Conclusie
1.De feiten
nietcorrect. Immers, de ingediende bouwaanvrage betrof niet het meerlaags wonen voor recreatieve doeleinden en kon dus nimmer leiden tot een bouwvergunning als bedoeld in de prospectus.
Betreft: Voortgangsbericht bouwvergunningsprocedure Warmond C.V.
2.Het procesverloop
3.Algemene inleiding
personenvennootschap. Dat houdt onder meer in dat elk van de partijen het samenwerkingsverband aangaat met het oog op de persoon van zijn of haar medevennoot of medevennoten. [10] Van een hiërarchische relatie tussen de beherend vennoot en de commanditaire vennoot is geen sprake. [11] Het beheersverbod van art. 20 lid 3 WvK Pro staat er mijns inziens niet aan in de weg dat de commanditaire vennoot intern invloed uitoefent op de koers van de vennootschap. [12] Hij heeft bovendien recht op informatie over het gevoerde beleid en op het afleggen van rekening en verantwoording door de beherend vennoot. [13]
gezamenlijke belangenvan de betrokken vennoten, maar ook, voor zover aanwezig, door het belang van het bestendige succes van de door de CV gedreven onderneming en het belang van de voor de CV werkzame werknemers. [15] Die belangen kunnen parallel lopen, maar ook onder omstandigheden uiteenlopen.
beherend vennootgeldende gedragsnormen. Het gaat erom hoe een
advocaatdie optreedt voor een commanditaire vennootschap, moet handelen indien sprake is van een (dreigend) tegenstrijdig belang tussen de belangen van de beherend vennoot enerzijds en de belangen van de CV en/of de commanditaire vennoten anderzijds. De advocaat zal in zo’n geval passende maatregelen moeten nemen. Ten minste zal hij het probleem aan de orde moeten stellen. Onder omstandigheden kan het noodzakelijk dat hij zich als advocaat van de commanditaire vennootschap terugtrekt.
4.De bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2.1klaagt over het oordeel van het hof dat (alleen) de CV opdrachtgever van Lexence was. Indien dit oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat Lexence zich niet ook met de behartiging van de (persoonlijke) belangen van EAIG en/of EAI heeft belast, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van de stichting.
Onderdeel 2.2klaagt dat, indien het hiervoor genoemde oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat Lexence over de onderhavige kwestie niet aan EAIG heeft geadviseerd, althans uitsluitend heeft geadviseerd aan EAIG in haar hoedanigheid van bestuurder van de beherend vennoot (EAW) en niet uit eigen hoofde en/of in die zin zich niet heeft belast met de behartiging van de belangen van EAIG, dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
Onderdeel 2.3klaagt dat het oordeel dat in de vergadering in september 2003 door Lexence in het kader van de advisering
aan EAW en daarmee aan de CVverschillende opties zijn voorgehouden, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat de stichting heeft gesteld dat Lexence in die vergadering EAIG heeft geadviseerd (onder meer over het aansprakelijkheidsrisico jegens de commanditaire vennoten).
Onderdeel 2.4klaagt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het niet (kenbaar) aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat Lexence in de memoranda van 10 juni 2005 en 20 juni 2005
EAIGheeft geadviseerd.
Onderdeel 2.5klaagt dat, indien het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat Lexence aan EAW alleen heeft geadviseerd in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de CV en niet (mede) aan EAW uit eigen hoofde en/of zich niet heeft belast met de behartiging van de belangen van EAW, die oordelen onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn.
Onderdeel 2.6houdt in dat de voorafgaande klachten ook het oordeel raken dat
de CV, vertegenwoordigd door EAWervoor heeft gekozen om onder meer door te gaan met het bouwplan.
Onderdeel 2.7richt zich tegen het oordeel dat Lexence de CV correct en volledig heeft geadviseerd. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat het belang van de CV mede werd bepaald door de belangen van de commanditaire vennoten en dat die belangen zijn veronachtzaamd, temeer nu de financiering volledig bijeen is gebracht door de commanditaire vennoten.
Onderdeel 2.8klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de CV zich er achteraf niet op kan beroepen dat Lexence een koers heeft geadviseerd die in strijd was met de belangen van de commanditaire vennoten, en daarmee ook met het belang van de CV, juist omdat Lexence deze koers heeft geadviseerd aan de beherend vennoot die – hoewel (naar Lexence wist) behept met een aan de CV tegenstrijdig belang – die koers namens de CV heeft gekozen.
Onderdeel 2.9klaagt dat dit temeer geldt nu Lexence naast de CV tevens (de bestuurder en enig aandeelhouder van) de beherend vennoot als advocaat bijstaat.
Onderdeel 2.10klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de commanditaire vennoten in feite slechts geldschieters zijn.
Onderdeel 2.11klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake was een situatie waarin de belangen van de CV en haar beherend vennoot zodanig uiteenlopen dat Lexence maatregelen had moeten nemen.
Onderdeel 2.12voert aan dat het voorgaande temeer geldt nu Lexence tevens (de bestuurder en aandeelhouder van) de beherend vennoot als advocaat heeft bijgestaan.
Onderdeel 2.13klaagt dat het hof heeft miskend dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht en dat een advocaat zich niet mag beperken tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar zelfstandig moet beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar moet handelen.
Onderdeel 2.14klaagt dat het hof heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat een advocaat handelt in strijd met de gedragsregels omtrent tegenstrijdige belangen, in beginsel wel degelijk leidt tot aansprakelijkheid.
Onderdeel 2.15klaagt dat het door onderdeel 2.14 bestreden oordeel van het hof in ieder geval ontoereikend gemotiveerd is, gelet op de door de stichting aangevoerde (bijzondere) omstandigheden.
alleen de CV de opdrachtgever van Lexence was(rov. 3.6 en 3.14 van het bestreden arrest). [20] Uit de feitenvaststelling door het hof blijkt het volgende. Lexence had feitelijk contact met en richtte haar adviezen aan EAIG, bestuurder en aandeelhouder van beherend vennoot EAW (zie rov. 2.9, 2.10, 2.13; zie ook par. 1.8, 1.9 en 1.12 van deze conclusie; zie ook voetnoot 4); Lexence heeft geconstateerd dat het prospectus fouten bevatte en daarbij aangegeven dat EAIG wegens deze fouten aansprakelijk zou kunnen worden gesteld door de commanditaire vennoten (rov. 2.9; zie ook par. 1.8 van deze conclusie); Lexence heeft EAIG geadviseerd in de communicatie met de commanditaire vennoten “niet de focus te leggen” op de fouten, maar op de mogelijkheden alsnog tot ontwikkeling te komen (rov. 2.13, 2.14, 3.7; zie ook par. 1.12 en 1.13 van deze conclusie).
gezamenlijkebelangen van de vennoten.
ookheeft geadviseerd – kort gezegd – inspanningen te gaan verrichten om de waarde van de grond te herstellen en zo de profijtelijkheid van de investering te bevorderen, welk advies wellicht
welin het belang van de CV was (vgl. rov. 3.10).
enkelop schending van de gedragsregel heeft beroepen. Het oordeel van het hof in rov. 3.11 komt erop neer dat het enkele feit dat Lexence heeft gehandeld in strijd met de gedragsregel omtrent tegenstrijdige belangen, nog niet per se leidt tot aansprakelijkheid van Lexence. Dit oordeel, dat in wezen een rechtsoordeel is, is op zichzelf juist, zoals volgt uit vaste jurisprudentie. [24] Het oordeel behoefde geen motivering. Hieruit volgt dat beide onderdelen ongegrond zijn.
Onderdeel 3.1klaagt over het oordeel van het hof dat de CV de enige opdrachtgever van Lexence was en verwijst daartoe naar de in onderdeel 2 genoemde redenen.
Onderdeel 3.2klaagt dat het hof heeft miskend dat de advocaat van een commanditaire vennootschap (uitsluitend) het belang van de commanditaire vennootschap moet behartigen en dat dit belang mede wordt bepaald door de belangen van de commanditaire vennoten, temeer indien de financiering volledig bijeen is gebracht door de commanditaire vennoten.
onderdeel 3.3raakt de voorgaande klacht ook het oordeel van het hof dat het op de weg van de stichting had gelegen de stelling te onderbouwen dat de participanten ervan uit mochten gaan dat Lexence ook hun belangen behartigde, kennelijk ook waar die niet parallel liepen met die van de beherend vennoot. Het oordeel dat de stichting deze stelling niet heeft onderbouwd, is bovendien gezien de gedingstukken onbegrijpelijk.
Onderdeel 3.4klaagt dat het hof heeft miskend dat de belangen van de commanditaire vennoten (als “derden”) zo nauw betrokken zijn bij de uitvoering van de overeenkomst tussen de commanditaire vennootschap en de advocaat, dat de advocaat met de belangen van de commanditaire vennoten rekening dient te houden. Het hof heeft althans zijn oordeel terzake onvoldoende gemotiveerd, mede in het licht van de stellingen van de stichting.
Onderdeel 3.5klaagt dat het hof heeft miskend dat het belang van de commanditaire vennootschap niet wordt bepaald door het belang van de beherend vennoot. Het oordeel dat het advies aan de CV om niet de aandacht te vestigen op de fout in het prospectus maar zich in te spannen om de waarde van de grond en de profijtelijkheid van de investering te herstellen, het belang van de CV diende, is onbegrijpelijk. Ook is het oordeel dat van Lexence niet gevergd kon worden dat zij in strijd met het belang van de CV de participanten actief zou informeren over de mogelijkheid van prospectusaansprakelijkheid omdat dit in strijd zou zijn met het belang van de CV, onbegrijpelijk.
Onderdeel 3.6klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechtsverhouding tussen de commanditaire vennoten en de commanditaire vennootschap zich niet kenmerkt door het ontbreken van zeggenschap van de commanditaire vennoten. Het oordeel is ook onjuist, althans onbegrijpelijk, gezien de afspraken in de CV-overeenkomst.
Onderdeel 3.7klaagt dat het hof heeft miskend dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.
Onderdeel 3.8klaagt dat het hof heeft miskend dat schending door een advocaat van de gedragsregels voor advocaten (in het bijzonder regel 7) in beginsel wel degelijk onrechtmatig handelen oplevert en dat de gedragsregels ook gelden in de relatie tussen de advocaat van de commanditaire vennootschap en de commanditaire vennoten.
de beherend vennoot, omdat de participanten niet de opdrachtgevers van Lexence waren. Dit laatste is op zichzelf juist, maar voor de beherend vennoot geldt hetzelfde. Lexence had zich noch – primair – op de belangen van de participanten moeten richten, noch – primair – op de belangen van de beherend vennoot. Het hof lijkt dit te hebben miskend.
volledigontbreken van zeggenschap van de commanditaire vennoten. Deze overweging is onjuist (zie hiervoor onder 3.5, 4.9 en voetnoot 22) en lijkt erop te duiden dat het hof aan de bestuurs- en vertegenwoordigingsbevoegdheid van de beherend vennoot de conclusie heeft verbonden dat de belangen van de beherend vennoot ook de belangen van de CV bepalen. Dat is niet het geval.