Conclusie
middelklaagt dat het oordeel van het hof – inhoudend dat het overleg van 16 juli 2014 niet kan worden aangemerkt als een vergadering van een bestuurscommissie als bedoeld in art. 83, vierde lid, Gemeentewet, zodat aan de verdachte geen immuniteit als bedoeld in art. 22 Gemeentewet Pro toekomt en het Openbaar Ministerie als gevolg daarvan ontvankelijk moet worden geacht in de vervolging van de verdachte – blijk geeft van een te beperkte, en dus onjuiste, rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
proces-verbaal van aangiftevan de politie eenheid Den Haag, HLM district Rijn- en Veenstreek, HLM team Alphen- Rijnwoude, d.d. 22 juli 2014, met proces-verbaalnummer PL1500-2014161763-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
verklaring van [betrokkene 1](pag. 15-19):
proces-verbaal van verhoor getuigevan de politie eenheid Den Haag, HLM district Rijn- en Veenstreek, HLM team Alphen-Rijnwoude, d.d. 28 juli 2014, met proces-verbaalnummer PL1500-2014161763-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
verklaring van [betrokkene 4](pag. 23-26):
proces-verbaal van verhoor getuigevan de politie Hollands Midden, district Gouwe IJssel, team Gouda, d.d. 11 augustus 2014 [het hof leest: 15 augustus 2014], met proces-verbaalnummer PL1600-2014161763. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
verklaring van [betrokkene 3](pag. 30-33):
verklaring van [betrokkene 2](pag. 34-37):
Het was een extra vergadering, geen officiële. Het was een informeel overleg tussen de fractievoorzitter(hof: fractievoorzitters).
[betrokkene 1](hof [betrokkene 1] )
was er bijgevraagd als voorzitter van de werkgeverscommissie voor de aanstelling van de nieuwe griffier(...)
Er zijn geen notulen gemaakt. [betrokkene 3] of [betrokkene 2](hof: [betrokkene 3] respectievelijk [betrokkene 2] )
had het gesprek georganiseerd." (pag. 11)
Ik heb toen om een extra fractievoorzittersvergadering gevraagd. Op maandag 15 juli heb ik op verzoek van de burgemeester [betrokkene 1] gebeld en gezegd dat er volgens mij wel een middenweg te vinden is(...)
We besloten om de tafel te gaan zitten op dinsdag 16 juli 2014(...)
Op dinsdagmorgen gaf [betrokkene 4](hof: [betrokkene 4] , lid van de werkgeverscommissie)
aan dat hij erbij kon zijn(...)
Het was een informeel overleg(...)
er was geen voorzitter. Ik was de initiatiefnemer." (pag. 35 t/m 37)
Het was om een voorstel te bespreken om een aantal fractievoorzitters tegemoet te komen vanwege hun onvrede over de griffier(...)
Bij de 'kritische' partijen was er onvrede(...)
Dat waren (de) partijen waarmee we op 16 juli aan de tafel zaten." (pag. 20 en 21)
het reglement van orde(cursivering van mij, AG).” [1]
NJ2002/577 m.nt. Koopmans. De kwestie had betrekking op een deskundige die, als lid van een onderzoeksgroep, in opdracht van de Commissie-Van Traa deelrapporten betreffende de georganiseerde criminaliteit had geschreven en die als bijlagen waren gepubliceerd bij het eindrapport van de commissie. Journalisten hadden een in één van de deelrapporten niet bij naam genoemde persoon in verband gebracht met een advocaat (‘geval 25’). Deze advocaat meende dat de deskundige jegens hem onrechtmatig had gehandeld en startte tegen hem een civiele procedure. In cassatie stond de vraag centraal of de deskundige tot de kring behoorde van “andere personen die deelnemen aan de beraadslaging” als bedoeld in art. 71 Grondwet Pro. De Hoge Raad (civiele kamer) oordeelde dat dit niet het geval was: de immuniteit van art. 71 komt Pro slechts toe “aan personen die deelnemen aan een vergadering van een Kamer (of de verenigde vergadering) of Kamercommissie”. De Hoge Raad vervolgt: “Indien een Kamer of Kamercommissie in een vergadering of hoorzitting personen hoort zonder hen tot de beraadslaging toe te laten, komt aan die personen geen immuniteit toe. Evenmin komt immuniteit toe aan (niet in art. 71 Grondwet Pro genoemde) personen die zich schriftelijk tot een Kamer of Kamercommissie wenden”. Voorts zegt de Hoge Raad nog over de in art. 71 Grondwet Pro genoemde beraadslaging dat daaronder dient te worden verstaan: “het 'parlementaire debat', dat wil zeggen de schriftelijke of de mondelinge uitwisseling van gedachten en standpunten in een vergadering van een van de Kamers of een Kamercommissie”. Voor de deskundige betekende dit alles dat de door hem verleende bijstand aan de commissie niet de bevoegdheid meebracht om zelf deel te nemen aan het parlementaire debat en dat derhalve aan hem de immuniteit als bedoeld in art. 71 Grondwet Pro niet werd toegekend.
NJ1987/457 m.nt. Van der Haardt (rov. 3.2) dit doel ten aanzien van de voorloper van art. 22 Gemeentewet Pro als volgt ingekaderd:
het reglement van orde(cursivering van mij, AG) wordt uitgeoefend op hetgeen ter vergadering van de raad wordt gezegd of aan haar overgelegd.”
NJ1984/801 m.nt. Van der Scheltema, waarin een gemeenteraadslid een brief met bijlagen indiende bij een raadscommissie waarvan zij deel uitmaakte en een afschrift daarvan aan een journalist verstrekte. In cassatie ging het vooral om de vraag of dit raadslid zich ten aanzien van de aan de journalist verstrekte brief kon beroepen op de immuniteit die de Gemeentewet biedt. Volgens de Hoge Raad (rov. 3.1) strekt de bescherming tegen de vervolging in rechte zich niet uit “tot andere handelingen dan die welke in deze wetsvoorschriften worden genoemd”. De bedoelde wetsvoorschriften waren toen art. 53 en Pro art. 64e Gemeentewet (oud). Ook het feit dat de taak van een gemeenteraadslid zich niet beperkt tot het deelnemen aan raads- en commissievergaderingen, “rechtvaardigt niet de in de art. 53 en Pro 64e voorziene onschendbaarheid uit te breiden tot andere handelingen dan die in deze artikelen worden aangegeven”, aldus de Hoge Raad. Een beroep op immuniteit kwam het raadslid dan ook niet toe. In lijn hiermee herhaalde de Hoge Raad (strafkamer) in zijn arrest van 2 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8693,
NJ2002/421 m.nt. Mevis (rov. 4.3) het in het civiele arrest van 1983 geformuleerde uitgangspunt met betrekking tot de bescherming tegen de vervolging in rechte en oordeelde hij vervolgens dat het raadslid (de verdachte) geen immuniteit toekwam voor de overhandiging van de tekst van zijn redevoering aan een ander dan de (leden van de) raad buiten de raadsvergadering.
NJ2011/450 m.nt. Dommering uitgelaten over de vraag in hoeverre de inhoud van de uitlatingen van belang zijn bij de vraag of een parlementslid immuniteit toekomt. Tijdens een vergadering van de Staten van Aruba, die live op de televisie werd uitgezonden, had een toenmalige minister een lid van de Staten van Aruba (van de oppositiepartij) uitgemaakt voor pedofiel en beschuldigd van pedofilie. In cassatie ging het om de vraag of de minister zich met succes kon beroepen op de regeling van de parlementaire immuniteit als bedoeld in art. III.20 Staatsregeling van Aruba. De Hoge Raad stelt voorop dat parlementaire immuniteit een beperking vormt van het recht op toegang tot de rechter. Zij dient echter een legitiem doel, te weten het beschermen van de vrije meningsuiting in het parlement en handhaving van de scheiding van machten tussen de wetgever en de rechter. Volgens de Hoge Raad is het met dat doel “niet verenigbaar dat de rechter zich zou begeven in een beoordeling van de – in dit geval: civielrechtelijke – toelaatbaarheid van in het parlement gedane uitingen, welke dan ook”.