Conclusie
middelricht zich tegen de motivering van de vrijspraak.
Parket bij de Hoge Raad
Op 5 december 2011 vond bij een bedrijf in Terneuzen een incident plaats waarbij door een medewerker per abuis een verkeerde stof werd toegevoegd, wat leidde tot een onbedoelde chemische reactie en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen. Het hof sprak de werkgever vrij omdat het niet bewezen kon worden dat het incident had kunnen uitgroeien tot een zwaar ongeval zoals bedoeld in het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) 1999.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een aanvullende voorwaarde stelde dat het incident een zwaar ongeval had moeten kunnen worden om strafbaarheid te kunnen vaststellen. De tekst en geschiedenis van het Brzo ondersteunen deze uitleg niet; het gaat om de zorgplicht om zware ongevallen te voorkomen, ongeacht of een incident zich heeft voorgedaan of had kunnen uitgroeien tot een zwaar ongeval.
De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling waarbij de zorgplicht als zelfstandige verplichting centraal staat. De Hoge Raad benadrukt dat de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen boven een drempelwaarde het Brzo van toepassing maakt en dat de preventieve maatregelen gericht moeten zijn op het voorkomen van zware ongevallen en niet beperkt mogen worden tot incidenten die potentieel zwaar kunnen zijn.
De conclusie van de Hoge Raad versterkt de preventieve strekking van het Brzo en benadrukt dat een concrete incidentvereiste niet aan de zorgplicht verbonden is. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van werkgevers onder het Brzo en heeft belangrijke gevolgen voor de interpretatie van veiligheidsverplichtingen in risicovolle industrieën.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug omdat het hof ten onrechte een aanvullende voorwaarde stelde voor strafbaarheid onder art. 5 Brzo 1999.