Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
11 februari 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen verdachte, die ervan wordt verdacht een poging tot doodslag te hebben gepleegd op de moeder van zijn kind, verzocht de verdediging het vijfjarige kind als getuige te horen. Dit verzoek werd door het hof afgewezen omdat het welzijn van het kind ernstig geschaad zou kunnen worden door het afleggen van een getuigenverklaring.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van art. 288, eerste lid, onder b, Sv de rechter kan afzien van het horen van een getuige indien het vermoeden bestaat dat het welzijn van de getuige daardoor in gevaar komt en dit zwaarder weegt dan het belang van het horen van de getuige. Het hof heeft dit zorgvuldig afgewogen en geoordeeld dat het belang van het kind prevaleert.
Het hof nam daarbij mee dat het kind getuige was van het geweldsincident en dat de moeder kort daarna in Canada op gewelddadige wijze is omgekomen, wat een traumatische achtergrond vormt. Ook de bevestiging van een belastende verklaring van het kind door een verbalisant en de aanwezigheid van een belastende verklaring van een buurvrouw, die niet door de verdediging werd gehoord, speelden een rol.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd en dat het belang van het welzijn van het kind zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om het kind als getuige te horen. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek om het minderjarige kind als getuige te horen wordt afgewezen vanwege het prevaleren van het welzijn van het kind.