Conclusie
1.Feiten en procesverloop
belanghebbendein de zin van art. 67 lid Pro 1, laatste zin, Fw, zodat zij terecht is opgeroepen te verschijnen ter zitting van 27 augustus 2015.
contractueleafkoopverbod op grond van art. 7:986 lid 4 BW Pro de curator niet kan worden tegengeworpen (rov. 4.16). Er is sprake van een levensverzekering die in het faillissementsvermogen valt als bedoeld in art. 20 Fw Pro (rov. 4.18)
onredelijk benadelendis, zoals bedoeld in art. 22a lid 1, sub a, Fw. In dit kader acht de rechtbank in de eerste plaats van belang in hoeverre de verzekering een verzorgingskarakter heeft (rov. 4.19).
onredelijk benadelendis, acht de rechtbank van belang of [verweerder 1] , naast de levensverzekering, aanspraak kan maken op de pensioenvoorzieningen in de Stichting Syanora. De rechtbank overweegt dat zij de vraag of [verweerder 1] onredelijk benadeeld wordt door afkoop van de levensverzekering, nog niet kan beantwoorden omdat er nog een procedure loopt tussen de curator in het faillissement van [verweerder 1] en de Stichting Syanora. Daarom houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan (rov. 4.29).
2.De bespreking van het cassatiemiddel/ de cassatiemiddelen
recht op afkoopvan een levensverzekering. Het recht op afkoop van een levensverzekering is wettelijk geregeld in art. 7:978 lid 1 BW Pro en art. 7:986 lid 4 BW Pro. Uit art. 22a lid 1 sub a Fw zou kunnen worden afgeleid dat de curator in het faillissement van een verzekeringnemer ‘eenvoudigweg’ de wettelijke bevoegdheid heeft om een levensverzekering gedeeltelijk of geheel te doen afkopen, voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer daardoor niet onredelijk benadeeld wordt.
geen afkoopverbodbevatte, deed hieraan niet af. De curator in het faillissement van de deelnemer kon dus niet beschikken over het pensioenrecht van de deelnemer. [7] Dit pensioenrecht kon niet door de curator worden afgekocht.
het hoogstnoodzakelijke voor zijn levensonderhoud(cursivering, A-G) kan beschikken. Daarnaast bestaan ook uitzonderingen op voormelde regel die (mede) berusten op de gedachte dat bepaalde vermogensbestanddelen met het oog op de bestemming daarvan aan verhaal moeten worden onttrokken of dat bepaalde aanspraken zo zeer met de persoon van de rechthebbende zijn verknocht dat niet valt te billijken dat anderen die aanspraak uitoefenen en/of daarvan profijt trekken. Tot deze laatste categorie behoort bijvoorbeeld het pensioenrecht (zie HR 30 mei 1997, nr. 16318, NJ 1997, 573, waarin is beslist dat de curator in het zich daar voordoende geval van een verplichte beroepspensioenregeling niet het recht had dat pensioen af te kopen), de regeling van art. 21a Fw., en het auteursrecht voor zover het niet vatbaar is voor beslag.” [8]
hoogst persoonlijk rechtdat buiten de boedel valt. Hiermee is nog niet de vraag beantwoord wanneer een recht op een pensioenvoorziening wél moet worden aangemerkt als een ‘hoogst persoonlijk recht’ dat buiten de boedel valt. Mijns inziens kan hiervan slechts in uitzonderingsgevallen sprake zijn. Immers, voorop staat, zoals hiervoor is aangegeven, dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden. Bovendien heeft de wetgever met de invoering van art. 22a lid 1 en onder a Fw een specifieke regeling getroffen voor de situatie waarin een curator een levensverzekering wenst te doen afkopen. Binnen deze wettelijke regeling wordt rekening gehouden met zowel het belang van de gefailleerde verzekeringnemer als met het belang van diens schuldeisers. Er bestaat dus, ook naar de opvatting van de wetgever, geen reden om een levensverzekering geheel buiten het faillissement te houden met een beroep op het (vermeende) hoogst persoonlijke karakter ervan.
Stb.1998, 445). Deze wet is op 1 december 1998 in werking getreden (
Stb.1998, 662). Nadien is het wetsartikel vernummerd tot het huidige art. 22a Fw. [10] De vernummering is in werking getreden met de invoering van titel 7.17 BW (‘Verzekering’) per 1 januari 2006. [11]
levensverzekering met verzorgingskarakterbetreft. Hierbij staat primair het belang van de begunstigde voorop.
Daarbij is onder meer van belang of een dergelijke voorziening nog noodzakelijk is naast eventueel reeds elders bestaande aanspraken, zoals die ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, al dan niet verplichte (bedrijfs- of beroeps)pensioenregelingen, lijfrenten en dergelijke. Is met andere woorden de verzekering niet de enige oudedags- of nabestaandenvoorziening, dan zal afkoop doorgaans eerder kunnen worden toegestaan(cursivering A-G). Ook is mogelijk dat een levensverzekering slechts gedeeltelijk het karakter van een oudedags- of nabestaandenvoorziening heeft. In dat geval stelt de rechter-commissaris vast tot welk bedrag de bevoegdheid tot uitwinning strekt.” [13]
Met het criterium «onredelijke benadeling» kan daarbij naar mijn mening op evenwichtige wijze rekening worden gehouden met enerzijds de belangen van de schuldeisers, en anderzijds de belangen van degene ten behoeve van wier verzorging de verzekering is gesloten. Het criterium staat immers toe dat levensverzekeringen die niet of niet geheel nodig zijn ter verzorging van de oude dag of nabestaanden (geheel of gedeeltelijk) uitwinbaar zijn[cursivering A-G).” [14]
voorwaardelijkincidenteel cassatieberoep – onderdeel 7 van het cassatiemiddel – is gericht tegen rov. 1.3 en 3.3 van de tussenbeschikking, waarin de rechtbank overweegt dat het beroepschrift van [verweerder 1] en [verweerster 2] op 15 juli 2015 is ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep tijdig is ingesteld. Het onderdeel voert aan dat de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat het beroepschrift op 14 juli 2015 per fax door de griffie van de rechtbank is ontvangen. De klachten in onderdeel 7 zijn voorwaardelijk ingesteld, namelijk indien en voor zover de Hoge Raad ambtshalve de ontvankelijkheid van [verweerder 1] en [verweerster 2] in het hoger beroep bij de rechtbank zou onderzoeken.
waarschijnlijk werd bedoeld nr. 85). De rechtbank heeft niet laten blijken dat zij ‘deze essentiële stellingname’ in haar beoordeling heeft betrokken.
Kamerstukken I2006-2007, 30 413 en 30 655, E). In deze brief zou de betreffende minister hebben opgemerkt dat DGA’s bescherming kunnen ontlenen aan art. 7:986 lid 4 BW Pro.
nietkan worden tegengeworpen aan (onder meer) de curator in het faillissement van de verzekeringnemer en wanneer dat
welkan. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt dat art. 7:986 lid 4 BW Pro betrekking heeft op contractuele afkoopverboden. [16]
zijngenomen. De wet stelt immers slechts als voorwaarde dat de premies voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking
konden worden genomen.
in fiscale zingekwalificeerd kan worden als een oudedags- of nabestaandenvoorziening. Volgens het subonderdeel is dat het geval. Het hof had dit moet onderzoeken.
karaktervan de betreffende verzekering.
JOR2013/82. Het Hof Arnhem zou de tweede zin van lid 4 wel juist heb toegepast.
i)gesteld noch gebleken is dat [verweerder 1] de betreffende pensioenpremies als aftrekpost voor de inkomstenbelasting heeft opgevoerd (zie rov. 4.12 van de tussenbeschikking),
ii)premies die door een derde zijn betaald, vanzelfsprekend niet voor de heffing van de inkomstenbelasting door [verweerder 1] als belastingplichtige in aanmerking konden worden genomen (zie rov. 4.15 van de tussenbeschikking) en
iii)gesteld noch gebleken is dat [verweerder 1] zelf premies heeft betaald (rov. 4.15, laatste zin, van de tussenbeschikking). Gelet op deze vaststellingen, heeft de rechtbank mogen overwegen dat [verweerder 1] geen beroep toekomt op art. 7:986 lid Pro 4, tweede zin, BW. Dit artikellid stelt immers als vereiste dat de betrokken verzekeringnemer de voldane premies voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking heeft genomen en/of heeft kunnen nemen voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Dat kan de verzekeringnemer niet, indien een derde de premies betaalt of heeft betaald. Hiermee faalt het subonderdeel in zijn geheel.
contractueelafkoopverbod gekwalificeerd. Volgens subonderdeel 3 is dat niet juist, omdat uit de fiscale pensioenclausule blijkt dat afkoop niet leidt tot sancties in de contractuele verhouding met Aegon. Afkoop zou slechts fiscale gevolgen hebben. Subonderdeel 4 klaagt dat de rechtbank haar beslissing dat de fiscale pensioenclausule als contractueel afkoopverbod moet worden beschouwd, onvoldoende heeft gemotiveerd.
wettelijkof een
contractueelafkoopverbod inhield, zulks naar aanleiding van het door [verweerder 1] naar voren gebrachte standpunt van (een medewerker van) Aegon. Gelet op de te maken keuze, heeft de rechtbank uit de tekst van art. 2 sub b van Pro de fiscale pensioenclausule mogen opmaken dat sprake is van een contractueel afkoopverbod.
karakterheeft niet kan worden beantwoord door de verzorgings
behoeftenon-existent te achten. De rechtbank heeft miskend dat het verzorgingskarakter dient te worden bepaald op basis van het type verzekering, het oogmerk waarmee deze destijds is aangegaan en of de omvang van de uitkering passend is bij dat oogmerk en karakter. Ten slotte heeft de rechtbank miskend dat de welwillendheid van familie en vrienden niet rechtens afdwingbaar is en bij de beoordeling van de (on)redelijkheid van de benadeling door de afkoop geen rol kan spelen.