1.5Het hof heeft voor de berekening van het voordeel voorts gebruik gemaakt van het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht Standaardberekening en normen van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie’ Update 1 november 2010 waarvan een deel als bijlage bij de onder 1.4 genoemde rapportage in het proces-verbaal is gevoegd (tabellen blz. 99 tot en met blz. 100).”
7. Uit de toelichting blijkt dat het middel zich in de eerste plaats keert tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene ook voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde handelen.
8. Het hof heeft overwogen “dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, financieel voordeel heeft genoten.”
9. In de hoofdzaak heeft het hof bewezen verklaard dat de betrokkene op 4 december 2013 te Smilde, gemeente Midden-Drenthe, opzettelijk een hoeveelheid van 626 hennepplanten aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] .
10. Zoals blijkt uit de overwegingen van het hof in de bestreden uitspraak, is het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van vier gerealiseerde en verkochte oogsten. Bewijsmiddel 1.1 houdt in dit verband in dat aannemelijk is dat in de periode 1 januari 2012 tot 4 december 2013 vier oogsten hebben plaatsgevonden. Dat bewijsmiddel houdt voorts in dat de op 4 december 2013 in de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te Smilde aangetroffen 626 hennepplanten in beslag zijn genomen.
11. Het middel klaagt terecht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene ook uit het bewezen verklaarde handelen voordeel heeft genoten niet zonder meer begrijpelijk is. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de betrokkene door het enkel aanwezig hebben van de hennepplanten voordeel heeft gegenereerd. De bestreden uitspraak zou zich in zoverre voor een verbeterde lezing kunnen lenen. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten dan het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit en dat voldoende aanwijzingen bestaan dat die andere feiten door de betrokkene zijn begaan. Met een op deze wijze verbeterde lezing zou aan de eerste klacht van het middel de feitelijke grondslag komen te ontvallen.
12. Hiermee kan cassatie echter niet worden voorkomen. De steller van het middel klaagt immers terecht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene voordeel heeft behaald uit vier oogsten niet zonder meer begrijpelijk is. Ik wijs daartoe op het volgende.
12. Het hof heeft overwogen dat, gezien het vele afval dat is aangetroffen zoals onder andere vier lege vaten voedingsstoffen en een groot aantal oude assimilatielampen, het hof uitgaat van vier oogsten. Het als bewijsmiddel 1.1 gebezigde relaas van verbalisant [verbalisant 1] houdt in dat aannemelijk is dat in de periode 1 januari 2012 tot 4 december 2013 er vier oogsten hebben plaatsgevonden, alsmede dat het onderzoeksteam uitgaat van vier oogsten ten voordele van de betrokkene gelet op de verstrekte informatie met betrekking tot de levensloop/branduren van assimilatielampen.
12. Met de steller van het middel meen ik dat in dezen sprake is van een conclusie van verbalisant [verbalisant 1] die door het hof is overgenomen. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verbalisant terecht tot de gevolgtrekking is gekomen dat in de kwekerij (ten minste) vier oogsten hebben plaatsgevonden, zodat die kan worden vereenzelvigd met een door het hof gemaakte gevolgtrekking.
15. De door het hof overgenomen gevolgtrekking is mede gebaseerd op “de verstrekte informatie met betrekking tot de levensloop/branduren van assimilatielampen”. De gebezigde bewijsmiddelen houden evenwel niets in over die levensloop en branduren.Uit de overige door het hof vastgestelde feitenheeft het hof kunnen afleiden dat in de kwekerij is geoogst, maar zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat er vier oogsten hebben plaatsgevonden. Ik acht het oordeel van het hof dat er vier maal is geoogst daarom niet zonder meer begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
16. Ik heb mij nog afgevraagd of het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier, leidt tot het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de schatting van het voordeel zal leiden. Daarbij stel ik voorop dat bij een dergelijke benadering bijzondere voorzichtigheid is geboden. Uitgangspunt van de Nederlandse strafrechtspraak is immers dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Dit brengt mee dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de in de bestreden uitspraak neergelegde bewijsvoering steunt op een weloverwogen selectieproces. Dat betekent dat toepassing van art. 80a RO in verband met de ongegrondverklaring van de klacht dat het bewijs ontoereikend is slechts mogelijk is indien over de toereikendheid en de betrouwbaarheid van het bewijs in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.
17. Het zich bij de gedingstukkenbevindende, als bewijsmiddel 1.1 gebezigde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] houdt – aansluitend aan de door het hof tot het bewijs gebezigde passage dat in een kartonnen zak 23 gebruikte assimilatielampen van het merk Philips 600 watt Master Son-t werden aangetroffen – het volgende in:
“Het is mij verbalisant [verbalisant 1] bekend dat Philips adviseert de lampen bij een brandduur van 10 duizend uur te vervangen.
Growshops adviseren in verband met de lichtsterkte (lumen) benodigd voor het telen van hennep de lampen te vervangen na 4 a 5 oogsten, na een jaar kweek en of 3300 branduren.
Bron Greensell en tuincentrum Lopik.
Een hennepkweekcyclus van 9 week betekent circa 756 branduren. (63 dagen maal 12 uur)”
Dit proces-verbaal houdt voorts in dat boven de hennepplanten in de twee kweekruimten in totaal 23 assimilatielampen van 600 watt van het merk Philips Master Son-t hingen.
18. De in dit verband te betrachten bijzondere voorzichtigheid staat naar mijn mening in de weg aan het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst zal leiden. Het hof heeft het geciteerde onderdeel van het proces-verbaal niet tot het bewijs gebezigd. Het voert te ver aan te nemen dat zulks het gevolg is geweest van een kennelijke misslag. Het ligt meer voor de hand dat het terzijde stellen van de geciteerde passage het gevolg is geweest van een weloverwogen selectieproces. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de bewuste passage slechts wordt gerefereerd aan bekendheid van de verbalisant met adviezen van Philips respectievelijk growshops over de vervangingsduur van de lampen. Daarmee wordt op dun ijs geschaatst. De rechtbank Noord-Nederland had in eerste aanleg het ijs kennelijk te dun bevonden en is uitgegaan van één oogst. De advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vast te stellen als de rechtbank had gedaan. Daarbij komt dat de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat er nog geen oogst had plaatsgevonden en dat de mannen die betrokken waren bij de hennepkwekerij misschien goederen van andere kwekerijen in de schuur hadden opgeslagen. Gelet op het voorafgaande en in het licht van de bijzondere voorzichtigheid die in dit verband dient te worden betracht, meen ik dat zich in dezen niet een situatie voordoet waarin over de toereikendheid en de betrouwbaarheid van het bewijs in redelijkheid geen twijfel kan bestaan. Dat betekent dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
18. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden