Conclusie
3.Ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep
inleiding
Scimed/Medinoluit 2009 bevestigd dat vernietiging van een Europees octrooi ingevolge de nieuwe verdragsbepaling niet meer is onderworpen aan nadere, aan het nationale recht ontleende voorwaarden [23] . In dit arrest verliet de Hoge Raad de tot dan toe gehanteerde maatstaf uit het arrest
Spiro/Flamco [24] , op grond waarvan een verzochte beperking dan wel gedeeltelijke vernietiging van het octrooi slechts werd toegelaten indien het voor de gemiddelde vakman reeds van tevoren voldoende voor de hand lag dat het octrooi slechts in die meer beperkte vorm verleend had behoren te worden. Deze maatstaf was volgens de Hoge Raad niet verenigbaar met het herziene verdragsrecht.
Warner-Lambert v. Mylan & Actavis [53] kwam de vraag aan de orde of het voor het eerst na “trial” indienen van een verzoek tot wijziging van een bepaalde octrooiconclusie – waarvan de inwilliging een tweede zitting tot gevolg zou hebben – “abuse of process” (een equivalent van “procedural unfairness”) opleverde. Het Patents Court oordeelde dat dit het geval was. Lord Justice Arnold heeft zich in de beslissing over de toelaatbaarheid van de wijziging expliciet uitgelaten over de verhouding tussen art. 138 lid 3 EOV Pro en het nationaal procesrecht. Hij heeft daarbij overwogen dat art. 138 lid 3 EOV Pro er alleen toe strekt te verzekeren dat alle verdragsluitende staten het recht op “post-grant amendment” erkennen, in het bijzonder in het kader van een verweer in een procedure over de geldigheid van het octrooi, en dat de verdragsbepaling geen betrekking heeft op “procedural fairness in litigation” [54] . Deze zienswijze van Lord Justice Arnold ten aanzien van art. 138 lid 3 EOV Pro kwam overeen met die van Lord Justice Jacob in de zaak
Nokia v. IPCOMuit 2011 voor het England and Wales Court of Appeal:
aangevoerdenietigheidsgronden, sluit ik mij aan bij de overweging van de Hoge Raad in het arrest
Scimed/Medinoldat de wijziging van art. 138 EOV Pro tot doel heeft uitdrukkelijk in het verdrag vast te leggen dat de octrooihouder het recht heeft een Europees octrooi te beperken in een nationale procedure en dat een beperking van een Europees octrooi “(…) uitsluitend (…) [geschiedt] in de vorm van
een door de octrooihouder voorgestelde(curs. toegevoegd) wijziging van de conclusies” [67] .
Scimed/Medinolaf dat de door de octrooihouder gewijzigde octrooiconclusies het uitgangspunt zijn in de nationale procedure en dat het aan de nationale rechter is om te bezien of de voorgestelde beperkingen ver genoeg gaan om nietigheid te voorkomen en of verdere beperkingen noodzakelijk zijn [70] .
subonderdeel 1.1in de kern betoogt, het handhaven van nationaal procesrechtelijke regels op grond waarvan grenzen of termijnen worden gesteld aan de uitoefening van het zelfbeperkingsrecht van de octrooihouder in een nationale procedure, zoals de twee-conclusieregel, niet in strijd is met art. 138 EOV Pro. Dit brengt m.i. mee dat de klacht van onderdeel 1.1 onder (iii) faalt.
subonderdeel 3.2.
subonderdelen 2.10-2.11omdat deze van de verste strekking zijn. De subonderdelen zijn gericht tegen het oordeel van het hof in de rov. 2.7 en 2.8 dat het beroep op de nieuwe octrooiconclusies geen vermindering van eis in de zin van art. 129 Rv Pro betreft.
ubonderdeel 2.11moet een beperking van het octrooi in een nietigheidsprocedure in gelijke mate mogelijk zijn als in een inbreukprocedure op de voet van art. 129 Rv Pro.
subonderdelen 2.1-2.2klagen dat de oordelen van het hof in met name de rov. 2.3-2.4 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het enkele gegeven dat sprake is van een nieuwe stelling of een nieuw feit (subonderdeel 2.1) en het feit dat een nieuwe stelling of een nieuw feit aanleiding geeft tot een reactie (subonderdeel 2.2) onvoldoende is voor de conclusie dat de betreffende stelling of betreffende feit op grond van de twee-conclusieregel buiten beschouwing moet worden gelaten. Daartoe wordt (in subonderdeel 2.1) gesteld dat feiten en stellingen die een ontwikkeling en/of precisering van de eerder ingenomen stellingen binnen het door de grieven ontsloten gebied inhouden ook toelaatbaar zijn indien zij na memorie van grieven worden ingeroepen.
subonderdelen 2.4-2.5klagen dat met name de rov. 2.1 en 2.3 onjuist zijn of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat de door High Point voorgestelde nieuwe octrooiconclusies in het verlengde liggen van het reeds gevoerde debat en om die reden niet geweigerd hadden mogen worden op grond van de twee-conclusieregel.
verbindt het schakelsysteem van EP’772 met het vaste netwerk (PSTN).” [81]
bij de overgang naar het PSTN.” [82]
productie 11KPN, rnr. 3) stelt dat het octrooi voorziet in een werkend en compleet voorbeeld van de wijze waarop timing problemen
in verband met verkeer van het PTSN netwerk naar de mobiele telefoonworden opgelost, waarbij de beschrijving in detail uitlegt hoe dit geschiedt.” [83]
één schakelsysteem dat ingericht is voor communicatie naar een vast telefoonnetwerk,
bijvoorbeeld het PSTN. Het schakelsysteem schakelt de gegevens tussen deze service-knooppunten en verschillende zenders/ontvangers
verbonden met het vaste telefoonnetwerk.” [84]
zoals ontvangen door het schakelsysteem van een service knooppunt en die op deterministische wijze naar het vaste netwerk worden verzonden.”
deterministische verkeerdat ontvangen wordt
van het publieke netwerken bestemd is voor het gebruikersapparaat (de mobiele telefoon), welk verkeer moet worden omgezet naar
niet-deterministischverkeer op de verbinding tussen het switchingsystem en de service node.” [85]
switching system, in
niet-deterministische vormen de omzetting van dit niet deterministische verkeer in
deterministisch verkeerzodanig dat het
doorgegeven kan worden aan het PSTN.Opgemerkt wordt dat het de term “
inkomend” in de context van Kermerk E opgevat dient te worden als verwijzing naar pakketten die worden doorgegeven vanaf een gebruikersterminal (mobiele telefoon) naar een bepaalde bestemming via het systeem en “
uitgaand” (“
outgoing”) opgevat dient te worden als verwijzing naar pakketten die
doorgegeven worden vanaf het PSTN via het systeem naar het gebruiksapparaat (de mobiele telefoon).” [86]
downlinkuit de UMTS-standaarden. Met ‘inkomend’ wordt de richting van gebruikersstation naar PSTN bedoeld, ofwel
uplinkin termen van standaarden.
‘traffic’)wanneer men de deterministische gegevensoverdracht bedoelt. Dat wil zeggen (i) de gegevensoverdracht tussen het PSTN en het schakelsysteem en (ii) die tussen het gebruikersstation en het serviceknooppunt. (…)” [87]
subonderdeel 2.5terecht klaagt, onvoldoende gemotiveerd waarom de tweede en derde beperking aanleiding zouden geven tot een “nieuw debat” althans dat deze zijn aan te merken als een ontoelaatbare nieuwe grief, terwijl High Point in de paragrafen 3.5 en 3.9 van de memorie van grieven met betrekking tot de tweede en derde beperking al aparte hulpverzoeken had ingediend.
subonderdeel 3.2die is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.10 over “de relatie tussen de beperkingen en de eerdere rechtsstrijd” .
subonderdelen 2.6-2.9geen bespreking meer.
subonderdeel 2.6niet in het verlengde ligt van de klacht van subonderdeel 2.5, kan met betrekking tot subonderdeel 2.6 ten behoeve van de procedure na terugwijzing het volgende worden opgemerkt. M.i. is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof de toelaatbaarheid van de voorgestelde beperkingen niet afzonderlijk heeft onderzocht nu High Point in haar akte heeft aangevoerd dat de voorgestelde beperkingen worden “geïncorporeerd in één definitieve hoofdconclusie” [89] en zij bij pleidooi heeft gesteld dat het “nieuwe hoofdverzoek” tot doel heeft de procedure te versimpelen en te stroomlijnen zodat partijen zich maar op “één, beperkt, hoofdverzoek hoeven te concentreren, in plaats van op de conclusies zoals verleend en op de drie afzonderlijke hulpverzoeken zoals geformuleerd in de memorie van grieven” [90] .
Scimed/Medinol [92] – wel geldt als een nieuw feit. Deze onwenselijke discreprantie druist volgens High Point in tegen de gedachte dat er geen voorrang of onderscheid bestaat tussen de centrale beperkingsprocedure van art. 105a-c EOV en de (nietigheids)procedures voor nationale rechters.
5.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
onderdeel 3bouwt op het voorgaande voort met het betoog dat het hof heeft miskend en niet (voldoende kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken dat indien een partij voorwaardelijk een verzoek wil intrekken, de voorwaarde waaronder dat geldt expliciet, althans uitdrukkelijk dan wel niet voor redelijke twijfel vatbaar, moet worden gesteld.
onderdeel 5dat klaagt dat het hof heeft miskend dat bij het indienen van een nieuw primair verzoek, het nieuwe verzoek de basis vormt van de procedure (vgl. art. 138 lid 3 EOV Pro), hetgeen automatisch leidt tot het intrekken van het oude primaire verzoek, omdat het voor een partij in een octrooiprocedure niet mogelijk is om zich te beroepen op twee nevengeschikte primaire verzoeken.