Conclusie
2.Bespreking van de principale cassatiemiddelen
onderdeel 3, omdat het van de verste strekking is. In de door dit onderdeel bestreden rechtsoverweging heeft het hof als volgt geoordeeld:
onder 1.1– samengevat – dat het hof de bijzondere curator niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar incidentele appel omdat zij geen (voldoende) duidelijke grief heeft geformuleerd tegen de beschikking van de rechtbank. Daarnaast heeft het hof, aldus
subonderdeel 1.2, zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd met zijn overweging aan het slot “gelet op het bovenstaande en de inhoud van het beroepschrift”. Voor zover het hof zou oordelen dat de moeder en de grootvader niet hebben aangevoerd dat de bijzondere curator geen grief tegen de beschikking heeft geformuleerd, is zijn oordeel volgens
subonderdeel 1.3eveneens onbegrijpelijk.
Lid 2 bepaalt dat in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder het verzoek slechts wordt toegewezen, indien:
Subonderdeel 2.2voegt daaraan toe dat als het hof tot het oordeel gekomen is dat de bijzondere curator deze vernietigingsgronden wel zou hebben aangevoerd, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de grief van de bijzondere curator. Volgens
subonderdeel 2.3is, indien het hof tot het (impliciete) oordeel zou zijn gekomen dat het een of meer bepalingen van openbare orde zou hebben moeten toepassen, dit oordeel rechtens onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat (a) er geen sprake is van bepalingen van openbare orde die vergden dat het hof over zou gaan tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en (b) de vader in hoger beroep is bijgestaan door een advocaat die niet heeft geappelleerd, hetgeen ook zou betekenen dat vernietiging op grond van bepalingen van openbare orde niet zou zijn toegestaan.
zodat”deze de gelegenheid zou krijgen om incidenteel te appelleren, en/of opdat de bijzondere curator het door de raad ingesteld appel zou kunnen “
overnemen”.Bovendien heeft het hof, aldus het middel, miskend dat het niet mocht ‘meeprocederen’ met de raad, laat staan een andere partij die niet bevoegd was om in deze zaak te procederen resp. te appelleren.
indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of
ambtshalve een bijzondere curatorom de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.”