in de muziekuitgavecontracten de muziekuitgaverechten goederenrechtelijk aan Nanada c.s. zijn overgedragen [15] .
subonderdeel I.III onder 16die is voorgesteld voor zover het hof geacht zou moeten worden niet te zijn uitgegaan van een goederenrechtelijke overdracht van muziekuitgaverechten (maar bijvoorbeeld van een gebruikslicentie, voorwaardelijk overdracht of tijdelijke overdracht), feitelijke grondslag ontbeert en daarom niet opgaat.
titelcontracten (overdracht van de auteursrechten op één muziekwerk)
Op grond van deze overeenkomsten hebben de leden van Golden Earring de auteursrechten op hun werken (ook wel genoemd: muziekuitgaverechten) aan Nanada overgedragen, waartegenover stond dat Nanada zich verplichtte om zorg te dragen voor de promotie, exploitatie en administratie van die muziekwerken.”
subonderdeel I.Inaar mij voorkomt en anders dan [verweerders] bij s.t. onder 6.3.1-6.3.7 stellen, terecht tot uitgangspunt dat in de muziekuitgavecontracten sprake is geweest van een goederenrechtelijke overdracht van auteursrecht op de muziekwerken.
Subonderdeel I.I onder 11 Bklaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat de inspanningsverplichtingen hooguit een duurovereenkomst voor bepaalde tijd behelzen. In
subonderdeel I.II onder 13wordt deze klacht nader uitgewerkt met het betoog dat het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk is omdat de (verplichtingen uit de) overeenkomsten voldoende bepaald in tijd zijn, aangezien de (inspannings)verplichtingen slechts voor de duur van het auteursrecht zijn aangegaan en dus juist niet onbepaalde tijd voortduren.
Subonderdeel I.II onder 14vervolgt dat het oordeel van het hof dat “de datum waarop het auteursrecht eindigt te onbepaald is” eveneens onjuist en/of onbegrijpelijk is, nu dit een in de wet vastgelegde termijn is (art. 37 lid 1 Aw Pro). Volgens het subonderdeel verwart het hof bepaalbaarheid met voorspelbaarheid. Voor zover het hof dit alles niet zou hebben miskend, voert
subonderdeel I.II onder 15ten slotte aan dat het hof zijn oordeel over het onbepaald zijn van de einddatum onvoldoende heeft gemotiveerd.
rechtsklachten van
subonderdeel I.I onder 11 Ben
subonderdeel I.II onder 13 en 14tegen de door het hof gegeven kwalificatie “onbepaalde tijd” lijken mij daar op af te stuiten. Tegen de motiveringsklachten van
subonderdeel I.II onder 13-15kijk ik als volgt aan.
de factoneerkomen op een levenslange binding (en nog 70 jaar daarna).
subonderdeel I.II onder 13-15.
onder 11aan met de rechtsklacht dat de door het hof getrokken parallel met duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd de aard van de muziekuitgavecontracten miskent, namelijk de definitieve goederenrechtelijke partiële auteursrechtoverdracht, waar niet bij past een verplichting tot retro-overdracht van die rechten. Het subonderdeel klaagt
onder 11A en 12over de rechtsgevolgen die het hof aan de opzegging verbindt [36] . Het subonderdeel keert zich tegen de overweging van het hof in rov. 3.9 dat de rechtsgeldige (tussentijdse) opzegging van de overeenkomsten partijen vanaf de datum waartegen is opgezegd van hun verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten ontslaat en dat de opzegging verder, gezien de eisen van redelijkheid en billijkheid, met zich brengt dat Nanada c.s zijn gehouden de muziekuitgaverechten terug over te dragen aan [verweerders]
subonderdeel I.I onder 11lijkt mij al stranden op het gegeven dat geen sprake is van onverenigbaarheid van een retro-overdrachtsplicht voortvloeiend uit de aard van een muziekuitgaveovereenkomst waarbij ter exploitatie auteursrecht is
overgedragen, mede gelet op het inmiddels dwingendrechtelijke stelsel met zo’n retro-overdrachtsplicht ingevolge de Wet auteurscontractenrecht (vgl. hiervoor in 3.13).
subonderdeel I.I onder 11 Aeen onderscheid zien tussen de goederenrechtelijke overdracht van auteursrecht en opzegging van inspanningsverbintenissen, maar dat lijkt mij een verkeerde lezing van het arrest, omdat de muziekuitgavecontracten in de constructie van het hof integraal zijn opgezegd.
bepaaldetijd [38] , nu het hof juist oordeelt dat deze verwantschap bestaat met duurovereenkomsten voor
onbepaaldetijd. Dat dat onjuist zou zijn (
subonderdeel I.i onder 11 B) omdat de “inspanningsverbintenissen hooguit een duurovereenkomst voor bepaalde tijd behelzen die in beginsel niet opzegbaar is” lijkt mij geen adequate voorstelling van zaken, gelet op hetgeen ik daarover hiervoor opmerkte in 3.19. Hiervoor geldt overigens ook dat dit een feitelijke beoordeling is die alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst, hetgeen ik hiervoor al memoreerde in 3.16.
non– of onvoldoende –
usus. Het gaat hier in onze zaak om redelijkheid en billijkheid in de vorm van wat wel genoemd wordt post-contractuele goede trouw, een zelfstandige bron van verbintenissen. Ik benadruk dat, omdat een voorafgaande langjarige contractuele band partijen post-contractueel sterk kan nopen zich jegens elkaar te verhouden naar normen van de redelijkheid en billijkheid. In de muziekuitgavecontracten is het uitgaverecht overgedragen aan de uitgever met het doel laatstgenoemde de mogelijkheid te geven de werken te exploiteren. Op het moment dat die exploitatie-inspanningsverplichtingen van de uitgever na opzegging eindigen, is het voorstelbaar dat de post-contractuele redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de uitgaverechten niet bij de opgezegde uitgever blijven – ondanks aanvankelijke overdracht, die als het ware doelgeboden moet worden opgevat: ter fine van exploitatie, maar terugkeren naar de auteur bij het wegvallen van dat exploitatiedoel, onder meer om de auteur zo de kans te geven met een andere muziekuitgever in zee te gaan (zie de s.t. zijdens [verweerders] onder 6.4.6). In wezen zit daar een overeenkomstige ratio voor als bij het geschetste nieuwe stelsel uit de Wet auteurscontractenrecht, die in de wetsgeschiedenis zo onder woorden is gebracht [39] :
Het is in (rechts)economisch opzicht niet efficiënt als rechten waarvoor een markt bestaat, niet worden geëxploiteerd. De maker dient in dat geval in de gelegenheid te worden gesteld zijn rechten aan een andere exploitant te verlenen die in de uitbating daarvan wel is geïnteresseerd. Dit speelt temeer nu het auteursrecht geldt tot zeventig jaar na het overlijden van de maker.(…)
retro-overdrachtvan de uitgaverechten [41] , welke
contractuele verplichtinghet hof op grond van art. 6:248 lid 1 BW Pro in de muziekuitgave-overeenkomsten heeft gelezen, dan wel vindt voortvloeien uit de post-contractuele goede trouw.
subonderdeel I.I onder 12evenmin tot cassatie leiden.
onder 18van de cassatiedagvaarding genoemde stellingen, terwijl de door Nanada c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden (kunnen) leiden tot het oordeel dat partijen een niet-opzegbare overeenkomst hebben beoogd en deze omstandigheden ook de tekst van de betrokken overeenkomsten zelf betreft (die het hof zonder nadere motivering terzijde schuift).
onderdeel IIgaan denk ik uit van een verkeerde lezing van het arrest. Opnieuw klinkt hierin door dat overdracht onomkeerbaar is en we hebben gezien dat dat bij exploitatie-overeenkomsten als de onderhavige niet het hele verhaal is. Ook dit onderdeel focust te eenzijdig op het uitgeefrechtenoverdrachtsaspect van de muziekuitgavecontracten. Het hof heeft op grond van de aard van de betreffende muziekuitgavecontracten geoordeeld dat deze wezenskenmerken van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in zich hebben en een parallel getrokken met de regels die voor de beëindiging daarvan zijn ontwikkeld. De klachten nemen zo bezien ten onrechte tot uitgangspunt dat het hof zou hebben moeten oordelen over de
bedoelingvan partijen om een niet-opzegbare overeenkomst aan te gaan. Die toets lag niet voor. Nanada c.s. hebben niet gesteld dat partijen de
bedoelinghebben gehad dat de overeenkomsten niet-opzegbaar waren, waarbij moet worden bedacht dat op Nanada c.s. de stelplicht en bewijslast ter zake rust.
Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam) [42] :
onder 17 en 18van de cassatiedagvaarding genoemde feiten en omstandigheden tot het oordeel (kunnen) leiden dat partijen een niet opzegbare overeenkomst hebben beoogd. Dit is niet voldoende, nu van degene op wie de stelplicht rust, mag worden verwacht dat hij “zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten” (art. 150 Rv Pro).
onder 17 en 18van de cassatiedagvaarding genoemde feiten en omstandigheden niet zonder meer tot het oordeel leiden dat partijen een niet-opzegbare overeenkomst hebben beoogd.
onder 18 (ix)dat een uitgever niet bereid zal zijn risicodragende investeringen te doen die mogelijk pas jaren later tot inkomsten leiden, indien de muziekuitgave-overeenkomst ieder moment door de auteurs zou kunnen worden opgezegd, volgt niet dat
beidepartijen in deze zaak een niet-opzegbare overeenkomst hebben beoogd. Hetzelfde geldt voor de stelling
onder 18 (v)dat niet is gekozen voor een licentieovereenkomst, wat de geëigende wijze zou zijn om een opzegbare (auteursrechtelijke) duurovereenkomst te bewerkstelligen. We zagen hiervoor al dat dit onderscheid sinds 1 juli 2015 hier te lande niet meer zo hard geldt, gelet op het dwingendrechtelijke regime uit art. 25e Aw, dat onmiddellijke werking heeft.
retro-overdrachtvan de uitgaverechten in het geval van opzegging heeft (in)gelezen, dan wel heeft aangenomen op grond van de post-contractuele goede trouw [48] .
onder 19is dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk en heeft het hof miskend dat tussentijdse beëindiging van de overeenkomsten slechts mogelijk is in geval van onvoorziene omstandigheden die van dusdanige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten (HR 21 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1988:AD0483, NJ 1990/439 (
Mondia/Calanda) en HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1428, NJ 1994/688 (
Aerts/Kneepens)). Volgens het onderdeel brengen de goederenrechtelijke aard en/of verplichtingen die voor
bepaaldetijd zijn aangegaan (voor de duur van het auteursrecht), mee dat de overeenkomsten in beginsel niet opzegbaar zijn. Indien het hof het vorenstaande niet heeft miskend, heeft het althans zijn oordeel, dat de overeenkomsten in beginsel opzegbaar zijn, onvoldoende gemotiveerd, nu het hof onvoldoende aandacht schenkt aan de goederenrechtelijke aard van de overeenkomsten en/of de verplichtingen die voor bepaalde tijd zijn aangegaan.
bepaaldetijd. Het hof toetst hier overduidelijk de voorwaarden voor opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, vgl. hiervoor in 3.22 en voetnoot 38, en 3.28.
onder 20dat voor het geval het hof terecht leentjebuur heeft gepleegd bij de opzegvoorwaarden voor opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, het oordeel dat hier geen sprake is van de uitzondering op de in beginsel opzegbaarheid in de vorm van: kan alleen als er sprake is van een voldoende zwaarwegende grond daarvoor (en zo’n voldoende zwaarwegende grond hier dus niet is vereist), dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is in het licht van de
onder 21 en 22aangedragen stellingen. Volgens het onderdeel
onder 23leiden die omstandigheden bij uitstek tot het oordeel dat in het onderhavige geval zich juist de situatie voordoet dat geen grond voor opzegging bestaat, in het licht van ’s hofs vaststelling dat [verweerders] geen beroep toekomt op de gestelde gebrekkige prestatie van Nanada c.s. (rov. 3.5) – althans kunnen deze daartoe leiden. Althans is het oordeel van het hof volgens het onderdeel
onder 24onbegrijpelijk omdat het hof niet (voldoende inzichtelijk) heeft gemaakt waarom ondanks deze door Nanada c.s. aangevoerde, maar door het hof in het midden gelaten omstandigheden, in dit geval “de opzegging van 28 augustus 2011 rechtsgevolg heeft in dier voege dat de muziekuitgave-overeenkomsten per die datum met onmiddellijke ingang zijn beëindigd.”
De Ronde Venen/Stedin [50] en
Auping/Beverslaap [51] geformuleerde maatstaf zelfs vrijwel letterlijk overgenomen.
De Ronde Venen/Stedin) [52] :
Auping/Beverslaap-zaak en Tjong Tjin Tai in zijn NJ-noot onder het
De Ronde Venen/Stedin-arrest, ben ik het eens dat de Hoge Raad in het
De Ronde Venen/Stedin-arrest de discussie bij duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd heeft verlegd van de opzegbaarheid naar de voorwaarden waaronder wordt opgezegd.
Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam).
alleengesteld dat de muziek-uitgaveovereenkomsten naar hun aard – gelet op de daarin opgenomen overdracht van uitgaverechten – niet vatbaar zijn voor tussentijdse opzegging (zie ook stellingen d, h en i
onder 22) [54] . Zoals hiervoor bij de behandeling van onderdeel I al is toegelicht, gaat dit betoog niet op en kon het hof een contractuele verplichting tot
retro-overdrachtvan de uitgaverechten in het geval van opzegging in de overeenkomsten (in)lezen, dan wel baseren op de post-contractuele goede trouw. Nu de stellingen d, h en i
onder 22zijn aangevoerd ter ondersteuning van het in onderdeel I al verworpen betoog, kunnen deze Nanada c.s. ook in onderdeel III niet baten.
onder 22van de cassatiedagvaarding aangehaalde stellingen (a-c en e-g) zijn niet aangevoerd in het kader van de niet-opzegbaarheid van de overeenkomsten. Het hof behoefde, anders dan Nanada c.s. aanvoeren, deze stellingen dan ook niet kenbaar te betrekken in zijn oordeel dat er in dit geval onvoldoende gronden aanwezig zijn om te oordelen dat opzegging van de muziekuitgave-overeenkomsten alleen mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Mocht ik dat niet goed zien, dan heeft naar ik meen te gelden dat deze opgeworpen hordes door het hof impliciet zijn verworpen (en gewoon de hoofdregel is toegepast van in beginsel opzegbaarheid). Overigens is het aspect van al dan niet terugverdiende investeringen (stelling c) door het hof expliciet verdisconteerd (en verworpen), dus dat dit niet zou zijn geadieerd, mist feitelijke grondslag.
onderdeel III onder 22faalt dan ook.
onder 21van de cassatiedagvaarding betogen, bij de beantwoording van de vraag óf kon worden opgezegd (“de maatstaf van de opzegging”) geen rekening te houden met de (algemene) omstandigheden opgesomd in de cassatiedagvaarding
onder 21(te weten (a) de wederzijdse belangen van partijen, (b) of partijen bij het aangaan van de overeenkomst een langdurige samenwerking voor ogen stond, (c) of de opgezegde partij een forse investering heeft gedaan ten behoeve van de samenwerking, (d) of de opgezegde partij grotendeels/voor een aanzienlijk deel van haar omzet afhankelijk is van de overeenkomst, (e) de lange duur die de overeenkomst in theorie nog zou kunnen hebben en de financiële consequenties van de opzegging, (f) de hechte en langdurige relatie tussen partijen, (g) het vertrouwen van de opgezegde partij dat de overeenkomst langdurig in stand zou blijven, (h) de opzegtermijn, (i) de aard en strekking van de overeenkomst en (j) de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit).
onderdeel II onder 21gaat dan ook evenmin op.
onderdeel III onder 23 en 24bouwen voort op de voorgaande klachten en stranden op dezelfde gronden. Ik teken daar nog bij aan dat ’s hofs vaststelling in rov. 3.5 dat [verweerders] geen beroep toekomt op de gestelde gebrekkige prestatie van Nanada c.s., waar
onder 23op wordt gewezen, geen stelling inhoudt van Nanada c.s. ter zake de niet-opzegbaarheid van de muziekuitgave-overeenkomsten.
onderdeel III onder 24nog de klacht te lezen over onbegrijpelijkheid van het niet inacht behoeven te nemen van een opzegtermijn. Ik acht dat niet onbegrijpelijk om de volgende reden. Op zich is vrij algemeen aanvaard dat bij opzegging van een duurovereenkomst (zeker met een zo lange looptijd) een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen [56] . Het hof leest naar ik meen als het ware een opzegtermijn van 12 maanden in op de volgende wijze. Bij ontvangst van de ontbindingsbrief uit augustus 2010 was voor Nanada c.s. duidelijk dat GE de muziekuitgavecontracten wilde beëindigen. Bij het honoreren van de meer subsidiair aangedragen beëindigingsgrond die in de procedure vervolgens bij CvA onder 73 is aangedragen, te weten beëindiging per augustus 2011, is als het ware een opzegtermijn verdisconteerd van 12 maanden vanaf de ontbindingsbrief en dat wordt door het hof gelet op de duur van de overeenkomsten genoegzaam geacht – een feitelijke oordeel. Dat is wel een constructie, maar zo begrepen komt dit in de redenering van het hof neer op het
de factoin acht nemen van een opzegtermijn van 12 maanden door GE. Dat dat voor het hof door de beugel kon, is niet onbegrijpelijk. Ook deze klacht – zo die al voorligt – kan zodoende niet tot cassatie leiden.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
onder 1.1 en 1.2dat het hof heeft miskend dat het gaat om een
voortdurendetekortkoming door Nanada c.s. in de nakoming van haar voortdurende inspanningsverplichtingen: dus een tekortkoming die ook voortduurde tot (in ieder geval) het moment waarop [verweerders] bij brief van 25 augustus 2010 primair de overeenkomst ontbonden en subsidiair Nanada c.s. in gebreke stelden. Het onderdeel klaagt dat voor zover deze voortdurende tekortkoming heeft plaatsgevonden binnen de in art. 6:89 BW Pro bedoelde termijn voorafgaand aan 25 augustus 2010, [verweerders] daarop wel degelijk een beroep kunnen doen.
ingebrekestellinginhoudt. Ik begrijp de klachten aldus dat wordt aangevoerd dat [verweerders] in hun ontbindingsbrief van 25 augustus 2010, anders dan het hof in rov. 3.6 vaststelt, wél een beroep konden doen op de gestelde tekortkomingen over de periode vóór 25 augustus 2010. Deze klachten zijn volgens mij terecht voorgesteld. Niet valt in te zien waarom [verweerders] in hun brief van 25 augustus 2010 geen beroep konden doen op de gestelde tekortkomingen over de periode voor 25 augustus 2010 en de ingebrekestelling van 25 augustus 2010 (daardoor) evenmin effect zou sorteren.
onder 2.1dat het hof in rov. 3.5 heeft miskend dat indien een partij tekortschiet in de nakoming van een voortdurende verplichting, deze weliswaar in de toekomst alsnog kan worden nagekomen, maar daarmee de tekortkoming in het verleden niet ongedaan kan worden gemaakt. Nakoming is wat betreft deze tekortkoming in het verleden dan ook niet meer mogelijk. Daardoor is de wederpartij van de partij die tekortschiet in de nakoming van een voortdurende verplichting in beginsel bevoegd om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk “rauwelijks” te ontbinden omdat in zo’n geval verzuim (of een ingebrekestelling die het verzuim doet intreden) voor het onstaan van die bevoegdheid niet is vereist.
zelfinspanningen hebben verricht en dat inspanningen door anderen – zoals de aan Nanada c.s. gelieerde platenmaatschappij Red Bullet – niet aan Nanada c.s. kunnen worden toegeschreven.
samengewerkt” met Red Bullet ter zake de “Best of” CD in 2008 en de her-relaese van albums op vinyl in 2009 en 2010 en dat Nanada c.s. hebben “
meegewerkt” aan de totstandkoming van de cover van het muziekwerk “Seasons” in 2009 en de deals voor het gebruik van de titels “Yellow and Blue” en “Back Home” in commercials, lees ik dat het hof wel heeft onderzocht of Nanada c.s. (ook)
zelfinspanningen hebben verricht. Dit volgt mede – zij het iets meer verscholen – uit de overwegingen van het hof over het beschikbaar stellen van muziekwerken van [verweerders] via iTunes en Spotify, waaraan Nanada c.s. – zo lees ik in het arrest – als houders van de uitgaverechten van deze werken hun medewerking verleend móeten hebben. Hetzelfde geldt voor de zogenoemde “kick back” vergoeding [61] die door Nanada c.s. aan [verweerders] is uitgekeerd, welke uitkering, zo begrijp ik het arrest, ook een activiteit van Nanada c.s. inhoudt, namelijk de uitvoering van art. 14 van Pro de muziekuitgave-overeenkomsten [62] .
zelf(enige) inspanningen hebben verricht, niet af.
voldoendeinspanningen hebben verricht, is het hof immers niet toegekomen, nu [verweerders] naar zijn oordeel niet binnen bekwame tijd hebben geklaagd.
5.Andere routes
subonderdeel I.I onder 12dat onbegrijpelijk is dat uit de redelijkheid en billijkheid zonder nadere redengeving een plicht voortvloeit tot retro-overdracht zou dan kunnen slagen, omdat het hof hier te zeer moet worden “geholpen” en te weinig concludent is gemotiveerd. Dat schakelt dan vervolgens de voorwaarde in waaronder het incidenteel beroep is ingesteld, waarvan als gezegd de onderdelen 1, 2 en 6 volgens mij opgaan, zodat zou moeten worden gecasseerd en verwezen. Het wil mij voorkomen dat in dat geval na verwijzing de subsidiaire grond belangrijke aandacht zal krijgen en er is niet veel fantasie voor nodig dat dit mogelijk grond zal kunnen zijn voor ontbinding wegens sub-optimale exploitatie, die inmiddels volgens art. 25e Aw gepaard zal gaan met een dwingendrechtelijke en met civielrechtelijke boete gesanctioneerde plicht tot retro-overdracht van de uitgaverechten aan de Golden Earring. Materieel is dan te verwachten dat het eindresultaat hetzelfde is als waar het hof op is uitgekomen. Deze mogelijk koninklijker te achten weg zadelt partijen dan wel op met een kostbare verwijzingsprocedure.