Conclusie
fishing expeditiongeen sprake is, en ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is (waarbij onder meer de verhouding tussen de informatieplicht van art. 47 AWR Pro en de administratieplicht aan de orde wordt gesteld).
1.Feiten en procesverloop
slechts de combinatie[betrokkene 1] / [betrokkene 2] als rekeninghouder(s) in aanmerking, zoals hiervoor vermeld onder punt 3.”
grief 2betogen [eiser] c.s. dat de voorzieningenrechter ten onrechte een spoedeisend belang bij de Staat aanwezig heeft geacht. In de toelichting op de grief wijzen zij erop dat de Belastingdienst weliswaar stelt dat zij al sinds 2002 pogingen doet om de gevraagde gegevens en inlichtingen te verkrijgen, maar dat de gedaagde bewindvoerders (dat zijn [eiser 1] jr en [eiser 2] ) nimmer een verzoek om inlichtingen hebben gekregen.
grief 5betogen [eiser] c.s. dat de voorzieningenrechter in r.o. 4.9 van het bestreden vonnis in te algemene bewoordingen en daardoor onjuist heeft geoordeeld dat de vordering van de Staat ertoe zou strekken dat [eiser] c.s. in hun hoedanigheid van bewindvoerders van [betrokkene 2] c.q. die van erfgenamen van hun vader worden verplicht naar beste vermogen informatie te verstrekken aan de Belastingdienst omtrent het bestaan van en de saldi op de beweerdelijke rekeningen bij de KB Luxbank en eventuele andere rekeningen en dat die verplichting meer omvat dan het verstrekken van bescheiden, namelijk ook het geven van antwoorden op alle vragen die dienstig kunnen zijn om een beeld te krijgen over de vermogenspositie van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Volgens [eiser] c.s. is dit een te ruime omschrijving, omdat de Staat alleen gevorderd heeft dat zij onder verbeurte van een dwangsom gehouden zijn vragen te beantwoorden die betrekking hebben op de in de formulieren verstrekte informatie en daarbij verstrekte bescheiden.
grief 6dat zij niet verplicht zouden zijn om gegevens vanaf 1994 te verstrekken, daar een wettelijke bewaartermijn van 12 jaar geldt.
grief 8dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst belang heeft bij een zo volledig mogelijke informatievergaring, en dat hij daarmee ten onrechte bij implicatie heeft geoordeeld dat de Belastingdienst voldoende belang zou hebben bij informatie vanaf 31 januari 1994. Daarbij voeren [eiser] c.s. aan dat het de Belastingdienst niet onvoorwaardelijk vrijstaat om voor de jaren waarvoor reeds (navorderings)aanslagen zijn opgelegd, nog (bijkomende) navorderingsaanslagen op te leggen en met het oog op de vaststelling daarvan zijn bevoegdheden ex artikel 47 AWR Pro te gebruiken.
grief 9dat de voorzieningenrechter zonder draagkrachtige motivering heeft geoordeeld dat, gegeven het voorshands op plausibele wijze gestaafde vermoeden van een voor de fiscus verzwegen rekening, er ook ruimte is voor de aanname van de mogelijkheid dat er ook andere (buitenlandse) rekeningen zijn waar geld op staat of heeft gestaan dan wel waarnaar gelden zijn overgeboekt. [eiser] c.s. wijzen erop dat de Belastingdienst alleen beschikt over informatie dat G.C [eiser] en/of [betrokkene 2] over een saldo bij de KB Luxbank beschikten. Dergelijke informatie is niet voldoende voor de aanname dat er meer buitenlandse rekeningen zijn.
grief 11merken [eiser] c.s. op dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat de informatie die onder de druk van een dwangsom is verkregen, met mag worden gebruikt voor de boeteoplegging. Aan het gebruik van de informatie had een restrictie moeten worden verbonden.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“zonder dat daarvoor enige grondslag in de feiten is te vinden”heeft vastgesteld:
“daardoor onjuist en ten onrechte”heeft vastgesteld dat de Belastingdienst
[eiser] c.s.een laatste mogelijkheid tot informatieverstrekking heeft geboden. Het middel (onder 1.1-1.2) wijst in dit verband erop dat in rov. 2.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 30 januari 2014, conform de inhoud van de desbetreffende brief, is vastgesteld dat
[betrokkene 2]een laatste mogelijkheid geboden is, en dat de Staat deze feitenvaststelling in appel onbestreden heeft gelaten. Het feit dat in rov. 2.15 van het bestreden arrest wordt gesproken van
“ [eiser] c.s.”zou volgens het middel impliceren dat de Belastingdienst middels de brief van 19 augustus 2013 niet alleen [betrokkene 2] , maar ook eisers tot cassatie een laatste mogelijkheid tot verstrekking van de gevraagde informatie heeft geboden. Het hof is daardoor bij de beoordeling van de zaak van een onjuiste feitelijke grondslag uitgegaan, aldus nog steeds het middel (onder 1.4). Vervolgens stelt het middel dat de (advocaat van de) Belastingdienst eisers tot cassatie in feite geen enkele mogelijkheid heeft geboden om de gevraagde informatie te verstrekken. Dit laatste is van belang, zo wordt betoogd, nu eisers tot cassatie ingevolge de art. 43 en Pro 44 AWR alleen dan verplicht kunnen worden tot het verstrekken van de gevraagde informatie indien dat specifiek van hen zou worden gevorderd [14] .
“Aktenwidrigkeit”) [15] .
“uw cliënte [betrokkene 2] ”, en wordt die
“cliënte”een laatste mogelijkheid geboden om gehoor te geven aan de aan haar gerichte sommatiebrief van 8 maart 2013. Naar de letter genomen heeft de brief dus (slechts) op [betrokkene 2] betrekking [19] .
[betrokkene 2]een laatste mogelijkheid geboden om de gevraagde informatie uiterlijk 2 september 2013 aan de Belastingdienst te verstrekken.
[betrokkene 2]heeft daarvan geen gebruik gemaakt.” (onderstrepingen toegevoegd; LK).
“ [betrokkene 2] ”, maar van
“ [eiser] c.s.”, waarmee wordt bedoeld eisers tot cassatie en [betrokkene 2] gezamenlijk [21] . Hiermee wijkt ’s hofs vaststelling tevens af van de bewoordingen van de brief van 19 augustus 2013, zoals hierboven weergeven.
uitsluitendwas gericht aan [betrokkene 2] . Het hof heeft volgens de Staat kennelijk gemeend dat de brief tevens gold als een mededeling aan eisers tot cassatie en dat het niet gebruik maken van de laatste mogelijkheid tot informatieverstrekking door [betrokkene 2] tevens kan worden gezien als een niet gebruikmaken van deze mogelijkheid door eisers tot cassatie, één en ander zowel in hun hoedanigheid van erfgenamen van [betrokkene 1] sr. als in hun hoedanigheid van gevolmachtigden en/of bewindvoerders van [betrokkene 2] . De Staat acht dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk, gelet op de toespitsing van het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter op
“ [eiser] c.s.”en gezien de specifieke omstandigheden van het geval.
ookte zijn gericht aan eisers tot cassatie, zowel in hun hoedanigheid van erfgenamen van [betrokkene 1] sr. als in hun hoedanigheid van gevolmachtigden en/of bewindvoerders van [betrokkene 2] .
zelfin zijn inleidende kortgedingdagvaardingen (onweersproken) aangegeven dat de brief als een mededeling aan [betrokkene 2] gold [26] :
Gedaagde sub 3( [betrokkene 2] ; LK) is bij brief aan haar raadsman van 19 augustus 2013 een laatste termijn geboden tot uiterlijk 2 september 2013 om verklaring en nadere opgaaf te doen (productie 3). Daarbij is tevens aangegeven dat indien
gedaagde sub 3terzake in gebreke zou blijven, het entameren van een kortgedingprocedure zou worden overwogen. Gedaagde sub 3, noch één van haar bewindvoerders, heeft de verzochte gegevens naar behoren verstrekt.” (onderstrepingen toegevoegd; LK).
“ [eiser] c.s.”heeft gesproken. Het feit dat daarbij in cassatie als onbestreden vaststaat dat de brief gericht was aan
“de advocaat van de bewindvoerders”doet daaraan niet af. Middel 1 komt mij dan ook gegrond voor.
buitenlandse bankrekeningen” middels het genoemde formulier en het verstrekken van de op dat formulier vermelde bescheiden betreffende die bankrekeningen. Gezien de strekking en formulering van de veroordeling sub 2, waarin expliciet wordt gesproken van bankrekeningen die
“door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ”zijn aangehouden, meen ik evenwel dat de veroordeling sub 3 in dezelfde zin dient te worden gelezen, namelijk als betrekking hebbende op de door [betrokkene 1] sr. en/of [betrokkene 2] bij KB-Lux en eventuele andere buitenlandse banken aangehouden bankrekening(en). In dit verband kan tevens worden gewezen op de overeenkomstige onderdelen 5.1 en 5.2 van het dictum zoals door de voorzieningenrechter geformuleerd. Onder 5.2 beval de voorzieningenrechter [eiser] c.s.
“om opgaaf te doen van de onder 5.1 bedoelde buitenlandse rekening(en) (…) door middel van het beantwoorden van de vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” (…)”; het ligt ook in dat licht niet voor de hand dat het hof in onderdeel 3 van het geherformuleerde dictum andere buitenlandse rekeningen dan die genoemd in onderdeel 2 van dat dictum heeft bedoeld.
“voor elke wijziging van het dictum van een uitspraak, een daarop gericht appel noodzakelijk is” [28] . Dit brengt met zich dat een geïntimeerde die een wijziging van het dictum te zijnen voordele wenst, incidenteel appel dient in te stellen [29] . Zonder een dergelijk appel mag het dictum in hoger beroep niet nadeliger voor de appellant uitvallen [30] .
gedaagde sub 3”, waarmee wordt bedoeld [betrokkene 2] , bij KB-Lux en eventuele andere buitenlandse banken heeft aangehouden [31] . Ook de veroordeling in het dictum van de voorzieningenrechter op dit punt is tot de door [betrokkene 2] aangehouden buitenlandse bankrekening(en) beperkt [32] . Uit de gedingstukken blijkt niet dat de Staat zijn vorderingen in hoger beroep heeft gewijzigd dan wel grieven heeft gericht tegen het dictum van de voorzieningenrechter op dit punt. Er is slechts incidenteel appel ingesteld tegen de matiging en maximering door de voorzieningenrechter van de door de Staat in eerste aanleg gevorderde dwangsom (dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter sub 5.6) [33] .
gedaagde sub 3”) betrekking hebbende vordering van de Staat en het daarop aansluitende dictum van de voorzieningenrechter - te veroordelen tot het verstrekken van informatie over de door [betrokkene 2]
en/of[betrokkene 1] sr. bij KB-Lux en eventuele andere buitenlandse banken aangehouden rekening(en), is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
desgevorderd”) heeft gedaan.
“desgevraagd”geeft aan dat het hier niet gaat om “spontane” of “vrijwillige” informatieverstrekking: er ontstaat op grond van art. 47 AWR Pro voor de belastingplichtige pas een informatieplicht (en medewerkingsplicht) indien de inspecteur een formeel, voldoende duidelijk en concreet
verzoekom informatie doet [35] . De aldus ontstane informatieplicht is een persoonlijke verplichting; deze geldt in beginsel voor de belastingplichtige zelf [36] .
Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden.”) voortvloeit dat zij in hun hoedanigheid van bewindvoerders eerst dan gehouden zijn de op [betrokkene 2] rustende informatieplicht na te komen, indien de Belastingdienst dat specifiek van hen vordert. Dit betoog lijkt mij juist, mede in het licht van het feit dat de informatieplicht van art. 47 AWR Pro een persoonlijke verplichting van
[betrokkene 2](de onderbewindgestelde) is en dat art. 43 AWR Pro de mogelijkheid openlaat dat [betrokkene 2] deze verplichting zelf nakomt. Het feit dat de wetgever, gelet op de (van het civiele recht afwijkende) ratio van het belastingrecht, een eigen vertegenwoordigingsregeling in de AWR heeft neergelegd, impliceert naar mijn mening dat de fiscale vertegenwoordigingsregels, in dit geval art. 43 AWR Pro, in het verkeer tussen de belastingplichtige en de fiscus in het heffingsproces het uitgangspunt dienen te vormen. Dat het nakomen van de informatieplicht reeds op grond van het civiele recht in het “takenpakket” van een bewindvoerder besloten kan liggen [48] , doet hieraan mijns inziens niet aan af; de
fiscaalrechtelijkeverplichting tot nakoming ontstaat ingevolge art. 43 AWR Pro pas
“desgevorderd”. Dit lijkt ook te volgen uit de wetsgeschiedenis [49] :
ook administratiefrechtelijk te verzekerenbepaalt de tweede volzin van het artikel, dat wettelijke vertegenwoordigers, curators en bewindvoerders desgevorderd tot die nakoming gehouden zijn.” (onderstreping toegevoegd; LK)
“desgevorderd”uit art. 43 AWR Pro dezelfde betekenis toe te kennen als aan het woord
“desgevraagd”uit art. 47 AWR Pro, nu beide wetsartikelen in hetzelfde hoofdstuk van de AWR (Hoofdstuk VIII,
“Bijzondere bepalingen”) zijn te vinden. De Belastingdienst dient zich dus met een formeel, voldoende concreet verzoek om informatie te wenden tot de wettelijke vertegenwoordiger, curator of bewindvoerder [50] .
“Desgevorderd is ieder der in dit lid genoemde personen tot nakoming van die verplichtingen gehouden”, waarbij het ook hier in de rede ligt om de term
“desgevorderd”in dezelfde zin op te vatten als de term
“desgevraagd”in art. 47 AWR Pro. Gezien de overeenkomsten tussen de laatste volzin van art. 44 lid 1 AWR Pro en die van art. 43 AWR Pro, ligt het voor de hand ook het op art. 44 lid 1 AWR Pro geënte betoog van eisers tot cassatie (eerst desgevorderd als erfgenamen tot informatieverstrekking verplicht) als juist te bestempelen.
erfgenamenen mede het geval betreft dat die erfgenamen door één (of meer) van hen
“in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen van de verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven”worden vertegenwoordigd. Blijkens de slotzin van art. 44 lid 1 AWR Pro ontstaat de gehoudenheid van de vertegenwoordiger(s) tot nakoming van die verplichtingen, óók in het geval dat de erfgenamen door één (of meer) van hen worden vertegenwoordigd (de bepaling spreekt immers van
“ieder der in dit lid genoemde personen”, daarbij overigens mede de in de bepaling genoemde - gezamenlijke -
“rechtverkrijgenden onder algemene titel”van de overledene omvattende), eerst door een tot nakoming van die verplichtingen strekkende en tot de vertegenwoordiger(s) gerichte vordering (
“Desgevorderd (…)”). Naar mijn mening kan niet worden aangenomen dat de individuele erfgenaam (of erfgenamen) die de gezamenlijke erfgenamen vertegenwoordigt (of vertegenwoordigen), dan wel de gezamenlijke erfgenamen als zodanig, reeds krachtens erfrecht op grond van een tot de erflater bij diens leven gericht verzoek als bedoeld in art. 47 AWR Pro tot medewerking zoals in die bepaling omschreven, zouden zijn verplicht. Nog afgezien van de vraag of een jegens de erflater reeds “geactiveerde” (en mijns inziens niet van vermogensrechtelijke aard zijnde) inlichtingenplicht in de nalatenschap valt en daarom van rechtswege op de erfgenamen overgaat, verlangt art. 44 lid 1 AWR Pro zonder uitzondering dat de inlichtingenplicht voor de in die bepaling genoemde personen (ook voor de erfgenamen zelf) eerst
“desgevorderd”ontstaat.
“desgevorderd”tot nakoming van de inlichtingenplicht met betrekking tot de belastingheffing ten aanzien van de erflater respectievelijk de onderbewindgestelde zijn gehouden. Desalniettemin kunnen de beide middelen naar mijn mening in zoverre niet tot cassatie leiden. Nog daargelaten of (zoals het hof wellicht voor ogen heeft gestaan) een toereikend verzoek of een toereikende vordering tot medewerking van eisers tot cassatie niet reeds in hun voorgaande contacten met de Belastingdienst lag besloten, is een voor de toepassing van art. 43, laatste volzin, en artikel 44, eerste lid, laatste volzin, AWR toereikend verzoek of toereikende vordering in elk geval gegeven met de kortgedingdagvaarding die aan eisers tot cassatie, zowel in hun hoedanigheid van erfgenamen van hun vader als in hun hoedanigheid van bewindvoerders van hun moeder, is betekend en waarmee zij in rechte werden betrokken. In zoverre missen eisers tot cassatie belang bij de klachten van de middelen 3 en 4, overigens ongeacht het lot van hun tweede middel, waarmee zij de uitbreiding van de getroffen voorziening tot informatie over de door hun vader bij KB-Lux en bij eventuele andere buitenlandse banken gehouden rekeningen naar mijn mening met succes bestrijden.
“Daarnaast valt op te merken dat [eiser] c.s. tot op heden de gevraagde informatie nog steeds niet hebben verstrekt.”; vergelijk ook rov. 3.16:
“(…) Hiervan uitgaande, moet worden geoordeeld dat [eiser] c.s. tot op heden geen informatie hebben willen verstrekken over de bankrekening en bewust geen opgave hebben gedaan van (het verloop van) de tegoeden bij de KB-Luxbank. (…)”)
.En waar dat geval zich al wel zou hebben voorgedaan, zou de betekenis daarvan beperkt zijn geweest tot de te treffen voorziening in de proceskosten. Als de “rauwelijks” gedagvaarde partij ook zonder te zijn gedagvaard bereid zou zijn geweest gaaf en onvoorwaardelijk aan het gevorderde te voldoen, zou de dagvaardende partij immers nodeloos kosten hebben veroorzaakt. Ook de klacht dat eisers “rauwelijks’ zijn gedagvaard, kan daarom niet tot cassatie leiden.
“nooit een hoger bedrag aan dwangsommen verschuldigd kunnen zijn dan het beloop van de waarde van de activa van de nalatenschap van [betrokkene 1] zou toelaten”. Het middel voert daartoe (onder 5.4-5.5) aan dat uit het eerste gedeelte van art. 44 lid 1 AWR Pro [53] kan worden afgeleid dat de dwangsomschuld die ontstaat als eisers tot cassatie in hun hoedanigheid van erfgenamen niet aan de vordering tot informatieverstrekking ten aanzien van de bankrekening(en) van [betrokkene 1] sr. zouden voldoen, dient te worden aangemerkt als een schuld van de nalatenschap. De in casu aan de orde zijnde informatieverplichtingen en (daarmee ook) de aansprakelijkheid voor de te betalen dwangsom in geval van niet-nakoming van deze verplichtingen, zouden bij leven op [betrokkene 1] sr. hebben gerust, aldus nog steeds het middel (onder 5.6). Bij zijn overlijden zou de dwangsomschuld vervolgens ten volle tot zijn nalatenschap behoren, hetgeen betekent dat er bij beneficiaire aanvaarding slechts aansprakelijkheid voor de dwangsomschuld op de erfgenamen rust ten belope van de waarde van de activa van de nalatenschap, zo wordt (onder 5.7) gesteld. Het toeval dat [betrokkene 1] sr. eerder is komen te overlijden, maakt dit volgens het middel (onder 5.8) niet anders. Tot slot (
“het voorgaande brengt overigens mee”) poneert het middel (onder 5.10) nog een stelling die ik aldus begrijp dat het voorgaande ook geldt voor de door het hof aan eisers tot cassatie in hun hoedanigheid van erfgenamen opgelegde proceskostenveroordeling alsmede voor een eventueel door de Hoge Raad aan eisers tot cassatie op te leggen proceskostenveroordeling [54] .
“niemand tot het onmogelijke gehouden kan worden” [59] . Dit betekent volgens het middel dat er geen plaats is voor een veroordeling tot het, op straffe van een dwangsom, beantwoorden van vragen
“indien dat voor de betrokkene volstrekt onmogelijk is”, aldus het middel (onder 6.3). Bijgevolg, zo wordt (onder 6.4) gesteld, had het hof moeten onderzoeken of en in hoeverre het voor eisers tot cassatie absoluut onmogelijk zou zijn om de op het voornoemde formulier vermelde vragen te beantwoorden (welke vraag volgens het middel kennelijk in bevestigende zin had moeten worden beantwoord) [60] . Het hof heeft echter nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zo vervolgt het middel. Geconcludeerd wordt, althans zo lees ik het middel (onder 6.7 en 6.8), dat de door het hof geaccordeerde omschrijving door de voorzieningenrechter van de aan eisers tot cassatie opgelegde informatieplicht
“te ruim”is, daar deze
“ook informatieverplichtingen omvat waaraan door eisers in cassatie met geen mogelijkheid uitvoering kon worden gegeven”.
“te ruim”in een andere sleutel dan die waarin deze kwalificatie in rov. 3.10 van het bestreden arrest staat. Aldus beschouwd berust het middel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Dit wordt duidelijk wanneer rov. 3.9 van het bestreden arrest in ogenschouw wordt genomen. Daarin heeft het hof de door [eiser] c.s. aangevoerde grief tegen de omschrijving van de informatieplicht door de voorzieningenrechter (c.q. de door de voorzieningenrechter aan de vordering van de Staat toegekende reikwijdte) weergegeven:
grief 5betogen [eiser] c.s. dat de voorzieningenrechter in r.o. 4.9 van het bestreden vonnis in te algemene bewoordingen en daardoor onjuist heeft geoordeeld dat de vordering van de Staat ertoe zou strekken dat [eiser] c.s. in hun hoedanigheid van bewindvoerders van [betrokkene 2] c.q. die van erfgenamen van hun vader worden verplicht naar beste vermogen informatie te verstrekken aan de Belastingdienst omtrent het bestaan van en de saldi op de beweerdelijke rekeningen bij de KB Luxbank en eventuele andere rekeningen en dat die verplichting meer omvat dan het verstrekken van bescheiden, namelijk ook het geven van antwoorden op alle vragen die dienstig kunnen zijn om een beeld te krijgen over de vermogenspositie van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Volgens [eiser] c.s. is dit een te ruime omschrijving, omdat de Staat alleen gevorderd heeft dat zij onder verbeurte van een dwangsom gehouden zijn vragen te beantwoorden die betrekking hebben op de in de formulieren verstrekte informatie en daarbij verstrekte bescheiden.”
“een te ruime omschrijving”erop ziet dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de informatieplicht
“meer omvat dan het verstrekken van bescheiden”, terwijl de Staat slechts zou hebben gevorderd dat [eiser] c.s.
“onder verbeurte van een dwangsom gehouden zijn vragen te beantwoorden die betrekking hebben op de in de formulieren verstrekte informatie en daarbij verstrekte bescheiden”. Kortom, de kwalificatie
“te ruim”in het kader van grief 5 ziet op het feit dat de voorzieningenrechter volgens [eiser] c.s.
een meeromvattende c.q. verder reikendeinformatieplicht zou hebben aangenomen dan uit de vordering van de Staat volgt [61] . Dit blijkt ook uit rov. 3.10 van het bestreden arrest:
in vergelijking met hetgeen werd gevorderd door de Staatniet te ruim omschreven; dit (lees: dat; LK) meer is toegewezen dan gevorderd is ook niet betoogd door [eiser] c.s. Hetgeen in r.o. 4.9 is overwogen door de voorzieningenrechter werpt hier geen ander licht op en heeft geen zelfstandige betekenis voor de genomen beslissing.
“te ruim”daarentegen gebruikt om aan te geven dat de door de voorzieningenrechter omschreven informatieplicht ook informatieverplichtingen omvat waaraan eisers tot cassatie
onmogelijk kunnen voldoen [62] . Het middel werpt aldus een andere kwestie op (onmogelijkheid om te voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen) dan die in het bestreden arrest door grief 5 aan de orde is gesteld (vordering Staat te extensief geïnterpreteerd) en door het hof in de bestreden rechtsoverweging is behandeld. Daarom mist het middel feitelijke grondslag en kan het niet slagen.
middel 10. Beide middelen refereren aan HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141, en meer specifiek aan het daarin geformuleerde beoordelingskader voor de toewijsbaarheid van vorderingen in civielrechtelijk kort geding tot het, op straffe van verbeurte van een dwangsom, verstrekken van informatie op voet van art. 47 AWR Pro. Dit beoordelingskader luidt als volgt [63] :
andere buitenlandse bankenaangehouden rekeningen (
fishing expedition), daar klaagt middel 7 over de miskenning van voornoemde toetsingsmaatstaf met betrekking tot
zowel de bij KB-Lux als de bij eventuele andere buitenlandse bankenaangehouden bankrekeningen. Nu de vraag die middel 10 opwerpt in feite voorafgaat aan de kwestie die middel 7 aan de orde stelt, zal ik hierna eerst middel 10 bespreken (onder 2.26-2.30) om vervolgens, voortbouwend op de uitkomst van die bespreking, over te gaan tot een bespreking van middel 7 (onder 2.31-2.33).
“fishing expedition”geen sprake is. Het middel klaagt (onder 10.4) dat noch uit het vonnis van de voorzieningenrechter noch uit ’s hofs arrest
“enig gemotiveerd oordeel”blijkt dat aannemelijk is dat [betrokkene 1] sr. en/of [betrokkene 2] na 31 januari 1994 ook bij andere buitenlandse banken een rekening hebben aangehouden. Volgens het middel (onder 10.5) kunnen eisers tot cassatie, gezien het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141, dan ook niet worden veroordeeld tot het op straffe van verbeurte van een dwangsom verstrekken van informatie over deze andere buitenlandse bankrekeningen. Daarnaast wordt (onder 10.6) aangevoerd dat het hof heeft miskend dat eventuele overschrijvingen naar een andere buitenlandse bank reeds uit de bankafschriften van de bij KB-Lux aangehouden rekening zouden blijken, tot de verstrekking waarvan eisers tot cassatie zijn veroordeeld. Het middel concludeert (onder 10.7) dat er sprake is van een verboden
“fishing expedition”van de zijde van de Staat, nu de Staat
“geen enkel concreet aanknopingspunt”zou hebben gegeven voor het bestaan van mogelijke andere buitenlandse bankrekeningen.
fishing expeditionsniet zijn toegelaten [66] :
fishing expeditionniet expliciet van een definitie voorziet, en het begrip ook overigens niet juridisch omlijnt [67] , volgt uit deze overwegingen dat de crux is gelegen in de aanwezigheid van
voldoende aanknopingspuntenop grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de betrokkene de gevraagde gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken. Meer concreet betekent dit mijns inziens dat een informatievordering ex art. 47 AWR Pro van de Staat - in civielrechtelijk kort geding [68] - dient te berusten op voldoende aanknopingspunten c.q. concrete aanwijzingen voor het bestaan van de voor de belastingheffing relevante feiten waarop de Staat zijn vordering heeft gebaseerd, zoals in casu het (hebben) aan(ge)houden van bankrekeningen bij buitenlandse banken. Het mag dus niet gaan om
“(e)en zoektocht naar informatie met betrekking tot bepaalde feiten zonder dat er enige wezenlijke basis is om te veronderstellen dat die feiten zich ten aanzien van degene die wordt gevraagd de inlichtingen te verschaffen, daadwerkelijk voordoen of hebben voorgedaan.” [69] . In zo’n geval is de Staat op een (verboden)
fishing expeditionen kan hij niet via een civielrechtelijk kort geding, op straffe van een dwangsom, nakoming van de informatieplicht van art. 47 AWR Pro afdwingen.
anderebuitenlandse banken aangehouden rekeningen een verboden
fishing expeditioninhoudt [70] en dat het hof in rov. 3.16 van het bestreden arrest hieraan is voorbijgegaan, althans zijn oordeel op dit punt niet zou hebben gemotiveerd.
fishing expeditiongeen sprake, zo heeft het hof geconcludeerd. Men zou, in het licht van het door de Hoge Raad ontwikkelde criterium, wellicht nog kunnen aarzelen of het bij de vraag of al dan niet sprake is van een
fishing expedition, aankomt op het
“belang”dat de Belastingdienst bij de gevraagde informatie heeft, maar in de gedachtegang van het hof wordt dat
“belang”kennelijk bepaald door de mate van aannemelijkheid dat [betrokkene 1] sr. en/of [betrokkene 2] over andere buitenlandse rekeningen hebben beschikt: uit het feit dat [eiser] c.s. geen informatie hebben willen verstrekken over de bankrekening bij KB-Lux en bewust geen opgave hebben gedaan van (het verloop van) de tegoeden bij KB-Lux heeft het hof immers afgeleid dat
“niet (is) uit te sluiten dat gelden van de rekening van de KB-Luxbank zijn overgeheveld naar andere buitenlandse rekeningen.”
fishing expeditionaan te merken. Immers,
doordatwelbewust is nagelaten de gevraagde informatie te verstrekken, bestaan er dan
nog steedsvoldoende aanknopingspunten voor de mogelijkheid dat de tegoeden op een andere buitenlandse bankrekening hebben gestaan of nog staan [75] . In dit verband kan ook gewezen worden op hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 3.18, te weten dat (aanzienlijke) banktegoeden niet zomaar verdwijnen [76] :
“ook”in de jaren vanaf 2001 (dat niet eerst vanaf 2001, maar ook al in de jaren daarvóór) over
buitenlandse banktegoedenhebben beschikt.
mogelijkebelang van de gevraagde informatie voor de belastingheffing [78] . Het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, leert dat voor de aanwezigheid van
“belang”in de zin van art. 47 lid 1 AWR Pro reeds voldoende is
“dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige” [79] . Niet vereist is dus dat de gevraagde informatie daadwerkelijk van belang is dan wel noodzakelijk is voor de inspecteur [80] . Dit brengt met zich dat een (mogelijk) belastingplichtige een verzoek tot informatieverstrekking niet zomaar naast zich kan neerleggen met het enkele argument dat de inspecteur - die bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid ex art. 47 AWR Pro overigens wel steeds binnen de grenzen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient te blijven [81] -
“(o)ok zonder kennisneming van de door hem ter inzage gevraagde bescheiden tot de juiste vaststelling van de feiten kan komen” [82] , de gevraagde informatie ook langs andere wegen had kunnen verkrijgen of bepaalde informatie reeds langs een andere weg zou hebben verkregen [83] .
“alleen een veroordeling om gegevens te verstrekken mogelijk is en de vordering voor zover deze de dwangsom betreft afgewezen zou moeten worden”(onder 7.6).
“(d)e omstandigheid dat de informatieplicht behoudens de in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur in beginsel ook geldt voor de ver in het verleden liggende jaren vanaf 1994 zou gelden”niet wegneemt dat de Staat
“om op een eventuele dwangsom aanspraak te kunnen maken”ingevolge het voormelde arrest aannemelijk had moeten maken dat eisers tot cassatie de
“gevorderde bankbescheiden vanaf 1994”daadwerkelijk konden verstrekken [84] . Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het hof dit in zijn beoordeling betrokken heeft, aldus het middel (onder 7.5), dat vervolgens (onder 7.7) wijst op rov. 2.14 van het bestreden arrest, waarin het hof een deel van de reactie van KB-Lux op het door [eiser 1] namens [betrokkene 2] gedane verzoek om inlichtingen heeft weergegeven. Hieruit zou volgen dat eisers tot cassatie met de redelijkerwijs van hen te vergen inspanningen hebben gepoogd de gevraagde gegevens te verkrijgen, doch dat dit tevergeefs is geweest. Het hof is volgens het middel (onder 7.8) dan ook ten onrechte eraan voorbijgegaan dat het voor eisers tot cassatie
“onmogelijk is gebleken om de door de Belastingdienst verlangde bankbescheiden te verkrijgen”. Het hof heeft eisers tot cassatie derhalve ten onrechte op straffe van een dwangsom tot het verstrekken van de gevraagde informatie veroordeeld, zo besluit het middel (onder 7.9).
a contrario) besloten dat het hof niet alleen (voldoende) aannemelijk heeft geacht dat het gevorderde materiaal (middel 7: de bankbescheiden vanaf 1994) bestaat, maar ook dat het ermee rekening heeft gehouden dat eisers in cassatie thans wellicht niet over dit materiaal beschikken, doch dit wel met de redelijkerwijs van hen te vergen inspanning kunnen verkrijgen. Tevens ligt in dit oordeel de verwerping besloten van de door het middel geponeerde stelling dat uit de in rov. 2.14 van het bestreden arrest genoemde passage uit de brief van KB-Lux van 23 mei 2013 volgt dat het voor eisers tot cassatie onmogelijk is gebleken de gevraagde informatie (bankbescheiden) te verkrijgen. Naar het oordeel van het hof heeft de Staat immers aannemelijk gemaakt dat het onjuist is dat KB-Lux dergelijke informatie nimmer verstrekt [85] .
“ [eiser] c.s.”,dat wil zeggen [betrokkene 2] en eisers tot cassatie, vanaf 2002 geconfronteerd zijn met expliciete vragen naar de tegoeden bij KB-Lux. Het middel wijst in dit verband erop dat in rov. 2.7 van het bestreden arrest slechts is vastgesteld dat [betrokkene 1] sr. en [betrokkene 2] vanaf 2002 door de Belastingdienst zijn aangeschreven. Eisers tot cassatie hebben nimmer als bewindvoerders of als erfgenamen (overeenkomstig art. 43 respectievelijk Pro 44 AWR) een verzoek om informatie van de Belastingdienst ontvangen. Bovendien, zo vervolgt het middel, heeft het hof in rov. 3.7 van het bestreden arrest vastgesteld dat [eiser 1] op 9 februari 2013, de datum van zijn eerste brief aan de Belastingdienst, op de hoogte moet zijn geweest van het vermoeden van de Belastingdienst van de verzwegen buitenlandse tegoeden van zijn ouders.
c.s.reeds vanaf 2002 met expliciete vragen van de Belastingdienst zijn geconfronteerd (subklacht 1). Dit oordeel strookt immers niet met de in cassatie onbestreden vaststelling in rov. 2.7:
in casude erflater respectievelijk de onder bewind gestelde ouder, verschilt. Waar de (mogelijk) belastingplichtige zelf “uit eigen wetenschap” kon verklaren, zal de erfgenaam c.q. de bewindvoerder doorgaans afhankelijk zijn van de informatie die hem via de (mogelijk) belastingplichtige,
in casude erflater of de onder bewind gestelde ouder, heeft bereikt en van hetgeen hij aan de hand van de door hem aangetroffen administratie en/of door eigen onderzoek heeft kunnen of in redelijkheid nog kan vaststellen. Dat de gevraagde informatie betrekking heeft op jaren die ver in het verleden liggen, zal weliswaar de mogelijkheden voor de erfgenaam of de bewindvoerder om die informatie te leveren nadelig kunnen beïnvloeden, maar lijkt mij niet zonder meer verband te houden met de vraag of de Belastingdienst jegens de erfgenaam of de bewindvoerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelt door de erfgenaam of de bewindvoerder, kort nadat (de Belastingdienst ermee bekend is geworden dat) zij die hoedanigheid hebben verworven, te vragen naar de informatie waarover zij (kunnen) beschikken en waarvan de relevantie, zoals het hof in rov. 2.7 heeft vastgesteld,
in casual lange tijd (vanaf 2002) althans aan de erflater en de onder bewind gestelde ouder zelf bekend moet zijn geweest. Dat laatste acht ik althans in die zin van belang, dat daarmee vaststaat dat de Belastingdienst van de erfgenaam of de bewindvoerder géén informatie vraagt, die hij niet meer aan de erflater, zo deze nog in leven zou zijn geweest, respectievelijk de onder bewind gestelde ouder zelf zou kunnen vragen, omdat dit
jegens die personenmet de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in strijd zou zijn.
Alsde bescheiden er (nog) zijn, moeten zij verstrekt worden. Het middel gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat administratieplichtigen na verloop van de bewaartermijn niet verplicht zouden zijn tot verstrekking van gegevens die zij desondanks bewaard hebben. Hetzelfde geldt voor particulieren: die hoeven weliswaar
überhauptniet te administreren of te bewaren, maar als zij dat wél doen, zijn zij verplicht de te hunnen aanzien fiscaal relevante bescheiden waarover zij (kunnen) beschikken te verstrekken, hoe oud ook, zolang navordering mogelijk is of de gegevens van belang kunnen zijn voor nog navorderbare jaren, zulks slechts beperkt door de beginselen van behoorlijk bestuur.
“de door deze banken aangehouden bewaartermijn”en bovendien geen enkele uitwerking wordt gegeven aan de stelling dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen dat niet van eisers tot cassatie kan worden gevergd dat zij bankbescheiden verstrekken ten aanzien waarvan voornoemde bewaartermijn zou zijn verstreken.
“om de informatievergaring van de Belastingdienst in de tijd te beperken”. Het middel (onder 9.3) wijst erop dat [eiser] c.s. in hun achtste grief hadden aangevoerd dat de Belastingdienst onvoldoende belang zou hebben bij informatie vanaf 31 januari 1994. Belastingaanslagen worden opgelegd op basis van gegevens die betrekking hebben op het betreffende belastingjaar, aldus het middel. Vervolgens betrekt het middel (onder 9.4) de stelling dat voor zover juist is dat gegevens die betrekking hebben op eerdere jaren wél van belang kunnen zijn, de Belastingdienst de relevantie van die gegevens tegenover de belastingplichtige dient aan te tonen, waarbij in het algemeen heeft te gelden dat die relevantie afneemt naarmate de gegevens verder in het verleden liggen. Het hof heeft ten onrechte nagelaten zulks te onderzoeken, zo wordt (onder 9.5) betoogd.
mogelijke belangvan de gevraagde informatie voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (zie hiervóór, onder 2.29). Dit brengt met zich dat een belastingplichtige eerst dan verplicht is de op voet van art. 47 AWR Pro gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken, indien deze laatste zich
“op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen(voor de belastingheffing van de betrokkene; LK)
van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag(waarop de inspecteur antwoord wenst; LK) (…)
.” [91] Art. 47 AWR Pro behelst dus géén temporele beperking van de informatieplicht van de (mogelijk) belastingplichtige en de informatiebevoegdheid van de inspecteur [92] .
“Daardoor(door het niet verstrekken van informatie over het verloop van de tegoeden bij KB-Lux; LK)
is niet uit te sluiten dat gelden van de rekening van de KB-Luxbank zijn overgeheveld naar andere buitenlandse rekeningen.”) en dat de Belastingdienst daarom “
ookvoldoende belang bij informatie over mogelijke andere buitenlandse bankrekeningen van [eiser] c.s. (heeft)” (onderstreping toegevoegd; LK).
“zowel tezamen als ieder afzonderlijk bevoegd”zijn. Gelet op het feit dat eisers tot cassatie als bewindvoerders een gezamenlijke bevoegdheid hebben, had het hof er volgens het middel (onder 11.2 en 11.9) niet toe mogen overgaan hen - in hun hoedanigheid van bewindvoerders - afzonderlijk te veroordelen tot het verstrekken van informatie en hen afzonderlijk een dwangsomveroordeling op te leggen. Daarnaast wordt gesteld (onder 11.3-11.5) dat wanneer één van de eisers tot cassatie aan ’s hofs veroordeling voldoet, niet ook van de ander kan worden gevorderd dat ook hij aan de veroordeling voldoet [96] . Bovendien, zo vervolgt het middel, treden eisers tot cassatie in hun hoedanigheid van bewindvoerders op voor rekening van [betrokkene 2] , waardoor eventueel verbeurde dwangsommen alle ten laste van het vermogen van [betrokkene 2] zouden kunnen komen (onder 11.6-11.8).
gezamenlijkebevoegdheid als bewindvoerder, na te hebben gereleveerd dat zij als zodanig waren benoemd onder bepaling dat zij
zowel tezamen als ieder afzonderlijk bevoegdzouden zijn), het hof kan onmogelijk worden verweten het dictum van de voorzieningenrechter te hebben gevolgd, nu daartegen in zoverre geen grieven waren aangevoerd.
3.Wijze van afdoening
“ [betrokkene 1] en/of”te schrappen