Conclusie
• Beroep op vrijstellingsgrond, artikel 8 tweede Pro lid Lpw
• Artikel 8 en Pro 14 EVRM en artikel 1 van Pro de Grondwet
a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en
b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.”
eerste middelklaagt dat artikel 9 EVRM Pro, artikel 2 Eerste Pro Protocol bij het EVRM en de artikel 10 en Pro 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden, doordat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat verdachte op grond van deze bepalingen moet worden geacht te zijn vrijgesteld van de in artikel 2, eerste lid, Lpw voorgeschreven inschrijfplicht, althans dat dit voorschrift buiten toepassing moet worden verklaard. Voor zover in het
derde middelwordt geklaagd dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat de verwijzing door het hof naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2011 [2] niet opgaat nu de casuspositie die ten grondslag lag aan het arrest van 15 februari 2011 verschilt van die van verdachte, leent zich deze klacht voor gezamenlijke bespreking met de klacht die in het eerste middel wordt geformuleerd.
tweede middelwordt de focus verlegd naar de artikelen 8 en 14 EVRM. De steller van het middel voert aan, althans zo begrijp ik de klacht, dat er sprake is van een inbreuk op artikel 8 EVRM Pro die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving en die leidt tot aanzienlijke consequenties voor het gezin. Verdachte heeft zich genoodzaakt gevoeld met [betrokkene 1] in België te verblijven terwijl de rest van het gezin nog in Nederland woont. Hierdoor voldoet de aan verdachte opgelegde verplichting ingevolge artikel 2 Lpw Pro, en de onmogelijkheid hiervan op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 2 Lpw Pro ten aanzien van [betrokkene 1] vrijstelling te verkrijgen, niet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Daarnaast, zo is de stelling, wordt in samenhang hiermee eveneens artikel 14 EVRM Pro geschonden doordat een niet te rechtvaardigen onderscheid wordt gemaakt binnen één en hetzelfde gezin omdat het oudste kind geen vrijstelling geniet en het tweede leerplichtige kind wel. Ook hier worden de motiveringsklachten die worden geformuleerd in het
derde middelbetrokken bij de bespreking van het tweede middel.
family lifeniet is geschonden, lijkt mij nog de vraag. Ik zal bij mijn bespreking van het middel eerst ingaan op de gestelde schending van artikel 8 EVRM Pro.
- In de eerste plaats moet worden vastgesteld of sprake is van een recht dat binnen de reikwijdte van artikel 8 lid 1 EVRM Pro valt. Vertaald naar onderhavige zaak: valt het recht op onderwijs en godsdienstvrijheid onder
- Als dat het geval is, dan moet worden bekeken of sprake is van een inbreuk op dat recht, oftewel: wordt door de onmogelijkheid om ten behoeve van [betrokkene 1] een vrijstelling van de schoolplicht te verkrijgen een inbreuk gemaakt op het
- Als dat het geval is, dan is de volgende stap of de inbreuk voldoet aan de in artikel 8 lid 2 EVRM Pro genoemde rechtvaardigingsgronden, namelijk is de inbreuk in overeenstemming met de wet of is daarvoor een wettelijke grondslag? Dient zij een legitiem doel? En ten slotte, is zij noodzakelijk in het kader van een democratische samenleving (ook wel geformuleerd als
family lifein relatie tot de vrijheid van godsdienst en onderwijs waarvan Fokkens in zijn conclusie uitgaat momenteel nog geldt. [10] Fokkens verwijst hiernaar in zijn conclusie niet expliciet, maar in de Belgische Talenzaak [11] heeft het EHRM de term
family lifeals bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM Pro inderdaad uitgelegd als het recht op omgang tussen ouders en kinderen. Volgens het EHRM verplicht deze bepaling de staat tot niet meer dan een verbod tot arbitraire scheiding van ouders en hun kinderen en bevat dit geen persoonlijk recht van ouders met betrekking tot het onderwijs aan hun kinderen. Het EHRM overwoog met betrekking tot de reikwijdte van artikel 8 lid 1 EVRM Pro:
family lifevan artikel 8 lid 1 EVRM Pro. Ook in een arrest dat het EHRM na de Konrad-zaak op 29 juni 2007 wees, Folgerø e.a. v. Noorwegen, kan worden opgemaakt dat het recht op onderwijs en godsdienst nauw verweven zijn met het recht op
family life.Het betrof hier een zaak waarbij het ging om het verkrijgen van vrijstelling voor godsdienstonderwijs en het EHRM overwoog:
family lifein de betekenis van artikel 8 EVRM Pro valt en dat de verplichtingen in het kader van de Leerplichtwet, gelet op de consequenties hiervan zoals deze door de verdediging naar voren zijn gebracht, een inmenging zijn in het gezinsleven van verdachte. [15]
family lifeis.
family lifekomt erop neer dat verdachte op grond van artikel 8, tweede lid Lpw geen beroep meer kan doen op de vrijstellingsregeling wegens richtingsbezwaren omdat [betrokkene 1] ingeschreven is geweest op de school waar de bedenkingen tegen bestaan. Dat betekent dat de door verdachte gemaakte schoolkeuze voor [betrokkene 1] in principe definitief is, ook al zou verdachte van levensovertuiging veranderen, of na aanvankelijk schoolbezoek tot de conclusie komen dat de school niet aansluit bij zijn levensovertuiging.
pressing social needen of deze beperking de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Daarvoor is het noodzakelijk te onderzoeken wat de ratio van de Nederlandse regeling is.
pressing social needvanwege ‘
the integration into and first experience of society’van kinderen en dat een verbod van thuisonderwijs noodzakelijk was voor ‘
the general interest of society in avoiding the emergence of parallel societies based on separate philosophical convictions and the importance of intergrating minorities into society’.Dit was aanleiding voor het EHRM om te oordelen dat was voldaan aan de vereisten van, onder andere artikel 8 lid 2 EVRM Pro:
pressing social needen dus niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dit betekent dat het hof, overeenkomstig artikel 94 Grondwet Pro artikel 8 lid 2 Lpw Pro buiten toepassing had moeten laten. Dit had mijns inziens moeten leiden tot vrijspraak omdat verdachte overeenkomstig artikel 5, aanhef en sub b van de Leerplichtwet 1969 een beroep op vrijstelling heeft gedaan, aan de wettelijke vereisten daarvan heeft voldaan, dit beroep van rechtswege tot vrijstelling heeft geleid, en verdachte pas daarna zijn zoon van school heeft thuisgehouden. Verdachte heeft dan geen inschrijvingsverplichting (gehad) en om die reden kan niet bewezen worden geacht dat verdachte de bepaling van artikel 2, eerste lid van de Leerplichtwet 1969 heeft overtreden. Ik geef de Hoge Raad in overweging de zaak dienovereenkomstig zelf af te doen.