Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Juridisch kader
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Beoordeling van het tweede middel
6.Beoordeling van het derde middel
7.Beslissing
26 mei 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld omdat hij zijn zoon niet had ingeschreven op een school en deze niet geregeld had laten bezoeken, in strijd met de Leerplichtwet 1969. De verdachte voerde aan dat hij vrijstelling kon krijgen op grond van zijn godsdienstige overtuiging, maar het hof oordeelde dat de wettelijke vrijstellingsregeling niet van toepassing was omdat het kind in het voorafgaande jaar al op een school van de betwiste richting was geplaatst.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de Leerplichtwet geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het recht op godsdienstvrijheid en het recht op onderwijs zoals gewaarborgd in het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De Hoge Raad stelde dat ouders weliswaar vrij zijn om hun kinderen onderwijs te laten volgen dat aansluit bij hun geloofsovertuiging, maar dat dit niet betekent dat zij vrijgesteld zijn van de inschrijfplicht als er binnen redelijke afstand een school is die aan deze eisen voldoet.
Daarnaast wees de Hoge Raad het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie af, omdat het Unierecht niet rechtstreeks werd toegepast in deze zaak. Het beroep van de verdachte werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens niet naleven van de inschrijfplicht uit de Leerplichtwet 1969 ondanks godsdienstige bezwaren.