Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken.
NJ2011/560. De feitelijke toedracht in beide zaken verschilt evenwel sterk van die in de onderhavige zaak. Daarin was sprake van een harde duw respectievelijk een kopstoot. Die feitelijke context staat ver af van een doelbewuste geweldshandeling in het verkeer waarbij een automobilist met zijn auto is ingereden op een fietser, zoals in de onderhavige zaak aan de orde is. Daarbij komt dat het arrest uit maart 2014 niet zag op een poging tot zware mishandeling maar op een voltooide zware mishandeling. Mede in het licht van het overige verkeersgedrag van de verdachte dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, heeft het hof uit de plotselinge [4] stuurbeweging naar rechts van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte zijn auto als een soort wapen heeft ingezet in een poging naar aanleiding van een eerdere verkeersruzie verhaal te halen bij de fietser. [5]
NJ2013/55. In die zaak had het hof aangenomen dat de verdachte door met zijn auto achteruit te rijden, terwijl hij wist dat twee politieambtenaren zich op (zeer) korte afstand achter zijn auto bevonden, bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de politieambtenaren daardoor zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand. [6]