Conclusie
1.Feiten
market makeractief op de
European Option Exchangein Amsterdam (hierna ook: EOE of de Optiebeurs). Ter uitvoering van door haar verrichte transacties maakte zij gebruik van een
clearing bedrijf.
clearing bedrijf. ING hield 51,1% van de aandelen in Extra.
reversal posities(hierna ook wel:
reversals) in te nemen.
reversalin een bepaald aandeel verkoopt de
market makereen
putoptiein dat aandeel en koopt hij een
calloptiein datzelfde aandeel. Deze opties hebben dezelfde uitoefenprijs en dezelfde expiratiedatum. Ter dekking leent hij de desbetreffende aandelen en verkoopt hij deze. De opbrengst wordt geparkeerd op een rekening die rente genereert. De
market makerloopt aldus geen risico op het desbetreffende aandeel: hij is zowel tegen het risico van koersstijging als tegen het risico van koersdaling gedekt. Het rendement, dat afhankelijk is van de depositorente, het leentarief voor de te lenen aandelen en optiepremies, is bij het opzetten van de transactie bekend. Een
reversalkan ook worden opgezet met betrekking tot de beursindex. Het afdekken van een dergelijke
reversalgeschiedt door middel van de aankoop van een zogenaamd mandje, dat inhoudt alle tot de index behorende aandelen in verhouding tot hun gewicht in de beursindex, of zogenaamde
futures.
Het procesverloop
market makeractiviteiten nodig had. Cross Options stelt schade te hebben geleden, omdat zij door de tekortkoming van ING is beperkt en geschaad in de uitoefening van haar
market makersactiviteiten. [3]
reversal posities [4] heeft kunnen innemen en (b) zij haar marktaandeel niet heeft kunnen uitbreiden. Daarnaast heeft Cross Options (c) de handel in EOE-index posities moeten
hedgenmet
index futures(hierna ook: FTI) in plaats van goedkopere mandjes van leenaandelen. Verder heeft Cross Options (d) haar positie op de Frankfurter DTB-beurs en de Londense LTOM-beurs [5] niet kunnen opbouwen, omdat ING verzuimde aan Extra buitenlandse leenstukken ter beschikking te stellen. Bovendien heeft Cross Options (e) over de wel van Extra afgenomen leenstukken een te hoog tarief betaald. [6]
retailtarieven op de bestaande positie.
market makertot de Optiebeurs was toegelaten en dat de door haar bedoelde
market makersactiviteiten in de door het hof in zijn arrest van 10 februari 2005 bedoelde periode (zijnde: 1 april 1991 tot en met 31 december 1992) werden uitgeoefend door een viertal dochtermaatschappijen van Cross Options (hierna ook: de werkmaatschappijen), zodat niet duidelijk is of Cross Options als gevolg van de tekortkoming zelf schade heeft geleden. [8]
market makeroptrad. Die activiteiten werden door haar 100% dochters verricht. Cross Options stelt vervolgens bij repliek dat niet relevant is of Cross Options zelf als
market makeractief was, omdat de door Cross Options gemiste winst als gevolg van de tekortkoming van ING precies dezelfde is indien de activiteiten door haar dochters worden verricht. Bij pleidooi heeft Cross Options nog gesteld:
“Winsten die bij de dochters gerealiseerd hadden kunnen worden, spoelden immers aan bij de moeder”, waaraan zij toevoegt dat zij geen schadevergoeding vordert als aandeelhouder, maar als contractspartij van ING. [9]
“c. het ter beschikking stellen van voldoende leenstukken tegen concurrerende tarieven”.Het hof heeft hierover (rov. 3.8 t/m 3.10) overwogen dat uit de raamovereenkomst voortvloeide dat ING gehouden was voldoende leenstukken aan Extra ter beschikking te stellen om in de leenbehoefte van Cross Options te voorzien, dat ING in dat kader gehouden was het leendepot van NN aan Extra ter beschikking te stellen en dat ING dat niet (tijdig) heeft gedaan. Over de tarieven waartegen ING die leenstukken aan Extra ter beschikking had moeten stellen heeft het hof zich niet uitgelaten. Vervolgens heeft het hof ING veroordeeld de schade te vergoeden die Cross Options heeft geleden, omdat ING
“niet voldoende leenstukken ter beschikking heeft gesteld aan Extra”en de vorderingen van Cross Options voor het overige afgewezen. De rechtbank is aldus tot het oordeel gekomen dat de door het hof vastgestelde tekortkoming uitsluitend betrekking heeft op de hoeveelheid stukken die ING aan Extra ter beschikking diende te stellen en niet op het tarief waartegen zij dat diende te doen.
market makersbehaald hadden kunnen worden indien zij in de relevante periode over voldoende leenstukken zouden hebben beschikt.
31 december 1992 niet aan een specifieke vraag om leenstukken van één van de werkmaatschappijen heeft kunnen voldoen, laat staan dat dit het gevolg was van het feit dat ING op haar beurt onvoldoende leenstukken aan Extra ter beschikking had gesteld. Cross Options heeft ermee volstaan te stellen dat wel degelijk een tekort bestond aan leenstukken tegen een marktconforme prijs. Het in rekening te brengen tarief houdt echter geen verband met de door het hof vastgestelde tekortkoming van ING. Voor het overige wijst Cross Options op een schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] (destijds backoffice manager van Extra). De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat deze verklaring geen betrekking heeft op de relevante periode en dat die verklaring ook niets zegt over de vraag of door Extra vanaf 1 april 1991 al dan niet aan de leenbehoefte van de werkmaatschappijen kon worden voldaan, noch over de vraag of zulks aan ING was te wijten (rov. 4.7.).
reversalten onrechte uit van een leentarief van 1,5% in plaats van de door Extra daadwerkelijk in rekening gebrachte tarieven.
hedgenmet mandjes (steeds) goedkoper was dan het
hedgenmet
futures, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat dientengevolge daadwerkelijk enige schade is geleden. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat in de door Cross Options gemaakte berekeningen ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de transactiekosten, wederom wordt uitgegaan van het onjuiste leentarief van 1,5% en dat vast staat dat ook werd
gehedgedmet
futuresop momenten dat men wél kon beschikken over mandjes.
reversal positiesheeft kunnen innemen en haar marktaandeel niet heeft kunnen uitbreiden. Verder heeft zij haar positie op de Frankfurter DTB-beurs en de Londense LTOM-beurs niet kunnen opbouwen, omdat ING verzuimde aan Extra buitenlandse leenstukken ter beschikking te stellen. Daarnaast heeft zij de handel in EOE-index posities moeten
hedgenmet
index futuresin plaats van goedkopere mandjes met leenaandelen. Tot slot heeft zij over de wel van Extra geleende aandelen een te hoog tarief betaald (
retailtarief in plaats van
wholesaletarief). Zij schat haar schade op € 10.502.295,-, waarbij zij aantekent dat het in eerste aanleg gevorderde bedrag hoger was vanwege een rekenfout. [15]
market makersverdeeld, maar zij achtte het sowieso onwenselijk om de handelsactiviteiten in de holding te laten plaatsvinden. Zou één van de dochters bijvoorbeeld vanuit de optiebeurs met een belemmering worden geconfronteerd, omdat het eigen vermogen ontoereikend was voor voorgenomen transacties, dan konden de andere dochters verder handelen, terwijl het eigen vermogen van die ene dochter zou worden verhoogd. Alle winsten van de dochtermaatschappijen leverden één op één winsten op bij Cross Options als 100% aandeelhoudster. Winst is niet alleen wat Cross Options aan dividend ontvangt, zoals de rechtbank ten onrechte overweegt, maar ook de vergroting van de reserves van de dochters, waardoor immers de waarde van de dochters toeneemt, aldus Cross Options. [17]
market makerheeft gehandeld, maar dat zij daartoe vier werkmaatschappijen heeft opgericht waarvan zij alle aandelen houdt. Het hof is van oordeel dat Cross Options ten aanzien van haar vermogensrechtelijke positie niet kan worden vereenzelvigd met haar werkmaatschappijen. Cross Options dient daarom feiten en omstandigheden te stellen en, gezien de gemotiveerde betwisting van ING, te bewijzen waaruit het bestaan en de omvang van haar eigen schade blijkt. Dergelijke omstandigheden zijn volgens het hof niet gesteld of gebleken. Het hof overweegt:
in civilibusdie hier aan de orde is. De overweging van het hof luidt als volgt:
in civilibus,die hier aan de orde is. Evenmin heeft Cross Option[s] aan de hand van een inzichtelijke (en gangbare) methode becijferd dat en in hoeverre de waarde van haar deelnemingen in de werkmaatschappijen negatief is beïnvloed door de tekortkoming van ING. Daarbij had Cross Options haar, door ING gemotiveerd betwiste, stelling dat de werkmaatschappijen een positief eigen vermogen hadden, dienen te onderbouwen door middel van bijvoorbeeld overlegging van goedgekeurde jaarrekeningen, hetgeen zij heeft nagelaten. Hierbij tekent het hof aan dat uit de brief van de afdeling Compliance van de Optiebeurs van 14 januari 1993 aan Cross International IV B.V. (productie 16.9 bij conclusie van dupliek) volgt dat Cross International I B.V. per 31 december 1991 een negatief eigen vermogen had van fl. 4,4 miljoen, welke brief, waarop ING zich heeft beroepen, niet door Cross Options is weersproken. (…)”
3.Bespreking van de cassatieklachten
Market maker.De rol van de
market makeris het liquide houden van de handel in financiële instrumenten (hier: opties). Uit dien hoofde neemt de
market makerposities in opties en kent daaraan een bied- en laatprijs toe. Een belegger die van een
market makereen optie koopt, zal handelen tegen de hogere laatprijs en een belegger die aan de
market makereen optie verkoopt, zal handelen tegen de lagere biedprijs. Het verschil tussen de bied- en laatprijs is de vergoeding voor de inspanningen, risico’s en de liquiditeitskosten. [22]
Clearing.De afwikkeling van beurstransacties in aandelen vindt plaats door
clearing en settlement. Onder
clearingwordt verstaan het salderen van transacties en het overnemen van tegenpartijrisico door een clearingbedrijf.
Settlementhoudt in dat na een transactie, op basis van de door het clearingbedrijf gegeven settlementinstructies, de koopprijs daadwerkelijk wordt voldaan en de aandelen daadwerkelijk geleverd worden. [23]
Call-optie en put-optie.Een optie is het recht om een vastgesteld aantal onderliggende aandelen voor een bepaald tijdstip tegen een tevoren vastgestelde uitoefenprijs te kopen of te verkopen. Het recht om te kopen noemt men een
call-optie. De koper betaalt daarvoor een premie. Komen de koersen van de onderliggende aandelen inderdaad tot een peil dat hoger is dan de uitoefenprijs, dan kan de rechthebbende op de
call-optieop de afloopdatum de onderliggende aandelen verwerven tegen de tevoren bepaalde prijs, hoewel de beurswaarde hoger is. Het recht om te verkopen noemt men een
put-optie.Tot de afloopdatum kan de rechthebbende de onderliggende aandelen verkopen tegen de tevoren vastgestelde prijs. Hij hoeft daartoe de aandelen niet te bezitten: hij kan ze ter beurze kopen en wel, als zijn verwachting is uitgekomen, tegen een lager bedrag dan de uitoefenprijs van de opties. [24]
Future.Een
financial futureis een op een termijnbeurs verhandelbaar gestandaardiseerd contract inzake de koop of de verkoop van financiële waarden met levering of afwikkeling op termijn. De prijs van de
financial futurestaat niet vast. Die komt op de beurs door vraag en aanbod tot stand. De koper en de verkoper spreken bij het afsluiten van een
financial futureeen prijs af waartegen de onderliggende waarde van het contract te zijner tijd in principe zal worden geleverd of
cash settlementzal plaatsvinden. [25]
Hedgenis het (geheel of gedeeltelijk) afdekken van een financieel risico (zoals een koers- of renterisico) door het aangaan van een andere positie. [26]
Reversalis een positie bestaande uit een
short positiein de onderliggende waarde (het verkopen van aandelen zonder daarover daadwerkelijk te beschikken) tezamen met
call-optiesen
put-optiesop een corresponderende hoeveelheid onderliggende waarde met dezelfde looptijd en uitoefenprijs. De
call-optieen de
put-optiebootsen feitelijk een termijncontract (een contract dat recht geeft op levering van de onderliggende waarde op een overeengekomen tijdstip) na, dat staat tegenover de
short positiein de onderliggende waarde, waardoor het koersrisico is afgedekt. [27] In de onderhavige zaak was beoogd de
short positiete creëren door overdracht van geleende aandelen. [28]
NJ1995, 288 en HR 16 februari 2007, nr. C05/173,
NJ2007, 256 (rov. 3.3 onder (c)). Evenmin heeft het hof miskend dat aan vergoeding van dergelijke schade niet in de weg staat dat die schade voor de vennootschappen ‘definitief’ is geworden op de grond dat een vordering van de vennootschappen tot vergoeding van die schade in rechte is afgewezen en de vennootschappen daarin berust hebben.”
market makeroptrad en dat die activiteiten door haar (vier) dochtermaatschappijen werden verricht (arrest, rov. 3.4.). Dit betekent dat zich de situatie voordoet dat de schade in eerste instantie valt bij andere rechtspersonen (hier: de dochters) dan de contractspartij (hier: Cross Options).
bypassten gunste van de moeder.
Onderdeel 1richt zich in de kern tegen de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 3.4. dat Cross Options onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en bewezen waaruit het bestaan en de omvang van haar eigen schade blijkt.
zou hebben gedaanbij contractconforme beschikbaarstelling van het leendepot. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het hof volgens Cross Options ten onrechte nagelaten te responderen op deze essentiële stelling en is naar haar mening onbegrijpelijk het oordeel dat Cross Options geen schade heeft geleden door de vaststaande wanprestatie van ING.
market makerrelevant is voor zijn positie op de markt en de ontwikkeling van zijn marktaandeel. Verder heeft ING in haar memorie van antwoord expliciet bestreden dat transactiewinst rechtstreeks zou doorwerken in de waarde van de onderneming. ING stelt daartoe het volgende:
eigenschade had willen vorderen, had zij dat moeten stellen. En dan had zij vooral ook feiten moeten stellen die de rechtbank en uw hof in staat hadden kunnen stellen te beoordelen of zij inderdaad eigen schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Dat zou immers bepaald niet vanzelfsprekend zijn geweest.
sub-subonderdeel 1.2.2heeft ING niet gesteld dat geen sprake zou zijn geweest van een waardevermeerdering bij contractsconforme beschikbaarstelling van de leenstukken, omdat er in de dochters per saldo toch geen winst zou zijn behaald. Voor zover het hof – mede gelet op rov. 3.4., p. 4 (“Het resultaat van [..]”) – heeft geoordeeld dat Cross Options nader had moeten onderbouwen dat de winstgevende transacties ook tot positieve resultaten van de dochters hadden geleid, is volgens het sub-subonderdeel sprake van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van ING en/of een aanvulling van de feitelijke gronden van het verweer van ING in strijd met art. 24 jo Pro. 149 Rv.
reversalswinstgevend zouden zijn geweest, gemotiveerd te stellen dat die winstgevende transacties niet tot positieve resultaten zouden hebben geleid en dat de door Cross Options geleden schade beïnvloed werd door omstandigheden aan de zijde van de werkmaatschappijen. Volgens Cross Options geldt voorts (ii) dat dit geval erdoor wordt gekenmerkt dat de wanprestatie van ING jegens Cross Options in de eerste plaats aangrijpt bij de dochtervennootschappen die zelf geen schadevergoeding kunnen vorderen, waardoor de door het Cross-concern geleden schade ten onrechte onvergoed zou blijven vanwege een gebruikelijke, en destijds voor ING kenbare, onderbrenging van de
market makersactiviteiten in de dochtervennootschappen.
Sub-subonderdeel 1.2.4 (2) onder (i)treft naar mijn mening om die reden geen doel.
allevier de dochtermaatschappijen over een negatief eigen vermogen beschikten. Het gaat hier om de volgende vier stellingen, die op hun beurt weer in verschillende gedeeltes (sub-stellingen) uiteenvallen:
compliancerichtlijnen niet meer zou hebben kunnen handelen, dat alle werkmaatschappijen nog steeds bestaan en actief zijn, geen ervan haar bedrijf ooit heeft hoeven stilleggen en nooit alle vier de werkmaatschappijen tegelijkertijd met handelsrestricties te maken hebben gehad [55] alsmede (ii) dat in de periode dat Cross Options door toedoen van ING in moeilijkheden verkeerde [betrokkene 5] (de vader van de huidige directeuren van Cross Options [56] ) fl. 5 miljoen vermogen heeft ingebracht en nog aanmerkelijk meer had kunnen inbrengen (hetgeen door de overstap naar Labouchere uiteindelijk niet nodig was); [57]
market makersgevolgde) legitieme strategie om scherp aan de wind te varen en tekorten te suppleren wanneer zij ontstonden en dat alle tekorten steeds binnen 10 dagen werden hersteld; [58]
market makersscherp aan de wind varen en dat tekorten binnen 10 dagen werden hersteld. Deze stellingen over de gebruikelijke gang van zaken bij de dochters zijn echter niet van belang voor de beantwoording van de vraag of Cross Options eigen schade heeft geleden. Uit de stellingen volgt immers niet dat de dochterbedrijven over een zodanig eigen vermogen beschikten dat de transactiewinst zou leiden tot dividenduitkeringen of een vergroting van reserves.
sub-subonderdeel 1.2.4 (2)onder (ii) mijns inziens tevergeefs wordt verdedigd dat het hof de daar bedoelde essentiële stellingen zou hebben gepasseerd.
sub-subonderdeel 1.2.4 (2)onder (iii) komt mij daarom ongegrond voor.
sub-subonderdeel 1.2.4 (2)geen doel treft.
subonderdeel 1.3komt Cross Options op tegen het oordeel dat er geen plaats is voor de aangeboden bewijslevering. Zij wijst erop dat zij in hoger beroep specifiek getuigenbewijs heeft aangeboden van haar stelling dat de werkmaatschappijen steeds over voldoende eigen vermogen zijn blijven beschikken en een positief eigen vermogen hadden en dat zij, in het verlengde van het getuigenbewijsaanbod bij memorie van grieven en in eerste aanleg, bij pleidooi in appel expliciet heeft aangeboden de beide [betrokkene 6 en 7] [62] en accountant [betrokkene 8] hierover als getuigen te horen. [63] Cross Options meent dat het hof dit specifieke getuigenbewijsaanbod van een centrale stelling in het betoog ten onrechte heeft gepasseerd. Voor zover dat oordeel berust op het ontbreken van goedgekeurde jaarrekeningen zou het hof hebben miskend dat voor toelating tot getuigenbewijslevering niet de eis mag worden gesteld dat reeds een begin van bewijs is geleverd. In ieder geval had het hof volgens Cross Options moeten verifiëren of er nog (goedgekeurde) jaarrekeningen beschikbaar waren over 1991-1992 alvorens het bewijsaanbod te passeren. Verder acht Cross Options het passeren van het bewijsaanbod onbegrijpelijk. Het hof heeft namelijk niet vastgesteld dat de in het getuigenbewijsaanbod genoemde personen niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over het eigen vermogen van de dochtervennootschappen van Cross Options. Voor zover het oordeel berust op de overweging dat Cross Options onvoldoende heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten, kan het oordeel volgens Cross Options bovendien reeds niet in stand blijven indien één of meer van de klachten van subonderdelen 1.1 en 1.2 slagen.
centrale klachtis dat het hof met dat oordeel miskent dat Cross Options in de gegeven omstandigheden voor de toepassing van de norm van art. 6:95 en Pro 6:97 BW met haar dochtervennootschappen kan en moet worden vereenzelvigd althans dat bij de begroting van de door Cross Options geleden schade in redelijkheid dient te worden uitgegaan van het geconsolideerde vermogen van Cross Options en haar dochtervennootschappen waarin de
market makeractiviteiten waren ondergebracht. Cross Options meent dat het hof de gronden van de reactie van Cross Options op het verweer van ING dat zij geen schade heeft geleden, zo nodig ambtshalve op de voet van art. 25 Rv Pro, in die zin had moeten aanvullen. Cross Options werkt die klacht in subonderdelen 2.1 en 2.2 verder uit.
subonderdeel 2.1refereert Cross Options aan haar stellingen dat zij - gelet op de grote mate van organisatorische, financiële en operationele verwevenheid -feitelijk één onderneming met haar dochtervennootschappen was, dat Cross Options de enige bestuurder en aandeelhouder van deze vier vennootschappen was, dat zij met die vennootschappen een fiscale eenheid vormde, dat Cross Options ervoor heeft gekozen om de transacties met betrekking tot het depot niet via haarzelf te laten lopen, maar via vier dochtermaatschappijen en dat dit telkens met medeweten en instemming van ING is gebeurd. [65] Cross Options voert in dat verband het volgende aan. Om het toezichtrisico te verkleinen heeft Cross Options, net als vrijwel alle andere marktpartijen, ervoor gekozen om haar
market makeractiviteiten via haar vier dochtervennootschappen te laten lopen. Het was gebruikelijk dat
market makershun activiteiten verrichtten met een minimum aan kapitaal. Dat kon leiden tot optreden vanuit de Optiebeurs indien deze van oordeel was dat het werkkapitaal ontoereikend was. Vanwege prikkels om scherp aan de wind te varen, heeft Cross Options in 1991 haar activiteiten over vier dochtermaatschappijen verdeeld. Indien één van deze dochtervennootschappen vanuit de Optiebeurs met belemmeringen zou worden geconfronteerd, bijvoorbeeld omdat het eigen vermogen ontoereikend was, konden de andere dochters doorhandelen, terwijl het eigen vermogen van die ene dochter werd verhoogd. Cross Options heeft tot slot gewezen op haar stellingen dat zij de transacties niet via haar dochters zou hebben laten lopen indien dat voor haar aandeelhouders onvoordeliger was geweest dan wanneer zij het zelf zou hebben gedaan, dat Cross Options deze structuur niet zou hebben opgezet indien ING geen leenstukken aan haar dochters zou hebben willen leveren en dat de transacties via de dochters van Cross Options dan ook zijn gedaan met instemming en medeweten van ING. [66] Tegen die achtergrond, die volgens het subonderdeel in cassatie ten minste veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dient, acht Cross Options onjuist of onbegrijpelijk dat zij bij de begroting van de schade niet met haar dochterbedrijven is vereenzelvigd.
subonderdeel 2.2voegt Cross Options daaraan toe dat het niet ‘vereenzelvigen’ bij de begroting van de schade tot het onredelijke resultaat leidt dat ING profiteert van de wijze waarop Cross Options haar activiteiten heeft gestructureerd. Volgens Cross Options zou in de redenering van het hof alleen schade voor vergoeding in aanmerking komen voor zover de
reversalsook tot reserves in een positief eigen vermogen van de dochtervennootschappen hadden geleid. Daardoor zou – bij gebreke van een positief eigen vermogen en/of voor uitkering vatbare reserves – volgens Cross Options schade onvergoed blijven als gevolg van omstandigheden die ING als laedens niet regarderen. Cross Options betoogt dat ‘vereenzelviging’ respectievelijk ‘geconsolideerde schadebegroting’ niet tot gevolg heeft dat in concernverband zou kunnen worden geschoven met een schadevergoedingsvordering, omdat de normschending alleen jegens Cross Options als moedervennootschap is begaan en dus ook alleen Cross Options schadevergoeding van ING kan vorderen. Cross Options heeft er tot slot op gewezen dat het in de praktijk met grote regelmaat voorkomt dat contractuele afspraken op holdingniveau of elders in de groep worden gemaakt, terwijl de activiteiten worden verricht door andere groepsmaatschappijen en daar tot schade leiden, zonder dat deze groepsmaatschappijen zelf schadevergoeding kunnen vorderen van de laedens.
subonderdeel 2.1heeft zij – onder verwijzing naar het hiervoor besproken arrest van het hof Arnhem – aangevoerd dat sprake is van een grote mate van organisatorische, financiële en operationele verwevenheid met haar dochterbedrijven. Zij heeft in dat verband onder meer gewezen op haar stellingen (i) dat de verdeling van haar activiteiten over de vier dochterbedrijven was bedoeld om het toezichtrisico te verkleinen, (ii) dat zij haar activiteiten over vier dochtervennootschappen had verdeeld vanwege prikkels om scherp aan de wind te varen, (iii) dat het gebruikelijk was dat
market makershun activiteiten verrichtten met een minimum aan kapitaal en (iv) dat wanneer één van de dochters vanuit de Optiebeurs met belemmeringen zou worden geconfronteerd de andere dochters konden doorhandelen. Rov. 3.3. bevat een vergelijkbare weergave van de stellingen van Cross Options. Deze stellingen houden in dat Cross Options er welbewust voor heeft gekozen om de activiteiten vanuit vier dochterondernemingen met een afgescheiden vermogen te verrichten. In een dergelijke situatie, waarin bewust is gekozen voor een vermogensrechtelijk onderscheid, omdat men dit bij de handelsactiviteiten opportuun acht en/of daarvan voordelen verwacht, ligt het niet voor de hand om van dat onderscheid te abstraheren als dat in de praktijk toch nadelig uitpakt. Voor het aanvaarden van vereenzelviging geven de genoemde stellingen mijns inziens dan ook geen aanleiding.
in civilibus. De stelling dat de transacties steeds met medeweten en instemming van ING in de dochtervennootschappen zijn uitgevoerd, laat onverlet dat hier sprake was van een welbewuste vermogensrechtelijke afscheiding (hiervoor 3.53). Datzelfde geldt voor de verwijzing van Cross Options naar haar stellingen dat zij de transacties niet via haar dochters zou hebben laten lopen indien dat voor haar aandeelhouders onvoordeliger was geweest dan wanneer zij het zelf zou hebben gedaan en dat Cross Options deze structuur niet zou hebben opgezet indien ING geen leenstukken aan haar dochters zou hebben willen leveren. Mede tegen de achtergrond van het hiervoor (3.49-3.50) beschreven – tot terughoudendheid nopende – toetsingskader behoefde het hof op grond van die omstandigheden niet tot het oordeel te komen dat er grond is voor vereenzelviging of voor het consolideren van de vermogensposities voor wat betreft de begroting van de geleden schade.
subonderdeel 2.2betoogt Cross Options in de kern het volgende. In de redenering van het hof zou alleen schade voor vergoeding in aanmerking komen voor zover de
reversalsook tot reserves in een positief eigen vermogen van de dochtervennootschappen hadden geleid. Daardoor zou – bij gebreke van een positief eigen vermogen en/of voor uitkering vatbare reserves – volgens Cross Options schade onvergoed blijven als gevolg van omstandigheden die ING als laedens niet regarderen. Ook dit betoog treft geen doel. In de hier gekozen constellatie komt Cross Options een vordering uit wanprestatie voor haar eigen schade toe. Dit betekent echter – anders dan Cross Options stelt (hiervoor 3.47) – niet dat de dochtervennootschappen geen schadevergoeding van de laedens kunnen vorderen. De dochtermaatschappijen kunnen hun schade op grond van onrechtmatige daad proberen te verhalen, waarbij de schade dan bestaat uit de winst die zij hadden kunnen behalen als ING zich hun belang voldoende zou hebben aangetrokken door de raamovereenkomst correct na te komen. Dit onderscheid is mede terug te voeren op de inrichting van het raamcontract. Zouden de dochtervennootschappen partij zijn geweest bij die overeenkomst
- of zou deze een derdenbeding als bedoeld in art. 6:253 BW Pro bevatten - dan hadden zij eveneens uit hoofde van wanprestatie kunnen ageren. Het betoog van Cross Options vindt hierin zijn weerlegging.
Subonderdeel 2.2faalt dus.
voortbouwende klachtdat bij het slagen van onderdelen 1 of 2 ook het oordeel in rov. 3.4. dat niet wordt toegekomen aan de vraag of er behoefte is aan deskundige voorlichting, niet in stand kan blijven. Deze klacht heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige klachten.