Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Planck-moment. Zij kan dus ook geen erfpachtrecht gevestigd of vervreemd hebben, laat staan tegen een vergoeding ineens. De (zakelijke) korting (ad € 266.055) op de volle waarde is niet over haar vermogen gelopen, ook niet via verrekening, en leidt volgens HR BNB 2016/139 bij haar dus pas tot winst bij staking of bij vervreemding. Zij heeft geen vergoeding ineens genoten, maar geniet slechts de (na herwaardering zakelijke) canon die jaarlijks bij haar belast is.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
De klachten (i) en (ii): ongebruikelijke terbeschikkingstelling (art. 3.91(3) Wet IB 2001)?
3° het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband;
Ter zake van het ‘vollopen’ van de blote eigendom geniet de aandeelhouder jaarlijks resultaat uit overige werkzaamheid. Uit HR 5 september 1979, nr. 19038 (
BNB1980/230) volgt dat goed koopmansgebruik niet toelaat om het resultaat, ontstaan als gevolg van de jaarlijkse vermindering van de last van vruchtgebruik, uit te stellen tot het eindigen van het vruchtgebruik of de eerdere verkoop van de blote eigendom.
f 38 672,90
BNB1980/230 – de bruto koopsom zou zijn verrekend met de waarde van een door de verkoper voorbehouden gebruiksrecht. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake.
BNB 1980/230. De blote eigenaar daarentegen die de blote eigendom (in casu fictief vanwege het waarderingsvoorschrift van hoofdstuk 2 art. I onderdeel AJ lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001) gedurende de looptijd van het gebruiksrecht verwerft, hoeft dit pas te doen op het moment van staking of (eerdere) vervreemding, zo volgt uit onderhavig arrest.
V-N2014/15.13, steunen op het arrest HR 5 september 1979, nr. 19 038,
BNB 1980/230. Dat arrest acht de Hoge Raad in casu echter niet van toepassing, omdat in dat arrest de bruto-koopsom is verrekend met de waarde van het door de verkoper voorbehouden gebruiksrecht. In de casus van dat arrest verkochten ouders hun landbouwbedrijf aan hun zoon en behielden zich daarbij een recht van vruchtgebruik voor; de zoon kocht dus de blote eigendom en werd slechts bloot eigenaar. Per saldo ontvingen de ouders de blote-eigendomswaarde van het landbouwbedrijf als koopsom. De uitkomst van het arrest was dat de zoon (bloot eigenaar) jaarlijks de waardevermindering van het vruchtgebruik als (belaste) winst in aanmerking moest nemen. Ik moet wel zeggen dat ik persoonlijk dit verschil tussen onderhavige situatie en
BNB1980/230 niet om deze reden had voorzien. Ik had wel verwacht dat
BNB1980/230 in onderhavige situatie niet van toepassing zou zijn, om de door belanghebbende in zijn cassatieberoepschrift vermelde reden (het aspect waar het in de onderhavige procedure om gaat – een gebruiksrecht dat al jaren loopt en een huurwaardestijging vóór het moment waarop de onroerende zaak gaat behoren tot het vermogen van een onderneming of werkzaamheid – ontbrak in
BNB1980/230 volledig; zie punt 14 van het cassatieberoepschrift), maar niet om de reden dat in
BNB1980/230 verrekening heeft plaatsgevonden van de bruto-koopsom met de waarde van het voorbehouden gebruiksrecht.”
BNB 1980/230. Ons ontgaat deze ratio.”
NTFR2016/655 dat deze lagere openingsbalans-waardering bepaald onredelijk kan worden genoemd. Belastingarbitrage is volgens hem ten aanzien van dit onderrendement niet aan de orde. Ik kan Boer daarin niet volgen. Het gebruiks-recht van de ondergrond wordt door de BV immers aan belanghebbende betaald en is als zodanig belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Zou de prijs van het gebruiksrecht marktconform zijn, dan zou er ook een hoger bedrag als resultaat jaarlijks bij belanghebbende belast zijn, en zou er ook een hoger bedrag jaarlijks bij de BV aftrekbaar zijn. Wel kan Boer worden toegegeven dat het uiteindelijk te zijner tijd bij belanghebbende te belasten voordeel uit het hiervoor weergegeven onderrendement, niet synchroon loopt met een terzake te constateren aftrekbedrag bij de BV zodat er in zoverre geen sprake is van zogenoemde ‘communicerende vaten’.
Planck-moment [15] tot zijn vermogen had behoord. Zou de bedrijfsopvolger niet de volle maar de blote eigendom van zijn ouders hebben verworven (civielrechtelijk kan dat: zie 5.14 – 5.16 hieronder), dan had hij, evenmin als de blote eigenaar in HR BNB 2016/139, niet jaarlijks belast hebben hoeven opwaarderen. Dan zou voor hem de rechtsregel van HR BNB 2016/139 hebben gegolden (zie 5.4):
economisch– dus voor een koopman – flinterdunne of non-existente onderscheid tussen ‘bruto’ en ‘netto’ aankoop. Aankoop van slechts een blote eigendom onderscheidt zich economisch niet van het geval waarin een “bruto koopsom zou worden verrekend met de waarde van een door de verkoper voorbehouden gebruiksrecht”. Waarom de ‘volloop’ naar de volle waarde die de zaak bij aankoop al had in het ‘netto’-scenario pas achteraf belast wordt hoewel de economisch identieke ‘leegloop’ van de vruchtgebruikslast in het ‘bruto’-scenario meteen jaarlijks belast is, is moeilijk overtuigend aan een koopman uit te leggen. Dat het ene zich links op de commerciële balans afspeelt (volloop blote eigendom) en het andere rechts (leegloop vruchtgebruiklast), lijkt niet erg relevant. Onduidelijk is ook met welke onzekerheid ‘netto’ koop zou zijn omgeven die niet even zeer bestaat bij ‘bruto’ koop met simultane vestiging (‘voorbehoud’) van vruchtgebruik. In beide gevallen gaat het om dezelfde waardeontwikkeling van dezelfde vermogensbestanddelen in dezelfde periode en om dezelfde levensverwachting van dezelfde vruchtgebruikers. Het enige verschil is het juridische
Planck-moment: héél even is de koper in het ‘bruto’ scenario volle eigenaar. Hij wordt daarom geacht de koopsom voor de volle eigendom deels te hebben betaald met een door hem door verrekening genoten vergoeding ineens voor het vruchtgebruik. Fiscaal-dogmatisch-theoretisch kan dan inderdaad gezegd worden dat in het ‘bruto’-scenario een vergoeding ineens voor het afstaan van een beperkt recht wordt gerealiseerd en in het ‘netto’-scenario niet, maar economisch is het lood om oud ijzer. Bovendien hangt de juridische kwalificatie ‘bruto’ of ‘netto’ af van de toevallige bewoordingen van de wellicht nietsvermoedende partijen in de akte (zie 5.14 – 5.16)
6 Beoordeling
timingdus irrelevant of en hoe lang het beperkte recht al bestond bij de aankoop van de blote eigendom. Beslissend is slechts of het aangekochte de blote of de volle eigendom was. Dat heffingsuitstel in ons geval mogelijk niet bevredigt omdat de maatschap wel afschrijft op het erfpachtrecht, en dat aan een koopman in een economisch identiek ‘bruto’-scenario wellicht moeilijk uit te leggen valt dat hij wél jaarlijks belast winst moet nemen, kan aan het zeer recente en apodictisch gestelde arrest HR BNB 2016/139 dan niet afdoen.
détournement de pouvoir,maar daarover wordt kennelijk niet getwist. Wellicht had de belanghebbende er geen bezwaar tegen omdat een aanslag in de schenkbelasting een acute betalingsverplichting voor haar in het leven zou roepen. Gezien de destijds geldende schenkingsrechttarieven is echter niet meteen evident dat inkomstenbelasting en premieheffing gespreid over 26 jaar gunstiger is dan schenkingsrecht ineens in 2007.
Planck-moment. Zij kan dus geen erfpachtrecht gevestigd of vervreemd hebben, laat staan tegen vergoeding. De (zakelijke) korting (ad € 266.055) op de volle waarde is niet over haar vermogen gelopen, ook niet via verrekening, en leidt volgens HR BNB 2016/139 bij haar dus pas tot (boek)winst bij staking of bij vervreemding. Zij heeft geen vergoeding ineens genoten, maar geniet slechts de (na herwaardering zakelijke) canon, die jaarlijks bij haar belast is.