Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
3 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het middel betrof de schending van het recht op het laatste woord zoals voorgeschreven in artikel 311, vierde lid, Sv in verbinding met artikel 415 Sv Pro.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bleek dat de verdachte niet het recht was gelaten het laatste woord te voeren. Dit is een fundamenteel procesrechtelijk voorschrift waarvan het niet naleven leidt tot nietigheid van de uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee in strijd had gehandeld en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
De beslissing onderstreept het belang van het recht op het laatste woord voor de waarborg van een eerlijk proces en de naleving van het hoor en wederhoor principe.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens het niet verlenen van het recht op het laatste woord aan de verdachte.