5.1. Ingevolge art. 416, tweede lid, Sv kan de rechter in hoger beroep – in het geval dat de verdachte niet op de voet van art. 410, eerste lid, Sv een schriftuur houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis heeft ingediend en vervolgens na de voordracht van de zaak ter terechtzitting ook geen mondelinge bezwaren tegen dit vonnis opgeeft – de verdachte zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep. Wat betreft de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in de onderhavige zaak houdt het bestreden arrest het volgende in:
“
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
5.2. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof door de verdachte in casu niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat door hem niet alleen geen schriftuur is ingediend maar ook geen mondelinge bezwaren zijn opgegeven wat betreft de toepassing van art. 416, tweede lid, Sv ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen
(i) het geval van de verdachte die wel op de terechtzitting verschijnt maar daar nalaat mondelinge bezwaren op te geven en
(ii) het geval van de verdachte ten aanzien van wie in het feit dat hij niet op de terechtzitting verschijnt al besloten ligt dat door hem ook geen mondelinge bezwaren worden opgegeven.
De toepassing van art. 416, tweede lid, Sv zou wat de steller van het middel betreft beperkt moeten blijven tot het hierboven onder (i) genoemde geval. Om welke reden de steller van het middel deze mening precies is toegedaan blijft in de schriftuur enigszins duister, maar het zal ermee te maken hebben dat het blote feit dat een bepaalde verdachte niet op een terechtzitting verschijnt op zichzelf genomen nog niet meebrengt dat deze verdachte als hij wel op de betreffende terechtzitting was verschenen geen mondelinge bezwaren had willen opgeven.
5.3. Wat betreft dit laatste punt verschilt de niet verschijnende verdachte echter ook weer niet zo erg van de wel verschijnende verdachte, want ook bij de wel verschijnende verdachte die nalaat mondelinge bezwaren op te geven blijft er – even los van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv – in ieder geval de theoretische mogelijkheid dat hij in een later stadium van de behandeling van de zaak wel mondelinge bezwaren zou willen opgeven. Een echte reden om hier een hard onderscheid tussen de wel verschijnende en de niet verschijnende verdachte te maken is er naar mijn mening dus niet.
5.4. Daar komt bij dat de door de steller van het middel voorgestane beperkte uitleg van art. 416, tweede lid, Sv tot gevallen waarin de verdachte wel op de terechtzitting verschijnt het onaanvaardbare gevolg zou hebben dat de verdachte door simpelweg niet ter terechtzitting te verschijnen aan de werking van deze bepaling zou kunnen ontkomen. De sleutel tot de verzekering dat de toepassing van art. 416, tweede lid, Sv er niet te gemakkelijk toe leidt dat aan het procesbelang van de verdachte voorbij wordt gegaan blijft mijns inziens dan ook in de eerste plaats liggen in een zorgvuldige toetsing door de rechter van de naleving van de betekeningsvoorschriften. Aangezien in de toelichting op het middel niets wordt aangedragen op grond waarvan in het geval van de onderhavige zaak een uitzondering op dit uitgangspunt zou moeten worden gemaakt, kan ook dit middel niet slagen.
5.5. Het tweede middel faalt eveneens.