Conclusie
1.[verweerster 1],
STICHTING GLADIOLEN COMBINATIE,
Het hoger beroep; inleidende opmerkingen
‘van de 4 bovenste bakken, per rij, minimaal 60 bollen, cq kralen’ zijn genomen. Het Scheidsgerecht heeft dus op willekeurige wijze uit vrijwel alle pallets, ook van de onderaan staande pallets, monsters getrokken. Dit brengt met zich dat wanneer – naar [eiser] suggereert – de uitkomst van het Naktuinbouwrapport (te weten dat 28 van de 44 onderzochte monsters identiek zijn aan de referentiemonsters van het ras AMSTERDAM) het gevolg zou zijn van vermenging bij [C] B.V. (in die zin dat AMSTERDAM-materiaal in de plaats is gekomen van COLUMBUS-materiaal) er sprake moet zijn geweest van een grootschalige vermenging die in alle pallets en alle gaasbakken moet hebben plaatsgevonden. De beweerde vermenger kon immers niet weten dat het Scheidsgerecht monsters zou nemen uit alleen de bovenste 4 bakken van vrijwel iedere pallet. Gezien het onder 4.4 overwogene, zou die vermenger bovendien op de gedachte moeten zijn gekomen om het AMSTERDAM-materiaal te plaatsen in de reeds aanwezige pallets of om op eventuele nieuwe pallets de oude biljetten/etiketten aan te brengen, in plaats van het eenvoudigweg binnenbrengen van pallets met AMSTERDAM-materiaal. Door [eiser] is, hoewel dat onder de genoemde omstandigheden op zijn weg lag, niet concreet gesteld dat een dergelijke grootschalige en goed doordachte vermenging heeft plaatsgevonden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd, zodat Argument B1 van [eiser] niet kan worden aanvaard.
verbroken en daarna elke zak voorzien van een NAK-tuinbouw veldnummer. Onder dit veldnummer word plantgoed opgeplant (…). Opplant vindt plaats op 10-12-2010’.
uitkomsten van het onderzoek zijn gebaseerd op aan mij verstrekte schriftelijke en mondelinge informatie. Dit impliceert dat de juistheid en volledigheid van de in dit rapport opgenomen informatie afhankelijk is van de ter beschikking gestelde mondelinge en schriftelijke informatie. Ik heb niet zelfstandig de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie onderzocht, anders dan beschreven in dit rapport.’ (pagina 4);
Bij de uitvoering van de werkzaamheden is gebruik gemaakt van de door [eiser] ter beschikking gestelde documenten. De aard van de uitgevoerde werkzaamheden houdt in dat op de ontvangen documenten geen accountantscontrole is toegepast en dat tevens geen beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Een en ander impliceert dat aan deze rapportage geen zekerheid met betrekking tot de getrouwheid van het in de rapportage opgenomen cijfermateriaal kan worden ontleend.’ (pagina 5);
In het administratief onderzoek is gezocht naar facturen, betalingen, transportdocumenten en andere documentatie met omschrijving ‘Amsterdam’. Theoretisch is het mogelijk dat plantmateriaal van het ras Amsterdam is gekweekt en/of verhandeld onder een andere naam en als zodanig niet in de administratie is terug te vinden. Het administratieve onderzoek kan daarover geen uitsluitsel geven.’ (pagina 7).
2.Beoordeling van het cassatieberoep
onder adat het hof heeft miskend dat het de vraag had moeten beantwoorden of het in beslag genomen materiaal zodanig door de aangestelde gerechtelijke bewaarder was opgeslagen dat dit materiaal “preserved” was in de zin van art. 50 lid 1 sub Pro (b) jo. art. 1 van Pro de TRIPs-overeenkomst [4] , en/of dat dit materiaal “beschermd” was in de zin van art. 7 lid 1 van Pro de Handhavingsrichtlijn [5] en/of dat dit materiaal “beschermd” was in de zin van art. 1019b lid 1 Rv [6] , omdat alleen beschermd materiaal de moeite van onderzoek op de gestelde inbreuk waard is.
onder afaalt daarom wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
onder 1b, te weten dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast terzake de stelling dat het in beslag genomen materiaal “perserved” respectievelijk “beschermd” was opgeslagen, bij de ex parte beslagleggers [verweerster 1] en Glaco rust, te falen nu zij geen steun vindt in het recht.
onder 1cbouwt voort op de klachten onder a en b en draagt aan dat het hof gelet op de klachten a en b niet kon toekomen aan de beantwoording van de vraag of vermenging heeft plaatsgevonden zonder de stelling van [eiser] te behandelen dat [verweerster 1] en Glaco structureel hebben gelogen over de banden met de bewaarder [C] B.V. en dat pas tijdens de comparitie op 9 januari 2014, toen bewijs voorhanden was en de rechtbank [verweerster 1] en Glaco aansprak op de persoonlijke banden, door [verweerster 1] en Glaco is erkend dat de aanstelling van [C] B.V. “niet zo’n gelukkige keuze was”.
onder cop gewezen dat de niet bestreden vaststelling van de rechtbank dat de vermelding in het verzoekschrift dat geen (persoonlijke) relatie met [C] B.V. wordt onderhouden onjuist is, relevant is omdat daarmee de geloofwaardigheid in het algemeen van [verweerster 1] en Glaco gemotiveerd ter discussie is gesteld, waarbij geldt dat de onjuiste voorlichting van de voorzieningenrechter grond zou hebben opgeleverd voor opheffing van het namens [verweerster 1] en Glaco gelegde beslag, en het het hof gelet op het bepaalde in art. 21 Rv Pro in hoger beroep mogelijk maakte, in samenhang met het door [eiser] gestelde structurele liegen, de gevolgtrekkingen te maken die het geraden achtte.
onder cook niet slagen.
Onder cwordt er door [eiser] wel terecht op gewezen dat de verstrekking van onjuiste informatie in het verzoekschrift tot het mogen leggen van (bewijs)beslag, zoals in dit geval het ten onrechte melden dat er door verzoeker geen persoonlijke relatie met bewaarder [C] B.V. werd onderhouden (zie de onbestreden rov. 4.8 van het vonnis van de rechtbank), reden zou (kunnen) zijn geweest om het (bewijs)beslag op te heffen [10] . [eiser] heeft echter – voor zover ik uit het procesdossier kan opmaken [11] - geen opheffing van het beslag gevorderd.
onder cterecht opgemerkt dat de hoger beroepsrechter uit de schending van de in art. 21 Rv Pro opgenomen waarheidsplicht de gevolgtrekking mocht maken die het geraden achtte. Uit rov. 4.7 van het bestreden arrest maak ik op dat het hof dit voor ogen heeft gehad [12] , maar heeft geoordeeld dat het hieraan geen gevolgtrekking verbindt omdat de keuze van [C] B.V. als bewaarder, hoewel volgens het hof ongelukkig, niet tot voor [eiser] negatieve consequenties heeft geleid, waarbij het hof verwijst naar zijn motivering in rov. 4.5. Dat is feitelijk en bepaald niet onbegrijpelijk.
klacht 3aingetrokken, zodat deze klacht verder geen bespreking behoeft.
klacht 3 onder dis eveneens aldus onbegrijpelijk althans ovoldoende gemotiveerd de overweging dat (dus) het gebruikte referentiemateriaal als deugdelijk moet worden beschouwd.
ieder los van elkaarop de gedachte zouden zijn gekomen om COLUMBUS-materiaal aan te leveren als AMSTERDAM, maar heeft geoordeeld dat [eiser] dit (met het argument in plta h.b. 25, waar het hof in rov. 6.1 uitdrukkelijk op wijst) onvoldoende heeft toegelicht.
“Dat de raden stellen dat de kosten ver boven de 10 000 euro zullen liggen, daar kan ik mij niet in vinden.”. Deze (blote) stelling mocht het hof als onvoldoende onderbouwd passeren [15] . De motiveringsklacht
onder 4afaalt derhalve.
onder 4bfaalt.
onder 4bgeldt het volgende. De waardering van de relevante omstandigheden behoort tot het domein van de feitenrechter. In cassatie kan dit slecht beperkt – op begrijpelijkheid – worden getoetst.
“een hoog bedrag moet worden betaald voor een onderzoek dat geen zin meer heeft.”. Volgens het hof zou een morfologisch onderzoek overbodig zijn omdat de op de DNA-vergelijking gebaseerde bevinding in het Naktuinbouwrapport dat het onderzochte I-materiaal het ras AMSTERDAM betrof, voor juist moet worden gehouden (rov. 6.5 en 6.3). Onbegrijpelijk is dit oordeel bepaald niet. Waarom immers nog een (kostbaar) morfologisch onderzoek laten verrichten indien uit DNA-onderzoek (en het gegeven dat COLUMBUS een zaailing, dus een kruising, is met een afwijkend DNA-profiel) al duidelijk blijkt dat het om het ras AMSTERDAM gaat?
onder 4bfaalt zodoende eveneens.
lege artisis uitgevoerd, onomstotelijk blijkt dat het beslagen materiaal van het ras AMSTERDAM is. Dat wordt in cassatie tevergeefs bestreden, zo hebben we gezien. Het hof overweegt in rov. 9.1 dan “in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen” (daaromtrent), dat de enkele visuele inspectie door deskundigen (en niet van opgebloeide planten) onvoldoende gewicht in de schaal legt. Een typisch aan de feitenrechter voorbehouden oordeel, dat hier geenszins onbegrijpelijk voorkomt.
klacht 8faalt derhalve.