Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in feitelijke instanties
4. Beoordeling van het geschil
Schending verdedigingsbeginsel
Verleggingsregeling
4.Het geding in cassatie
eerste klacht). Ik begrijp deze klacht aldus dat de nationale wetgever niet binnen de reikwijdte van de oorspronkelijke machtiging van de Europese Raad [11] is gebleven door de eigenbouwer gelijk te stellen met een aannemer. Dit standpunt van belanghebbende brengt mee dat artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB in casu niet van toepassing is en de onderaannemers terecht omzetbelasting in rekening hebben gebracht, die bij belanghebbende aftrekbaar is. De Inspecteur heeft in dat geval ten onrechte de aftrek van voorbelasting bij belanghebbende geweigerd. Belanghebbende schrijft het volgende in haar cassatieberoepschrift:
tweede klacht). Als ik belanghebbende goed begrijp, voert zij aan dat zonder deze schending het besluitvormingsproces van de Inspecteur een andere afloop had kunnen hebben. Belanghebbende schrijft het volgende in haar cassatieberoepschrift, waarbij zij verwijst naar de desbetreffende punten in de hofuitspraak:
5.Schending van het verdedigingsbeginsel
Sopropé [16] oordeelt het HvJ dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging (kortweg: het verdedigingsbeginsel) een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht (thans: Unierecht) vormt dat van toepassing is wanneer de administratie, in het onderhavige geval de Inspecteur, voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon (de belanghebbende) vast te stellen (punt 36). Ik verwijs in dit verband ook naar punt 28 van
Kamino International Logistics BV en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV [17] (Kamino en Datema), waar het HvJ overweegt dat het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt van dit beginsel.
Sopropé). Met dergelijke ‘elementen’ wordt bedoeld: de gronden van het betrokken besluit. De adressaten dienen over een toereikende termijn te beschikken om te kunnen reageren.
Wat de termijnen voor de uitoefening van de rechten van de verdediging betreft, oordeelt het HvJ dat deze, wanneer zij niet door het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, door het nationale recht worden bepaald, met dien verstande dat zij even lang moeten zijn als die waarover particulieren of ondernemingen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties beschikken en de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.De verplichting om de rechten van de verdediging te eerbiedigen rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen (punt 38 van
Sopropé). De onderhavige naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op de Wet OB, die uitvoering geeft aan de Zesde richtlijn (thans: Btw-richtlijn). Derhalve valt, zo heeft het Hof terecht beslist, het opleggen van de naheffingsaanslagen binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht en dient de Inspecteur de rechten van verdediging van belanghebbende te eerbiedigen. [18]
HR BNB 2015/187 [19] oordeelt de Hoge Raad dat (een vermoeden van) frauduleus handelen niet ertoe kan leiden dat een belanghebbende geen beroep meer kan doen op het verdedigingsbeginsel (cursivering van mijn hand):
Dit is niet anders indien naderhand rechtens komt vast te staan dat een belanghebbende frauduleus heeft gehandeld. Het is buiten redelijke twijfel dat het ontzeggen van dit recht aan een van fraude verdachte belanghebbende de wezenlijke inhoud van dit recht niet zou eerbiedigen.Het andersluidende oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Middel 2 slaagt derhalve.
Sopropéoordeelt het HvJ dat het doel van het verdedigingsbeginsel is de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen en dat dit impliceert dat met de nodige aandacht kennis wordt genomen van de opmerkingen van de betrokken persoon of onderneming. Het HvJ overweegt onder meer het volgende:
Kamino en Datemavolgt dat het vaststellen van een naheffingsaanslag zonder dat de adressaat voorafgaand is gehoord een beperking inhoudt van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en dus van het recht om te worden gehoord. Dit grondrecht heeft echter geen absolute gelding en kan beperkingen bevatten mits die beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet is te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. [20]
HR BNB 2015/187oordeelt de Hoge Raad dat de gronden die toepassing van artikel 10 van Pro de Invorderingswet 1990 rechtvaardigen, moeten worden beschouwd als gronden die een beperking rechtvaardigen van het recht vooraf te worden gehoord:
HR BNB 2015/207 [21] oordeelt de Hoge Raad in meer algemene zin dat het niet vooraf horen van een op de voet van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gestelde bestuurder niet wordt gerechtvaardigd “door – kort gezegd – het in het algemeen bestaande belang van de ontvanger bij invordering van een belastingschuld. Een en ander moet worden gerechtvaardigd door omstandigheden die in het individuele geval daartoe noopten”, aldus de Hoge Raad. Het is in dit geval aan de ontvanger de omstandigheden aan te voeren die kunnen rechtvaardigen waarom hij de betrokken bestuurder niet van te voren in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot aansprakelijkstelling. De beoordeling of het niet vooraf horen kan worden gerechtvaardigd moet aldus plaatsvinden met inachtneming van de concrete feiten en omstandigheden van het individuele geval. Het algemene heffingsbelang kan op zichzelf geen rechtvaardiging zijn voor de beperking van het recht om vooraf te worden gehoord.
HR BNB 2015/187een van de gronden die een beperking van het recht vooraf te worden gehoord kunnen rechtvaardigen. De inspecteur moet dan feiten en omstandigheden aannemelijk maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van gegronde vrees voor verduistering. Het Hof oordeelt dat hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd onvoldoende is om te rechtvaardigen dat belanghebbende niet eerder is gehoord dan in de bezwaarfase. De vrees voor verduistering van vermogensbestanddelen kan naar het oordeel van het Hof onder omstandigheden een rechtvaardiging zijn voor het afzien van vooraf horen maar in het onderhavige geval is volgens het Hof niet duidelijk geworden welke aanwijzingen de Inspecteur in april 2007 had die ertoe leidden dat de naheffingsaanslag op 6 april 2007 wel kon worden aangekondigd, maar belanghebbende geen reactietermijn kon worden gegeven. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de controle al in november 2006 was aangevangen en reeds voor aanzienlijke bedragen beslag was gelegd. Ik lees dit oordeel van het Hof aldus dat de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot de conclusie leiden dat gegronde vrees bestond voor verduistering van vermogensbestanddelen door belanghebbende, mede gelet op het beslag dat reeds was gelegd. Betreffende de noodzakelijkheid tot het binnen afzienbare tijd formaliseren van de naheffingsaanslag oordeelt het Hof dat deze omstandigheid al bekend was op het moment dat de voorzieningenrechter toestemming gaf voor de beslagleggingen en op zichzelf bezien derhalve geen rechtvaardiging voor het niet horen van belanghebbende is. Het Hof concludeert dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Dit oordeel getuigt mijns inziens van een juiste rechtsopvatting en is voor het overige sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard.
Kamino en Datemavolgt dat een schending van het verdedigingsbeginsel pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Ik verwijs ook naar punt 2.3.2 van de eindarresten van de Hoge Raad in die zaken [22] . Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat van een belanghebbende niet kan worden verlangd aan te tonen dat het betreffende besluit anders zou hebben geluid, maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten aangezien de belanghebbende zich zonder de procedurele onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen. [23] Uit de nadien verschenen rechtspraak van de Hoge Raad [24] volgt ook dat niet is vereist dat de belastingadministratie zonder de schending zou hebben afgezien van het vaststellen van één of meer naheffingsaanslagen of dat zij deze op een lager bedrag zou hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat degene tot wie de naheffingsaanslag is gericht, zonder de schending een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de naheffingsaanslag van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.
Kamino en Datemaen het naderhand door de Hoge Raad gewezen arrest
HR BNB 2015/207 [25] .Het Hof oordeelt vervolgens in punt 4.11 van zijn uitspraak dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. De aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de procedure zonder de schending een andere afloop had kunnen hebben. Belanghebbende heeft zich volgens het Hof niet op specifieke concrete feitelijke omstandigheden beroepen, maar meer op algemeenheden zoals op het verharden van de standpunten van partijen en de in de visie van belanghebbende ontstane ‘loopgravenoorlog’ die door het horen vooraf had kunnen worden voorkomen. Zonder de beslagleggingen en de naheffingsaanslag zou de Inspecteur zich – aldus belanghebbende – redelijker hebben opgesteld en zouden niet alle keuzen in het nadeel van belanghebbende zijn uitgevallen. Uit de nadere motivering van het hogerberoepschrift van 16 augustus 2011 maak ik op dat belanghebbende heeft gesteld dat indien wel deugdelijk was gehoord in februari 2007 niet een in de ogen van belanghebbende “idiote conservatoire beslaglegging” tot stand was gekomen. Ook waren de desbetreffende enorme aanslagen dan niet tot stand gekomen, aldus belanghebbende.
HR BNB 2015/207, de zaak die het Hof ook noemt. In die zaak heeft de ontvanger van de Belastingdienst de desbetreffende belanghebbende als bestuurder aansprakelijk gesteld voor onder meer een tweetal naheffingsaanslagen omzetbelasting die aan de vennootschap waarvan hij bestuurder was zijn opgelegd. De belanghebbende is niet voorafgaand aan het opleggen van de aansprakelijkheidsbeschikking, maar pas tijdens de bezwaarfase gehoord. De Hoge Raad constateert dat de ontvanger bedragen aan omzetbelasting bij uitspraak op bezwaar heeft laten vallen respectievelijk heeft verminderd, maar ook heeft gehandhaafd. Het is volgens de Hoge Raad aan het verwijzingshof te beoordelen of de inbreng van belanghebbende tot een andere afloop had kunnen leiden en zo ja, in hoeverre. Alsdan dient volgens de Hoge Raad de aansprakelijkstelling ook voor dat bedrag aan omzetbelasting ongedaan te worden gemaakt. De Hoge Raad oordeelt:
HR BNB 2016/208 [28] lijkt de Hoge Raad nog een stap verder te gaan door te oordelen dat reeds op de grond dat de inspecteur in de bezwaarfase de desbetreffende belanghebbende een schikkingsvoorstel heeft aangeboden, kan worden geconcludeerd dat niet is uitgesloten dat bij een juiste vooraankondiging van de uitnodiging tot betaling (het betreft een douanezaak) het besluitvormingsproces van de inspecteur tot een andere afloop had kunnen leiden. Hij overweegt:
HR BNB 2016/208en het hiervoor aangehaalde recente arrest van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid dat reeds op die grond niet kan worden uitgesloten dat bij het vooraf horen belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de naheffingsaanslagen van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Sterker nog, de Inspecteur heeft naderhand aanleiding gezien de naheffingsaanslag te verminderen. Uit
HR BNB 2015/207maak ik echter op dat de Hoge Raad niet zo ver heeft willen gaan dat het gehele bestreden besluit (in casu de gehele naheffingsaanslag) wordt vernietigd, indien het geschil zich slechts beperkt tot een deel van dat bestreden besluit. De Hoge Raad laat het in die zaak namelijk aan de verwijzende rechter te beoordelen of en zo ja, in hoeverre de inbreng van belanghebbende tot een andere afloop had kunnen leiden. Alsdan dient volgens de Hoge Raad het bestreden besluit (in
HR BNB 2015/207de aansprakelijkstelling) voor dat bedrag aan omzetbelasting ongedaan te worden gemaakt.
Foshan [34] gaat het om een geschil over de vaststelling van een verordening, waarbij een definitief antidumpingrecht op de invoer van door de belanghebbende geproduceerde strijkplanken uit China werd ingesteld. Doordat de Europese Commissie de in artikel 20, lid 5 van de zogenoemde basisverordening 384/96 [35] voorziene uiterste reactietermijn niet in acht had genomen, was sprake van een schending van het verdedigingsbeginsel. Over de gevolgen van die schending oordeelt het HvJ uiteindelijk het volgende (cursivering van mijn hand):
voor zoverdaarbij een antidumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van door rekwirante geproduceerde strijkplanken.”
voor zoverdaarbij een antidumpingrecht op de invoer van door Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co. Ltd. geproduceerde strijkplanken wordt ingesteld.”
HR BNB 2015/186oordeelt de Hoge Raad dat wanneer tussen de inspecteur en de betreffende belanghebbende
nimmerverschil van mening heeft bestaan over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan, het besluitvormingsproces
niettot een andere afloop had kunnen leiden. De Hoge Raad verwoordt het als volgt:
is onder meer van belang of verweermogelijkheden in de vorm van juridische stellingen dan wel (nieuwe) bewijsmiddelen, waarvan niet is uitgesloten dat deze een andere afloop konden bewerkstelligen, niet konden worden benut(vgl. HR 9 oktober 2015, nr. 13/01275, ECLI:NL:HR:2015:2989, BNB 2015/227, rechtsoverweging 2.3.3, en HR 16 september 2016, nr. 15/01894, ECLI:NL:HR:2016:2077, BNB 2016/208, rechtsoverweging 4.3).
In dit verband kan ook van belang zijn of een belanghebbende, niet zonder redelijke grond, had kunnen aanvoeren dat de inspecteur de feiten op een andere wijze had moeten waarderen en interpreteren, zodat hij niet tot het genomen besluit had kunnen komen.Het gegeven dat de inspecteur een niet voor meerderlei uitleg vatbaar juridisch standpunt heeft, in dit geval het standpunt dat ingevolge artikel 29, lid 3, letter a, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) alle betalingen die een koper doet of heeft gedaan als voorwaarde voor de verkoop tot de douanewaarde behoren, neemt immers niet weg dat de waardering en de interpretatie van de door de inspecteur gestelde feiten zich kunnen lenen voor een discussie over het antwoord op de vraag of dat standpunt moet leiden tot de door de inspecteur gestelde gevolgen. Deze toetsing heeft het Hof niet uitgevoerd. De uitspraak van het Hof getuigt om die reden van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.”
HR BNB 2015/227 [38] van belang. In die zaak oordeelt de Hoge Raad dat indien een inbreng van de belanghebbende een juridische stelling betreft, beoordeeld moet worden of deze stelling zodanig hout snijdt dat deze tot een andere afloop had kunnen leiden. De overwegingen van de Hoge Raad luiden als volgt (cursivering CE):
Met betrekking tot dit laatste heeft te gelden dat indien een inbreng een juridische stelling betreft beoordeeld dient te worden of deze stelling zodanig hout snijdt dat deze tot een andere afloop had kunnen leiden.”
UTB’s voor het antidumpingrecht en het douanerecht betreffende aangifte [aangiftenummer]
HR BNB 2015/227nog niet uitgelaten. Tegen de uitspraak van hof Amsterdam na verwijzing in die zaak is geen cassatie ingesteld. De onderhavige zaak vraagt om verduidelijking op dit punt. Blijkens de rechtspraak van het HvJ zijn de gevolgen van een schending van het verdedigingsbeginsel in principe een aangelegenheid van nationaal recht. [41] De beoordeling wanneer zonder de schending het besluitvormingsproces een andere afloop had kunnen hebben is derhalve een aangelegenheid van nationaal recht. In dit geval is het dus aan de Hoge Raad te verduidelijken wanneer een juridische stelling zodanig hout snijdt dat de inbreng ervan tot een andere afloop had kunnen leiden. Naar mijn mening zou een pleitbaar standpunt voldoende moeten zijn voor het oordeel dat het besluitvormingsproces zonder de schending een andere afloop had kunnen hebben.
tweede klachtvan belanghebbende slaagt derhalve. Ik geef de Hoge Raad in overweging te oordelen dat belanghebbendes standpunt over de eigenbouwer pleitbaar is en voorts dat een dergelijk standpunt voldoende is voor het oordeel dat een juridische stelling zodanig hout snijdt dat de inbreng ervan tot een andere afloop had kunnen leiden. Verwijzing moet dan volgen. Het verwijzingshof zal moeten beoordelen in hoeverre de in geschil zijnde naheffingsaanslag ziet op belanghebbendes optreden als eigenbouwer. Uit de punten 4.38 en 4.39 van de hofuitspraak maak ik op dat bij het Hof niet duidelijk is geworden in welke hoedanigheid belanghebbende bij de panden die zij in ‘eigen beheer’ heeft opgeknapt is opgetreden. Om te kunnen bepalen of en in hoeverre de naheffingsaanslag bij een schending van het verdedigingsbeginsel dient te worden verminderd, zal het Hof derhalve eerst nader moeten onderzoeken of, en zo ja, voor welke leveringen en/of diensten van de onderaannemers belanghebbende is opgetreden als eigenbouwer. De bewijslast terzake rust naar mijn mening op belanghebbende.
6.Reikwijdte van de machtiging bij de toepassing van de verleggingsregeling
eerste klacht.