Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
het Puratos pensioen). Deze regeling voorzag in een gegarandeerd levenslang nominaal ouderdoms-pensioen van fl. 72.481,- (€ 32.890,-) bruto per jaar vanaf de pensioendatum (1 juni 2015), met een daarvan afgeleid nabestaandenpensioen. Het pensioen werd niet geïndexeerd.
“gewenste beleggingswijze”vermeld dat de premies voor deze beleggingsverzekering volledig zouden worden belegd in het Mixfonds van Delta Lloyd (productie 6 bij dagvaarding). Deze beleggingsverzekering is ondergebracht in polis [001] . De polisbescheiden heeft Aon bij brief van 20 januari 1999 aan [de cliënt] toegezonden.
“je eigen individuele winstdelende pensioenpolis”. In de brief wordt erop gewezen dat het Puratos pensioen voorziet in een vast jaarlijks nominaal ouderdomspensioen maar niet in indexering. In de brief staat dat indien met de overdrachtswaarde een rendement van gemiddeld 7% per jaar kan worden gerealiseerd, er sprake is van een ouderdomspensioen dat fl. 14.495,- per jaar hoger ligt dan het Puratos pensioen. Verder wordt voorgesteld de waarde van het Puratos pensioen (fl. 552.346,-) over te dragen naar het Mixfonds van Delta Lloyd. Het voorstel geeft voorbeelden van het
“te verkrijgen ouderdomspensioen vanaf de pensioendatum”op basis van een
“gehanteerde rekenrente vóór en na de pensioendatum”van 5%:
3.Procesverloop
In eerste aanleg
4.Zorgplicht assurantietussenpersoon bij advisering over een pensioenverzekering
Erven Van Dam/Rabobanken
[…] /Octantuit 1998 en 2003. In die arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld (i) dat de assurantietussenpersoon moet waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen en (ii) dat de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam moet maken op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. [9]
Wabb) [10] en waren van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 opgenomen in de Wet financiële dienstverlening (hierna:
Wfd). [11] Inmiddels zijn zij vastgelegd in afdeling 4.2.3 van de Wet op het financieel toezicht (hierna:
Wft) [12] en hoofdstuk 8 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna:
BGfo). [13]
Erven Van Dam/Rabobanken
[…] /Octantgaat het hier niet om het bewaken van verzekeringen die tot de portefeuille van de tussenpersoon behoren. Het betreft hier de advisering aan een cliënt/consument over een pensioenverzekering. Aangenomen mag worden dat (zoals tevens uit het vervolg van deze conclusie blijkt) de assurantietussenpersoon ook in deze rol moet waken over het belang van zijn cliënt. [14] De tussenpersoon bewaakt dan het belang van zijn cliënt door na te gaan welke verzekering(en) voor de cliënt passend zou(den) zijn en hem voor te lichten over de kenmerken daarvan. [15]
Wtv) en art. 2 lid 2 van Pro de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 [25] (hierna:
RIAV 1994). Deze bepalingen hebben een Europeesrechtelijke oorsprong: zij zijn de implementatie van art. 31 van Pro de Derde Levensrichtlijn. [26]
Immobile/Promontoria c.s.overwoog de Hoge Raad namelijk dat
“de in art. 4:24a Wft neergelegde zorgplicht blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling geen andere is dan de uit het privaatrecht voortvloeiende zorgplicht van financiële dienstverleners jegens hun cliënten.” [38]
Erven Van Dam/Rabobankals civielrechtelijke zorgplicht heeft geformuleerd dat de assurantietussenpersoon moet waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen (zie onder 4.3 hiervoor).
Erven Van Dam/Rabobankacht ik aannemelijk dat die civielrechtelijke zorgplichten in 1999 reeds bestonden.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1dmoest het hof responderen op het betoog dat Aon [de cliënt] erop had dienen te wijzen dat de nieuwe pensioenverzekering
zelfsbij een gelijkblijvende rekenrente pas beter uitpakt dan het Puratos pensioen wanneer gemiddeld een fors rendement (meer dan 6%) wordt behaald. In de uitwerking en toelichting wordt verwezen naar alinea’s 13-15 van de inleidende dagvaarding en alinea’s 14-17 van de memorie van antwoord. [de cliënt] heeft daarin kort gezegd gesteld dat Aon een rendement heeft voorgespiegeld van gemiddeld 7%, dat er geen ander inhoudelijk advies is gegeven en dat Aon er met geen woord over heeft gerept dat alle scenario’s waarbij sprake is van minder dan 7% rendement tot een gelijk of slechter resultaat leiden dan zijn Puratos pensioen. Tot slot wordt verwezen naar alinea 32 van de inleidende dagvaarding over het ontbreken van een waarschuwing inzake het risico van een dalende rekenrente. In dat licht acht [de cliënt] onjuist of onbegrijpelijk dat het hof geen nadere waarschuwingsplicht heeft aangenomen.
subonderdelen 2.1a-2.1dtreffen mijns inziens dus doel.
subonderdeel 2.1dwordt naar voren gebracht dat het hof heeft miskend dat het rendement en de rekenrente risicofactoren zijn die elkaar versterken. Die klacht mist mijns inziens eveneens feitelijk grondslag, omdat niet wordt verwezen naar stellingen waarmee [de cliënt] heeft aangevoerd dat rendement en rekenrente elkaar versterkende (risico)factoren zijn.
onderdeel 2.1grotendeels gegrond.
“Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis.” [54] Voor een beleggingsverzekering gaat die redenering echter niet (onverkort) op. Bij dit type verzekeringen was het namelijk gangbaar dat de provisie en eerste kosten op de inleg in mindering werden gebracht. In die constellatie is de hoogte van die kosten voor de consument/cliënt weldegelijk relevant.
Subonderdelen 2.2a en 2.2bbestrijden de motivering van het oordeel dat Aon geen informatie over de provisie aan [de cliënt] behoefde te verstrekken (rov. 4, 4.1 en 4.2 van het eindarrest). De eerste twee alinea’s van subonderdeel 2.2a doen een beroep op het bepaalde in art. 7:418 BW Pro. Subonderdeel 2.2b is helemaal op de leest van art. 7:418 BW Pro geschoeid. Aangevoerd wordt dat de lasthebber op grond van art. 7:418 BW Pro verplicht is om de lastgever in kennis te stellen van het feit dat hij, lasthebber, belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling. Verder wordt erop gewezen dat de lasthebber geen aanspraak op loon heeft ten laste van een lastgever jegens wie hij de in art. 7:418 lid 1 BW Pro neergelegde verplichtingen niet is nagekomen (art. 7:418 lid 2 BW Pro). [55]
subonderdeel 2.2a (derde en vierde alinea)wordt naar voren gebracht dat de rechtsverhouding tussen Aon als deskundige op het gebied van pensioenen en [de cliënt] als cliënt/consument – ook wanneer geen sprake is van lastgeving – meebracht dat Aon [de cliënt] over de provisie diende te informeren. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien dat een verzekerde die de provisie voor zijn rekening neemt door een korting op de ingebrachte koopsom (het pensioenkapitaal) buiten de transactie staat waarbij de provisie is bedongen.
onderdeel 2.2gedeeltelijk gegrond is. Subonderdeel 2.2a (over de provisie) slaagt immers gedeeltelijk en ook subonderdeel 2.2c (over de kosten) treft doel.
subonderdelen 2.1a en 2.1bvermelde redenen onjuist is. Verder zou onjuist of onbegrijpelijk zijn dat het hof bij de beoordeling van de tekortkoming van Aon voorbij is gegaan aan de in
subonderdelen 2.2a t/m 2.2cbesproken aspecten, terwijl deze in dat kader wel gewicht in de schaal leggen.
subonderdeel 2.3bhoudt het oordeel van het hof in dat Aon slechts aansprakelijk is als [de cliënt] de transactie zonder de tekortkoming niet zou zijn aangegaan. Hiermee zou het hof een te beperkte maatstaf hebben aangelegd. Goed denkbaar is, zo stelt het subonderdeel, dat [de cliënt] , ook als hij niet had besloten om (zonder meer) van de voorgelegde transactie af te zien, zou hebben verlangd dat deze op gunstiger voorwaarden zouden worden gesloten. Het subonderdeel bouwt daarna voort op het uitgangspunt dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken op gunstiger voorwaarden zou zijn gesloten.
sub-subonderdeel 2.3c-Iis in rov. 10.1-10.2 de in (sub)onderdelen 2.1 en 2.3a vermelde maatstaf miskend: er had geadviseerd en gewaarschuwd moeten worden voor de risico’s van dit product.
“In het bijzonder is onbegrijpelijk het oordeel in rovv. 10.1-10.3 dat wanneer Aon [lees: correct, A-G] zou hebben geadviseerd zij scenario’s zou hebben geschetst met een rekenrente tussen de 4 en 6% en dat dit door [de cliënt] niet gemotiveerd zou zijn weersproken, reden waarom het hof vervolgens alsnog uitgaat van het uiteindelijk gegarandeerde kapitaal uitgezet tegen een rekenrente tussen de 4 en de 6 % en dan tot de conclusie komt dat [de cliënt] voor die situatie onvoldoende zou hebben onderbouwd dat hij bij het naleven van de zorgplicht op het punt van de rekenrente de pensioenverzekering niet (toch) zou zijn aangegaan.”
condicio sine qua non-verband een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie zoals die zou zijn geweest als de normschending was uitgebleven. Wat de feitelijke situatie betreft, gaat het om de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. Wat de hypothetische situatie betreft, gaat het om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending. In beroepsaansprakelijkheidszaken dient voor de hypothetische situatie te worden uitgegaan van de wijze waarop de beroepsbeoefenaar in de situatie zonder de fout feitelijk zou hebben gehandeld, zij het dat het uitgangspunt moet zijn dat geen andere normschending zou hebben plaatsgevonden. [58]
feitelijke situatieop 7 mei 1999 een advies heeft gegeven waarin ervan wordt uitgegaan dat sprake zal zijn van een garantiekapitaal van fl. 725.597,- (€ 329.261,56) en dat dit uitgaande van een rekenrente van 5% een ouderdomspensioen oplevert van fl. 51.461,- (€ 23.351,98) per jaar (tussenarrest, rov. 1.3). In de
hypothetische situatiezonder zorgplichtschending zou Aon volgens het hof scenario’s hebben geschetst op basis van rentes tussen de 4% en de 6% (eindarrest, rov. 10.1). Een lagere rekenrente op het tijdstip van de aankoop van het pensioen levert een lager pensioen op (tussenarrest, rov. 9). Daaruit vloeit voort dat het garantiekapitaal uitgaande van een rente van 4% (bij verder gelijke uitgangspunten) een lager jaarlijks ouderdomspensioen moet opleveren dan het jaarlijks ouderdomspensioen dat in het advies van 7 mei 1999 op basis van 5% rente is berekend. Het hof komt echter tot het oordeel dat het garantiekapitaal bij een rekenrente van 4% tot 6% een ouderdomspensioen zou opleveren van ten minste € 23.508,- per jaar en dat dit hoger is dan het in het advies van 7 mei 1999 genoemde bedrag van € 23.351,98 (eindarrest, rov. 10.2). Die conclusie is mijns inziens (logisch) onbegrijpelijk.
feitelijke situatie(het advies van 7 mei 1999) wordt uitgegaan van een garantiekapitaal van fl. 725.597,- (€ 329.261,56). De berekening voor de
hypothetische situatieberust daarentegen op een gegarandeerd kapitaal van € 363.702,-. De schending van de zorgplicht houdt echter geen verband met het garantiekapitaal. Het hof mocht daarom voor de hypothetische situatie niet uitgaan van een ander garantiekapitaal dan in het advies van 7 mei 1999 staat.
sub-subonderdeel 2.3c-IIis gegrond.
sub-subonderdeel 2.3c-II (p. 16 e.v.)aangevoerd dat het hof voorbij heeft gezien aan het betoog van [de cliënt] dat de inschatting van de gehanteerde (reken)rente onvoldoende was. Verwezen wordt naar passages uit de gedingstukken waarin [de cliënt] aan de hand van de grafieken van de Euribor zou hebben onderbouwd dat de rente sinds 1990 al een structureel dalende trend had, dat vanaf 1982 de dalende lijn stevig werd ingezet, dat de 6 maands Euribor vanaf 1999 slechts tweemaal ongeveer de 5% aantikt en dat de 10 jaars staatslening rentegrafiek daarnaast laat zien dat vanaf 1990 de rente al heel hard daalde van 9% naar 5,5% in 1994 en 5% in 1998. [59] Ook wordt gewezen op (i) de stelling dat [de cliënt] niet was ingestapt als hij erop was gewezen dat de rekenrente wel 4% zou kunnen zijn, omdat hij dan had begrepen dat hij met een risicovol product te maken had en (ii) de stelling dat de rente structureel dalende was, waarin besloten zou liggen dat [de cliënt] heeft betwist dat “een verdergaande bandbreedte niet als realistisch werd beschouwd.” [60]
(sub)onderdelen 2.1, 2.2a, 2.2c en 2.3c-II (p. 16 e.v.)(gedeeltelijk) slagen. De
(sub)onderdelen 2.3a, 2.3c-I en 2.3c-III en 2.4slagen voor zover zij op die klachten voortbouwen. De overige onderdelen acht ik ongegrond. Het gedeeltelijk slagen van de genoemde onderdelen brengt mee dat het bestreden arrest mijns inziens niet in stand kan blijven.
de factofutiel. Het was ondenkbaar dat de rente zou instorten, laat staan dat op enig moment pensioen zou moeten worden aangekocht tegen renten tussen de 1 en 2% (zoals dat op de pensioendatum, 1 juni 2015, het geval was).
DNB) van destijds.
Onderdeel 1stelt dat rov. 8-10 en 12 van het tussenarrest berusten op een onjuiste rechtsopvatting over de zorgplicht van een tussenpersoon/assurantieadviseur en hetgeen in een geval zoals hier aan de orde van een redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon/assurantieadviseur mag worden verwacht. Volgens het onderdeel schiet een tussenpersoon/assurantieadviseur niet tekort in zijn zorgplicht indien hij in de onder (a)-(e) genoemde omstandigheden niet wijst op het risico van een dalende rekenrente. In die omstandigheden zou niet van een redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon/assurantieadviseur verwacht mogen worden dat hij daarop in zijn advisering wijst.
de factofutiel, ondenkbaar en onvoorzienbaar) is, ook al kent de pensioendeelnemer (in casu [de cliënt] ) dat risico niet en behoefde hij dat risico ook niet te kennen. Om te voldoen aan de zorgplicht en de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon/assurantieadviseur zou volstaan dat in de advisering een rente wordt gehanteerd die gangbaar, realistisch en prudent is. In de onder (a)-(e) genoemde omstandigheden zou daarom niet kunnen worden volgehouden dat de invloed van een hogere of lagere rekenrente op de hoogte van het pensioen relevante informatie is die de tussenpersoon/assurantieadviseur in zijn advies moet betrekken, zo bepleit het onderdeel.
niettot uitgangspunt heeft genomen dat Aon had moeten waarschuwen voor een rentestand tussen 1% en 2% (zoals het geval was op de pensioendatum). Het hof gaat er vanuit dat Aon zonder de schending van de zorgplicht scenario’s zou hebben geschetst op basis van rentes tussen 4% en 6%. In dat licht komt het erop aan of Aon gemotiveerd heeft betoogd dat een rente van 4% (dat wil zeggen 1 procentpunt lager dan de door haar gehanteerde rekenrente) in 1999 theoretisch en onvoorzienbaar zou zijn geweest. Een zodanig betoog behoefde het hof naar mijn mening in de aangehaalde passages niet te lezen.
“In de periode 2000-2006 was op basis van de Actuariële Principes Pensioenfondsen een rekenrente van 4% voorgeschreven en gangbaar.”Verder heeft zij in punt 30 van die akte het volgende naar voren gebracht:
“In 1999 (ten tijde van de overdracht van het (nominale) premievrije pensioen in de individuele C-polis) was de risicovrije 15-jaars rente 4.67% (zie de eerste tabel bij vraag 2).”Deze stellingen duiden er in mijn ogen niet op dat een rekenrente van 4% in 1999 louter theoretisch en onvoorzienbaar zou zijn geweest.
onderdelen 1 en 2van het incidenteel cassatieberoep ongegrond acht.