Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 september 2014 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“De voorzitter maakt melding van een namens de verdachte ingediend appelschriftuur waarbij verzoeken zijn gedaan tot het horen van getuigen.
(…)
Op de vraag van de voorzitter of de raadsman van de verdachte de onderzoekswensen van de verdediging nader wenst te onderbouwen, brengt de raadsman naar voren:
De verklaring van [betrokkene 1] betreft het belangrijkste bewijs voor het onder 1 ten laste gelegde. Haar belastende verklaring draagt de gehele tenlastelegging, ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
Derhalve dient de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [betrokkene 1] te horen.
De verklaring van [betrokkene 3] zou volgens de rechtbank op belangrijke punten overeenkomen met de verklaring van [betrokkene 1] . De verdediging heeft zich echter op het standpunt gesteld dat er sprake is van inconsistenties tussen beide verklaringen. Nu de rechtbank daaraan voorbij is gegaan, acht de verdediging het van belang dat [betrokkene 3] geconfronteerd wordt met die inconsistenties en dient de verdediging derhalve in de gelegenheid te worden gesteld om hem dienaangaande nader te horen.
Voorts dient de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [betrokkene 4] te horen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaring van [betrokkene 4] overeenkomt met de verklaring van [betrokkene 1] en de rechtbank heeft de verklaring van [betrokkene 4] , aangaande de emoties van aangeefster bij thuiskomst uit het zwembad, vervolgens gebruikt als steunbewijs naast de verklaring van [betrokkene 1] . De verdediging is echter van mening dat inconsistenties bestaan tussen genoemde verklaringen. Tevens blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat zij overleg heeft gehad met [betrokkene 1] , waardoor sprake kan zijn geweest van sturing van de zijde van [betrokkene 4] . Ten slotte is de verdediging van mening dat het onduidelijk is of de emoties van [betrokkene 1] zijn ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde feiten, dan wel als gevolg van de confronterende vragen van haar stiefmoeder, [betrokkene 4] .
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is de verdediging van mening dat slechts één bewijsmiddel voorhanden is, namelijk de verklaring van [betrokkene 5] . Haar verklaring betreft echter een verklaring de auditu, nu zij zelf niets heeft gezien van de ten laste gelegde feiten en zij van [betrokkene 2] heeft gehoord wat er in het zwembad is voorgevallen. Daarnaast is mogelijk sprake geweest van onbewuste beïnvloeding van de zijde van de badmeester, nu hij met [betrokkene 5] heeft gesproken over een eerder incident waarbij hij vervolgens de verdachte heeft aangewezen. De verdediging wenst [betrokkene 5] derhalve nader te horen.
Voorts is [betrokkene 2] de enige onbetwiste bron van hetgeen zou zijn voorgevallen. De verdediging is zich ervan bewust dat het een zeer jonge getuige betreft en dat het om reden van kwetsbaarheid uitzondering moet zijn om een jonge getuige te horen.
Echter, de verdediging kan er niet aan voorbij gaan dat de verdenking jegens de verdachte en de door de rechtbank opgelegde straf stevig zijn. Om die reden wenst de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [betrokkene 2] te horen. In de reactie van het Openbaar Ministerie van 23 juni 2014 aangaande de
getuigenverzoeken zoals door de verdediging verwoord bij appelschriftuur, wordt gesteld dat sprake is van zodanig tijdsverloop dat [betrokkene 2] zich - gelet op haar jonge leeftijd - niets meer zal kunnen herinneren van de gebeurtenis. De verdediging is echter van mening dat het om een ingrijpende gebeurtenis gaat die in het algemeen niet licht wordt vergeten. De verdediging is zich ervan bewust dat de belangen van de verdachte en het slachtoffer tegen elkaar dienen te worden afgewogen, maar de verdediging is van mening dat het belang van de verdachte in dit geval dient te prevaleren. Eventueel zouden voorzorgsmaatregelen kunnen worden getroffen, zoals een studioverhoor in het bijzijn van een psycholoog, waarbij de verdediging niet lijfelijk (maar via een audioverbinding) aanwezig hoeft te zijn.
Ten slotte wenst de verdediging de badmeester te horen die aanwezig is geweest ten tijde van de betreffende gebeurtenissen. Indien het hof dit verzoek toewijst, verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie alles in het werk te stellen de personalia van de betreffende badmeester te achterhalen teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen om hem te horen aangaande de ten laste gelegde feiten.
Op de vraag van de voorzitter of er van de zijde van de verdediging nog overige onderzoekswensen zijn brengt de raadsman van de verdachte naar voren:
(….)
Vervolgens verzoekt de verdediging alle audiovisuele verhoren van aangevers en getuigen door de politie, inclusief de informatieve gesprekken, te bekijken en te beluisteren, waarbij de voorkeur uitgaat naar het verstrekken van deze verhoren op cd-rom. Subsidiair verzoekt de verdediging dat de cd-roms zullen worden overhandigd aan de afdeling zeden van de Politie in Sliedrecht. Ten slotte verzoekt de verdediging gelegenheid te krijgen de camerabeelden van het zwembad te bekijken nu op dossierpagina 2 staat vermeld dat de politie deze beelden van het zwembad heeft bekeken, maar dat niets belastend te zien was. De raadsman wenst deze beelden te bekijken omdat ze mogelijk voor de verdachte ontlastend materiaal bevatten.
(…)
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof - toetsend aan het verdedigingsbelang- het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige afwijst, nu het belang van het welzijn van het minderjarige slachtoffer ernstig zou kunnen worden geschaad door haar als getuige te horen, mede gelet op het tijdsverloop sinds de gebeurtenis en tevens op hetgeen haar moeder bij de politie tijdens de aangifte heeft gezegd omtrent het horen van [betrokkene 2] (dossierpagina 43).
Voorts deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof de verzoeken tot het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en de nader te identificeren badmeester(s) toewijst en de zaak daartoe zal verwijzen naar de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof. In dat verband verzoekt het hof de advocaat-generaal een onderzoek te initiëren naar de personalia van de betreffende badmeester(s) en de bevindingen mee te delen aan de raadsheer-commissaris.
(…)
Voorts wijst het hof toe de verzoeken tot het beluisteren en bekijken van de audiovisuele verhoren en informatieve gesprekken van aangevers en getuigen bij de politie op het politiebureau (waarbij dit waarschijnlijk niet mogelijk is op het door de raadsman verzochte bureau)en wijst derhalve af het verzoek tot het verstrekken van de betreffende verhoren op cd-rom.
Ten slotte verzoekt het hof de advocaat-generaal na te gaan of de beelden van het zwembad van 28 mei 2012 en 25 juli 2012 nog beschikbaar zijn en voorts te bewerkstelligen dat de verdediging in de gelegenheid zal worden gesteld om die beelden te bekijken, hetzij op het politiebureau, dan wel op het ressortsparket in Het gerechtshof, gehoord de verdachte, zijn raadsman en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek voor onbepaalde tijd;
verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof teneinde de volgende getuigen te horen (na adresverificatie):
- [betrokkene 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
laatst bekende adres: [woonplaats] ;
- [betrokkene 3] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
laatst bekende adres: [woonplaats] ;
- [betrokkene 4] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
laatst bekende adres: [woonplaats] ;
- [betrokkene 5] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , laatst bekende adres: [woonplaats] ;
- De badmeester(s) als hiervoor bedoeld;
stelt de stukken daartoe in handen van de raadsheer- commissaris;
beveelt de oproeping van de verdachte en zijn raadsman voor de nadere terechtzitting, met tijdige kennisgeving daarvan aan het slachtoffer”