Uitspraak
zetelende te ’s-Gravenhage,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering van de Staat der Nederlanden tot het verkrijgen van gegevens en inlichtingen van [verweerster] over buitenlandse bankrekeningen bij KB-Lux en andere banken, onder dwangsom. Het hof Amsterdam had [verweerster] veroordeeld tot het verstrekken van deze gegevens met een restrictie dat deze alleen voor belastingheffing mogen worden gebruikt, en kwalificeerde de gevorderde bankafschriften als wilsafhankelijk materiaal.
De Hoge Raad herhaalt het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal zoals geformuleerd in eerdere arresten, waaronder HR 12 juli 2013 en het EHRM-arrest Saunders. Dit onderscheid is van belang voor de toepassing van het nemo tenetur-beginsel en de bescherming onder artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de kwalificatie van het materiaal heeft verbonden aan de vraag of het materiaal zonder medewerking van de betrokkene kan worden verkregen. Dit maakt het onderscheid zinledig, omdat afgifte van bescheiden altijd medewerking vereist. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.
De Hoge Raad bevestigt dat in kort geding de Staat aannemelijk moet maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige hierover beschikt of het redelijkerwijs kan verkrijgen. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat het gebruik van wilsafhankelijk materiaal aan restricties is gebonden en dat de sanctierechter hierover uiteindelijk oordeelt.
Tot slot veroordeelt de Hoge Raad [verweerster] in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag.