ECLI:NL:HR:2012:BP6667
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beëindiging terbeschikkingstellingsregime bij aanhouden vermogensbestanddeel in afwachting van verkoop
Belanghebbende hield 63% van de aandelen in een BV en was mede-eigenaar van een boerderij met landerijen die aan de BV werden verpacht. De pachtovereenkomst werd in april 2001 ontbonden, maar het feitelijke gebruik door de BV liep door tot november 2001. De landerijen werden in februari 2002 verkocht.
De Inspecteur rekende het resultaat uit de terbeschikkingstelling van de landerijen aan belanghebbende toe voor 2002, terwijl belanghebbende stelde dat de terbeschikkingstelling per november 2001 was beëindigd. Rechtbank en Hof oordeelden verschillend, waarbij het Hof aannam dat de landerijen na beëindiging van de terbeschikkingstelling werden aangehouden in afwachting van verkoop en daarom nog tot het werkzaamheidsvermogen behoorden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het terbeschikkingstellingsregime niet onmiddellijk eindigt bij de feitelijke beëindiging, maar doorloopt zolang het vermogensbestanddeel wordt aangehouden met het doel tot vervreemding. Dit sluit aan bij de beoogde fiscale gelijkheid tussen ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders. De middelen van belanghebbende werden verworpen en het beroep in cassatie ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat het vermogensbestanddeel tot het werkzaamheidsvermogen blijft behoren tot de verkoop wordt bevestigd.