Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Zwitserleven dekkingsgraad
Update dekkingsgraadBijgaand een update van de financiële positie van jullie beleggingsdepot zoals gebruikelijk in de vorm van een standaard ZL-dekkingsgraad en daarnaast de alternatieve (‘roze bril’) dekkingsgraad. De afgelopen weken heeft met name de rente opnieuw een neergaande trend laten zien, waardoor ook de alternatieve dekkingsgraad met 96,5% zich nu duidelijk onder het actieniveau van 102% bevindt. Overeenkomstig de afspraken is het nu gewenst de lopende garantie van € 2 miljoen bij voorkeur met € 4,1 miljoen doch minimaal met € 3,5 miljoen te verhogen. Daarmee komt de alternatieve dekkingsgraad uit op 103% respectievelijk 102% (actieniveau).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
baaris: er is al snel een aanknopingspunt om aan de hand van (wet, gewoonte of) maatstaven van redelijkheid en billijkheid nader te bepalen wat de inhoud van de verbintenissen is. Daarbij kan die bepaling geschieden door partijen gezamenlijk, door één van hen, door een derde of, uiteindelijk, door de rechter. Zie in dit verband HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769 (SEBA/Amsterdam): [6]
deze partijbepaalt wat dit in de omstandigheden van het geval betekent voor de nadere bepaling van de inhoud van de overeenkomst. En
zijnoordeel(svorming) op dat punt wordt door het recht meer afstandelijk getoetst aan de hand van de maatstaf van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in art. 6:248 lid 2 BW Pro dan wel (indien sprake is van een vaststellingsovereenkomst) in artikel 7:904 lid 1 BW Pro. [7] Daarbij geldt dat de onaanvaardbaarheid kan zien op de materiële aspecten van de nadere bepaling van de inhoud van de overeenkomst (waarop het onderdeel het oog lijkt te hebben), maar ook op procedurele aspecten. Dit laatste volgt met zoveel woorden uit art. 7:904 lid 1 BW Pro, maar ligt ook besloten in artikel 6:248 lid 2 BW Pro (en ook het hof heeft in zijn arrest verschillende soorten aspecten getoetst). Het hof kon dus volstaan met een toets aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en behoefde niet (ook of in plaats daarvan) te beoordelen of Zwitserleven de dekkingsgraad had berekend overeenkomstig de eisen van de (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid. Dit wordt miskend in het betoog van onderdeel 1.1, dat dan ook dient te falen. [8]
subonderdeel 1.5stelt IV-Groep dat zij in feitelijke instanties uiteen heeft gezet dat Zwitserleven in het aan IV-Groep toegezonden dekkingsgraadoverzicht niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze zij de dekkingsgraad heeft berekend toen zij het verhogingsverzoek deed, welke stelling volgens IV-Groep niet door het hof is verworpen zodat hiervan in cassatie – aldus het onderdeel – (veronderstellenderwijs) moet worden uitgegaan. Vervolgens betoogt het onderdeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat op Zwitserleven wel de plicht rustte aan IV-Groep (desgevraagd) inzichtelijk te maken op welke wijze zij tot haar berekening van de dekkingsgraad is gekomen, [10] bij gebreke waarvan een beroep van Zwitserleven op de te lage dekkingsgraad – ook indien zou blijken dat het overgelegde dekkingsgraadoverzicht op zichzelf genomen juist is - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het onderdeel betoogt dat het hof dit heeft miskend, althans het voorgaande niet kenbaar als omstandigheid heeft meegewogen in zijn beslissing.
Subonderdeel 3.1bevat een op subonderdeel 1.5 voortbouwende klacht die faalt in het voetspoor daarvan.
subonderdeel 4.3van deze maatstaf uitgaat.
subonderdeel 4.3heeft het hof miskend dat IV-Groep heeft aangevoerd dat sterftetafel ZL2011, anders dan sterftetafel ZL2007, uitgaat van een levensverwachting die thans nog niet reëel is en in ieder geval niet voor de werknemerspopulatie van IV-Groep.
Subonderdeel 5.1betoogt, samengevat, dat het hof niet is ingegaan op de essentiële stellingen van IV-Groep (i) dat er geen noodzaak was tot onmiddellijke de verkoop van de beleggingen en (ii) dat Zwitserleven een voorstel omtrent aanpassing van de pensioenleeftijd zou doen waarna geen sprake meer zou zijn van onderdekking. Het hof had deze stellingen moeten betrekken bij de beoordeling of verkoop van de beleggingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Gezien deze stellingen kon het hof niet oordelen dat Zwitserleven aanspraak kon maken op onverkorte nakoming van de uitvoeringsovereenkomst nu IV-Groep geen opschortingsrecht had.
subonderdeel 6.1kon het hof niet (zonder meer) oordelen dat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast staat dat de bankgarantie van EUR 5 miljoen niet toereikend was. IV-Groep heeft gemotiveerd gesteld dat de door haar voorgestelde bankgarantie van € 5 miljoen toereikend was en Zwitserleven heeft dit (in hoger beroep) niet gemotiveerd weerlegd, aldus de klacht.