Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
rechtmatigedan wel
onrechtmatigetoepassing van zo’n vrijheidsbenemend dwangmiddel. Indien sprake is van een
onrechtmatigetoepassing daarvan, kan in Nederland (ook) een vordering uit onrechtmatige daad worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. Art. 5 lid 5 EVRM Pro brengt mee dat een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of detentie in strijd met het bepaalde in artikel 5 EVRM Pro, recht heeft op schadeloosstelling. [6]
onrechtmatigetoepassing van een vrijheidsbenemend dwangmiddel, heeft de benadeelde aanspraak op een volledige vergoeding.
3.Bespreking van het middel
in het kader van de aanhouding, heeft miskend dat het eerste schot ongewild werd afgevuurd (als gevolg van een ‘knijpreflex’ van de betrokken politiefunctionaris) en dat, als rechtstreeks gevolg dáárvan, vervolgens de dodelijke schoten zijn afgevuurd. Nu het eerste – ongewilde − schot geen verband hield met de toepassing van enig strafvorderlijk dwangmiddel, had het hof niet tot deze kwalificatie mogen komen: volgens de klacht is het oordeel in strijd met art. 178 lid 1 Sv Pro-Aruba en met het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2011. De subsidiaire motiveringsklacht houdt in dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof geen aandacht heeft besteed aan het foutieve handelen van de politiefunctionaris die het eerste − ongewilde − schot heeft gelost. Volgens het middelonderdeel is van essentieel belang of sprake is van een fout van die politiefunctionaris die aan het Land kan worden toegerekend.
nietoptreden als rechtsopvolger van de gewezen verdachte. Het middelonderdeel legt terecht de vinger hierop.
Onderdeel I.3is gericht tegen rov. 2.4 van het eindvonnis waarin het hof heeft overwogen dat art. 179 Sv Pro-Aruba, mede met het oog op het bepaalde in art. 1:144 Sr Pro-Aruba [24] , moet worden uitgelegd in die zin dat de termijn van drie maanden in dit geval is aangevangen op het tijdstip van het overlijden van het slachtoffer. De omstandigheid dat geen strafzaak tegen de overledene is aangevangen, doet volgens het hof er niet toe. Volgens het middelonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist: een redelijke uitleg van art. 179 Sv Pro-Aruba in samenhang met de artikelen 2 en 13 EVRM brengt mee dat de termijn van drie maanden pas begint te lopen vanaf het tijdstip van de kennisgeving aan de benadeelden van (i) de beslissing tot niet-vervolging, (ii) het verval van de strafvordering op grond van art. 1:144 Sr Pro-Aruba of (iii) de beslissing tot niet-uitlevering aan de V.S. dan wel, ten minste, een kennisgeving van het feit dat het slachtoffer bij leven verdacht zou zijn geweest. In het onderhavige geval zijn de nabestaanden van het slachtoffer door de justitiële autoriteiten hierover in het ongewisse gelaten.