Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
24 januari 2017.
Hoge Raad
Op 17 oktober 2014 pleegden verdachte en medeverdachten een diefstal van hennepplanten en vluchtten zij in twee voertuigen. Tijdens de achtervolging door politie voerde de bestuurder van een van de voertuigen, op aanwijzing van verdachte, levensgevaarlijke manoeuvres uit door met hoge snelheid op de politieauto in te rijden. Verdachte gaf via telefoon instructies om de politieauto aan te rijden, wat getuigt van voorwaardelijk opzet op de dood van de inzittenden.
Het hof verklaarde bewezen dat verdachte medepleger was van poging tot doodslag op de politieagenten, gebaseerd op telefoontaps, verklaringen van verdachte en politie, en het feit dat verdachte de aanmerkelijke kans op overlijden van de agenten aanvaardde. Verdachte voerde verweer dat hij in paniek handelde en geen opzet had, maar dit werd verworpen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat verdachte medepleger is en dat het voorwaardelijk opzet op de dood aanwezig is. Ook oordeelde de Hoge Raad dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Het beroep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor medeplegen poging tot doodslag op politieagenten met voorwaardelijk opzet.