Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het in de strafzaak bewezen verklaarde handelen ontoereikend heeft gemotiveerd.
€50 = 552 gram.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de ontnemingsmaatregel centraal die is opgelegd aan de betrokkene wegens het wederrechtelijk verkrijgen van financieel voordeel uit cocaïnehandel in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 11 december 2012. Het hof had het voordeel vastgesteld op € 24.189,50, maar betrok daarbij ook betalingen uit een eerdere periode, wat tot onduidelijkheid leidde over de juiste omvang van het voordeel.
De Hoge Raad overweegt dat het hof abusievelijk heeft geoordeeld dat het voordeel uitsluitend uit het bewezen verklaarde handelen is verkregen, terwijl ook soortgelijke feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, bij de berekening betrokken mogen worden. Deze verbeterde lezing leidt ertoe dat het middel van cassatie feitelijk geen grond meer heeft.
Daarnaast wordt ingegaan op de verklaringen van getuigen die het voordeel onderbouwen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft afgewezen om deze verklaringen uit te sluiten, mede omdat zij elkaar deels ondersteunen en ook door de betrokkene zelf is erkend dat hij cocaïne verkocht en geld ontving.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de ontnemingsmaatregel, waarbij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd blijft op de concrete bewijsmiddelen en verklaringen, met inachtneming van de verbeterde lezing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van € 24.189,50 blijft in stand met een verbeterde lezing van het arrest.