Conclusie
Bossers/Kennis [4] die meebrengt dat hier het gezag van gewijsde van Procedure I niet in de weg staat aan een oordeel in onze procedure. Ook lijkt mij geen sprake van een situatie als in
[...] / [...] [5] dat nog niet inhoudelijk is beslist over andere geschilpunten, zoals IV-Groep betoogt.
Aard en omvang van de vorderingen van IV-Groep in de onderhavige procedure
2.Juridisch kader gezag van gewijsde
obiter dictakomt geen gezag van gewijsde toe [13] .
[...] / [...] [20] :
wijzigingvan een concurrentiebeding niet in de weg staat aan een tweede geding waarin de
matigingvan een op grond van dat concurrentiebeding verschuldigde
boeteaan de orde kwam.
Du Crocq/Van Tuijn [25] vorderde Du Crocq in de eerste procedure nakoming van de tussen hem en Van Tuijn gesloten overeenkomst. Van Tuijn betoogde dat de geleverde producten ondeugdelijk waren en op die grond vorderde Van Tuijn in reconventie ontbinding wegens wanprestatie. De reconventionele vorderingen werden afgewezen en de uitspraak ging in kracht van gewijsde. Van Tuijn probeerde in de tweede procedure opnieuw onder de overeenkomst uit te komen, dit keer op grond van dwaling dan wel bedrog of misleiding. Hiertoe werden andere feiten aangedragen dan in de eerste zaak ten grondslag waren gelegd voor wanprestatie. Volgens het arrest is met het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak onverenigbaar dat Van Tuijn zich andermaal met een beroep op het ontbreken van bepaalde eigenschappen van het geleverde aan de betaling van de koopprijs zou kunnen onttrekken [26] .
Van Huffel/Van den Hoek [27] was volgens Uw Raad wel sprake van een andere rechtsbetrekking in geschil. In de eerste procedure was beslist over de vraag of tussen Van Huffel en Van den Hoek een (pacht)overeenkomst of althans een voorovereenkomst tot het sluiten van een overeenkomst tot stand was gekomen. Nee, volgens het hof. In de tweede procedure was aan de orde of Van Huffel eerst nog aan Van den Hoek een laatste voorstel voor een overeenkomst had moeten doen, voordat hij met een andere pachter in zee ging. Ja, volgens het hof. Het bevestigende antwoord in de tweede procedure, dus: geen recht om zonder meer met een derde in zee te gaan, werd niet onverenigbaar geacht met het ontkennende antwoord in de eerste procedure dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand was gekomen. De tweede procedure betrof een andere rechtsvraag.
Bossers/Kennis [28] van belang, omdat IV-Groep in kernonderdeel 2 in wezen op deze leer een beroep doet (evenals op het hierna te bespreken arrest
[...] / [...]). Het gezag van gewijsde is geen obstakel voor een tweede procedure, wanneer die tweede zaak gegrond is op een nieuwe feitelijke grondslag in de zin van: feiten en omstandigheden die zich pas na de eerste procedure hebben voorgedaan. Dat is enigszins vanzelfsprekend, omdat zulke nieuwe feiten en omstandigheden in de eerste procedure niet konden worden opgeworpen en daarom ook niet zijn beoordeeld. Kennis heeft van Bossers een terrein gekocht onder de ontbindende voorwaarde dat hem geen vergunning op grond van de Hinderwet zou worden verleend om daarop een transportbedrijf uit te oefenen. In de eerste procedure oordeelde het hof dat deze ontbindende voorwaarde niet was vervuld. In de tweede procedure werd geoordeeld dat de ontbindende voorwaarde inmiddels wel was vervuld, nu in administratief beroep bij de Kroon definitief was komen vast te staan dat er geen Hinderwetvergunning zou worden verleend. Daarbij oordeelde het hof in de tweede procedure dat in de eerste procedure niet was beslist dat wanneer alsnog vast zou komen te staan dat de vereiste vergunning niet zou worden verleend, de ontbindende voorwaarde geen werking meer zou kunnen hebben, zodat het beroep van Bossers op het gezag van gewijsde van de eerste uitspraak volgens het hof niet opging. In cassatie werd dit in stand gelaten: dit gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Gras [29] schrijft hierover dat materieelrechtelijke uitleg van de verhouding tussen het eerste vonnis en de tweede vordering noodzakelijk is. Het ligt zodoende genuanceerd. Het hof stelt in de tweede procedure vast dat op grond van de op dat moment geldende feiten een contractuele voorwaarde is vervuld, terwijl het hof in de eerste procedure op grond van de toen geldende feiten nog moest oordelen dat de voorwaarde niet was vervuld. Dat is alleen een schijnbare tegenstrijdigheid, nu de rechter in de eerste procedure niet ook heeft beslist dat een beroep op de betreffende voorwaarde helemaal niet toekomt aan de partij die zich daarop beroept en dat was hier niet het geval. Dit lijkt mij de sleutel voor de oplossing in onze zaak, zoals we verderop zullen zien.
[...] / [...] [30] . [...] had op grond van een dadingsovereenkomst schilderswerkzaamheden verricht voor [...] . [...] betaalde niet, omdat hij het niet eens was met de manier waarop de werkzaamheden waren uitgevoerd. In de eerste procedure werd geoordeeld dat [...] het in de overeenkomst afgesproken bedrag moest betalen en dat hij die verplichting niet blijvend kon opschorten ( [...] had geen nader gevolg verbonden aan de door hem gestelde wanprestatie van [...] ). In de tweede procedure had [...] gevorderd de overeenkomst te ontbinden en [...] te veroordelen tot terugbetaling van betaalde facturen en tot het vergoeden van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst. Nu in de eerste procedure niet was toegekomen aan een beslissing over het in de tweede procedure gestelde tekortschieten door [...] en de daarop gegronde vorderingen van [...] , stond het gezag van gewijsde van de eerste procedure niet aan de tweede procedure in de weg. Van Schaick [31] ziet het zo dat in deze zaak de vordering in de tweede procedure was gebaseerd op een andere verbintenis uit dezelfde overeenkomst. De “rechtsvragen” verschilden hier zodoende. IV-Groep betoogt in onze zaak dat zich zo’n geval voordoet, zoals we nog zullen zien.
[...] / [...]:
Van Raalte/S.H. Beheer [35] is uitgemaakt dat geen sprake is van gezag van gewijsde als de rechter het gevorderde niet toewijst omdat de door de eisende partij daaraan ten grondslag gelegde stellingen onvoldoende zijn om hem in staat te stellen over de rechtsbetrekking in geschil een beslissing te geven. Deze uitspraak wordt met het oog op het huidige procesrecht (art. 30a lid 3 sub d. f en g Rv) lijkt mij terecht bekritiseerd door Van Schaick [36] . Niettemin valt hieruit af te leiden dat het algemene idee wordt onderschreven dat geen gezag van gewijsde kan worden aangenomen wanneer niet inhoudelijk is beslist over een geschilpunt.
3.Bespreking van het cassatieberoep
waarover het hof nog niet heeft beslist. In Procedure I was volgens de klacht immers de rechtmatigheid van de verkoop van de effecten in het GBD op 18 april 2013 aan de orde, inclusief de bij vermeerdering van eis aan de orde gestelde vraag of Zwitserleven gelet daarop nakoming van de afsprakenbrief kon vorderen en of onder de daardoor veroorzaakte schade ook de door de afsprakenbrief veroorzaakte schadelijke gevolgen vielen. Doordat het hof de sluiting van het GBD niet onrechtmatig heeft geacht, volgde daaruit de verwerping van de vordering bij vermeerdering van eis. Nu de verkoop van de effecten niet onrechtmatig was, behoefde het hof immers niet meer te beoordelen of op die grond geen nakoming van de afsprakenbrief kon worden gevorderd en of de door de afsprakenbrief veroorzaakte schade op die grond diende te worden vergoed. De vorderingen van IV-Groep in onze zaak zien echter volgens de klacht op een andere juridische en feitelijke grondslag dan waarover in Procedure I is beslist, namelijk de gewijzigde dekkingsgraadformule in de marktwaardedekkingsgraadformule, mede in samenhang met de wijziging van de beëindigingsvoorwaarden en in het bijzonder de beëindiging van het recht de verzekering premievrij achter te laten op basis van art. 35(3) van de uitvoeringsovereenkomst, waarvan de gevolgen extreem bleken door de substantiële daling van de marktrente halverwege 2014 en door beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst op 1 januari 2015 [41] . IV-Groep heeft er in dat verband op gewezen dat dit omstandigheden betreft die zijn opgetreden na 18 april 2013, terwijl de beoordeling van het hof in Procedure I nu juist was gebaseerd op een andere dekkingsgraadformule en de omstandigheden die zich voor die datum hebben voorgedaan waarbij de invloed van marktrentedaling geen rol speelde en waarbij nog niet was voldaan aan de wettelijk vereiste beëindigingsvoorwaarden [42] .
[...] / [...]: de beslissing in onze zaak dat de afsprakenbrief strijdig is met het recht of niet geldig kan worden gemaakt, verdraagt zich volgens IV-Groep prima met het niet onrechtmatig geoordeelde sluiten van het GBD uit Procedure I, maar dit lijkt mij een oneigenlijke verenging van Procedure I. Het gaat in de tweede zaak volgens IV-Groep (vgl. s.t. IV-Groep 4.2.2) om in 2014-2015 gedane bijstortingen en gestelde bankgaranties en de reden daarvoor zou niets te maken hebben met de sluiting van het GBD, maar met name met renteontwikkelingen vanaf 2014 en het niet nakomen van art. 35(3) van de uitvoeringsovereenkomst.
Bossers/Kennis-geval met feiten en omstandigheden die zich pas na de eerste procedure hebben voorgedaan. De rechtsbetrekking in geschil is en bleef of Zwitserleven het recht had om van IV-Groep de betreffende bankgaranties en bijstortingen te verlangen op grond van de uitvoeringsovereenkomst en de afsprakenbrief. Het gevorderde in onze zaak, er op neerkomend dat dat niet kon, is onverenigbaar met de uitkomst van Procedure I dat dat wel kon. De afwijzing van het bij eisvermeerdering in Procedure I gevorderde staat daar aan in de weg lijkt mij.
Bossers/Kennis, dus geen grondslagen gebaseerd op feiten die zich
pas na Procedure I hebben voorgedaan. De kernvraag blijft ook in de tweede procedure of Zwitserleven het recht had om bankgaranties en bijstortingen te verlangen van IV-Groep op grond van de afsprakenbrief. Zwitserleven wijst er bij s.t. 36 volgens mij terecht op dat IV-Groep in Procedure I in bijvoorbeeld haar eerste appelprocesstuk gelegenheid had om feiten en bewijs aan te vullen in het kader van haar eisvermeerdering met betrekking tot de rechten en verplichtingen volgens de afsprakenbrief. Alle omstandigheden (i) tot en met (xi) dateren immers van voor de datum van dagvaarding in appel van 5 december 2014. IV-Groep had dat ook moeten doen om de hakbijl van het gezag van gewijsde te ontlopen in de tweede procedure, die overigens voorafgaand aan het pleidooi bij het hof (oktober 2015) in de zomer van 2015 is gestart over dezelfde rechten en verplichtingen met betrekking tot bankgaranties en bijstortingen op grond van de afsprakenbrief (vgl. s.t. Zwitserleven 37). Dat lijkt mij het lot van deze klacht te bezegelen. Lopen wij de in de klacht gestelde omstandigheden langs, dan zien we het volgende.
Bossers/Kennis.Daarvoor geldt
mutatis mutandiswat ik bij de vorige omstandigheden heb opgemerkt.
Wijnberg/WUH.
Bossers/Kennis.Het gaat hier om feiten vanaf 2012/2013 (vgl. cvr 4.1.8). Ook hier is de stelling dat IV-Groep dit pas later heeft ontdekt, maar we zagen bij de vorige twee stellingen dat dat het beroep op gezag van gewijsde niet kan blokkeren.
en nog zal lijdenals gevolg van (het nakomen van de verplichtingen uit) de afsprakenbrief. En die (ruime) schadevordering is afgewezen in Procedure I. Bovendien is bij de eiswijziging in Procedure I (weergegeven in rov. 3.15) gevorderd dat geen beroep (meer) kon worden gedaan op art. 5 van Pro de afsprakenbrief (hetgeen is afgewezen in Procedure I) en IV-Groep betoogt dat dit art. 5 uit Pro de afsprakenbrief juist een grote steen des aanstoots was/is in Procedure II (vgl. s.t. IV-Groep 2.3.3 en repliek in cassatie onder 5). Ik zie dit betoog van IV-Groep dan ook niet opgaan. IV-Groep verengt hier te zeer door te focussen op de toelichting bij de eiswijziging in plaats van op de eiswijziging zelf (petitum).
Bossers/Kennisen/of een
[...] / [...]geval of niet? Ik heb aangegeven waarom ik meen dat daarvan hier geen sprake is.
subonderdeel 2.6is een voortbouwende klacht en wel op de subonderdelen 2.1-2.5 en deelt het lot van die klachten. De kern van het betoog in subonderdeel 2.6 is dat onderdelen 2.1-2.5 meebrengen dat onbegrijpelijk is dat volgens het hof sprake is van dezelfde rechtsbetrekking in geschil. Die klachten slagen in mijn ogen niet, zodat dat ook geldt voor de vervolgklachten van subonderdeel 2.6, die verder onbesproken kunnen blijven.
2. INCIDENTEEL BEROEP
akte vermeerdering eis” van Iv van 16 december 2014:
voor het overigeniet helder is gemaakt wat er dan aan verwijten overblijft over de band van een “privaatrechtelijke zorgplicht overeenkomstig art. 6:248 BW Pro”, is te volgen, omdat grief 8 nu juist in de sleutel staat van de veronderstelling dat Zwitserleven bezig was met vermogensbeheer en het verlenen van beleggingsdiensten, waaromtrent het hof feitelijk vaststelt dat daarvan geen sprake is. Maar misschien heeft de klacht op zich gelijk dat dit niet begrijpelijk is, omdat het subsidiair is aangevoerd en gaat over de band van art. 6:248 BW Pro en er als het ware analoge toepassing van zorgplichtnormen wordt bepleit, zodat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is dat dit te vaag wordt geacht door het hof. Het doet er denk ik niet toe vanwege het gebrek aan belang bij deze klacht.