Conclusie
eerste middelwordt gesteld dat het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2016 ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, nu het hof heeft nagelaten nader te onderzoeken of door de verdachte uitdrukkelijk afstand van zijn aanwezigheidsrecht was gedaan. Het middel doet een beroep op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 mei 2016 over de uitleg van de begrippen ‘persoonlijk gedagvaard’ en ‘anderszins officieel in kennis gesteld’ uit art. 4bis, eerste lid en onder a(i), van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (HvJEU 24 mei 2016, nr. C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki)).
tweede middelvat ik zo op dat daarmee wordt betoogd dat ’s hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv. [2]
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep