Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
Artikel 23Creditering onder voorbehoud
SNS Securities-arrest [9] , een zaak die vervolgens is afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro, heeft A-G Wuisman het volgende verwoord over bankenzorgplicht, dat ik met instemming hier weergeef:
ING/[...] [10] over opzegging van een kredietrelatie, waarin duidelijk is gemaakt dat de bancaire zorgplicht ook in acht valt te nemen jegens zakelijke klanten van de bank, volgt geen andere juridische toets voor schending van deze verplichting. De contractuele bevoegdheid om een boete te bedingen werd daar tegen het licht gehouden van de omstandigheden bestaande uit het niet specifiek waarschuwen voor de kwantitatieve financiële gevolgen van de beëindiging, indien, zoals daar gebeurde, de cliënt de opgezegde kredieten vroegtijdig afloste. Een feitelijke toets dus. De aan te leggen toets stond daar net als in onze zaak in de sleutel van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid en daarbij dient inderdaad de zorgplicht van de bank op grond van (het equivalent van) art. 2 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden mede in aanmerking te worden genomen, aldus rov. 3.5.4 uit
ING/[...]. Dat betekent naar ik meen evenwel niet dat het zo-even in 2.7 geciteerde uitgangspunt verwoord door A-G Wuisman in diens conclusie voor het
SNS Securities-arrest niet langer zou gelden. Ook plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense verwees met instemming naar de maatstaf in haar conclusie voor het
ING/[...]-arrest onder 17. Iets anders is dat door het hof in de
ING-[...]-zaak wel – en in die zin anders dan het hof deed in onze zaak – werd gekomen tot schending van de aan art. 2 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden te ontlenen zorgplicht, omdat de betreffende bank daar volgens het hof “met geen woord (had) gerept over de vergoeding wegens vervroegde aflossing.” Het hof kwam in die zaak tot die bevinding “op basis van al deze feiten en omstandigheden”. Die zijn naar mij voorkomt bepaald anders dan in onze zaak (daar was het de bank die het krediet tussentijd opzegde en de cliënt zo dreef tot eerdere aflossing en vervolgens aanspraak maakte op de contractueel bedongen boete, waar de bank het niet over had gehad bij de opzegging) – en een oordeel daarover is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
zakelijkecliënt voorafgaand aan het uitvoering geven van een specifieke chequeverzilveringsopdracht – naast het in de algemene voorwaarden opgenomen voorbehoud en mede gelet op het wettelijke uitgangspunt van art. 6:46 BW Pro [12] – nog eens uitdrukkelijk op de daaraan verbonden risico’s wijst, hangt naar ik meen af van de omstandigheden van dat concrete geval. Daarbij zullen de mate van deskundigheid en de relevante ervaring van de cliënt natuurlijk een rol spelen [13] , maar het gaat om een beoordeling in het licht van alle omstandigheden van de zaak. Voor het introduceren van een algemene advies- en waarschuwingsplicht voor banken bij creditering van bankcheques zonder meer (ook ten aanzien van zakelijke cliënten), waarvoor het middel een lans lijkt te breken, zie ik geen aansprekende gronden [14] . Ik wijs er daarbij op dat volgens de jurisprudentie van Uw Raad de bijzondere zorgplicht van banken bij vermogensbeheer – op welke jurisprudentie BBV zich beroept in onderdeel 2 – geen algemene advies- en waarschuwingsplicht inhoudt. Of er (bij vermogensbeheer) een advies- en waarschuwingsplicht bestaat, en hoever deze strekt, dient steeds beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval, tot welke omstandigheden mede de mate van deskundigheid en de relevante ervaring van de cliënt behoren [15] . Ik realiseer mij overigens dat wel bepleit wordt dat in een geval als het onze juist eerder sprake kan zijn van een specifieke zorgplicht in de vorm van een concrete waarschuwingsplicht [16] .
onder ade rechtsklacht dat het hof de grieven tegen het oordeel van het GEA niet kan verwerpen onder verwijzing naar het juist door die grieven bestreden oordeel. Althans kan dat niet zonder impliciet of expliciet te refereren aan de grieven en aldus te specificeren op welke grond(en) en in welk(e) opzicht(en) de appelrechter zich aansluit bij dat oordeel. Dit vormt een miskenning van de aard en herstelfunctie van het appel en de taak van de appelrechter.
onder bde motiveringsklacht dat zonder nadere, maar ontbrekende, motivering onbegrijpelijk is op welke gronden en in welk(e) opzicht(en) het hof zich in rov. 3.1. aansluit bij de oordelen van het GEA, omdat het hof niet (voldoende kenbaar) zou refereren aan de door BBV tegen die gronden gerichte grieven, waarmee volgens de klacht het geschil over de zorgplichtschending in volle omvang aan het hof is voorgelegd (vgl. mvg 56). Dit is een algemene motiveringsklacht die doorwerkt in de opvolgende motiveringsklachten uit het middel die, aldus het onderdeel, zekerheidshalve worden aangedragen.
onderdeel bis aangevoerd voor het geval het hof zou hebben geoordeeld dat geen zorgplicht van de Bank geldt jegens een professionele partij. Dat mist feitelijke grondslag. Het hof overweegt in rov. 3.2 en 3.5 expliciet dat de Bank wel een zorgplicht had, maar dat die hier niet is geschonden. Ook de tweede klacht mist feitelijke grondslag. Geklaagd wordt dat voor zover het hof oordeelt dat uit art. 6 van Pro de algemene voorwaarden volgt dat de zorgplicht van de Bank niet geldt ten opzichte van BBV als professionele partij, dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk is. In rov. 3.1 overweegt het hof evenwel dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat de Bank zich op art. 22 van Pro haar voorwaarden beroept, mede (dus niet alleen) in aanmerking genomen art. 6 van Pro die voorwaarden. Het hof heeft hiermee in weerwil van de klacht juist wel onderkend dat BBV zich ook beroept op een ongeschreven zorgplicht voortvloeiend uit de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van de contractuele verhouding tussen partijen. Ook is niet miskend dat de contractuele zorgplicht uit art. 6 van Pro de voorwaarden ook geldt voor zakelijke partijen als BBV. Van buiten de grenzen treden van de rechtsstrijd is dan ook geen sprake.
onder c-ekunnen evenmin tot cassatie leiden, aangezien deze telkens van het onjuiste punt vertrekken dat het hof oordeelt dat geen zorgplicht op de Bank rustte voor aanvang van acceptatie van de cheque. Dat mist feitelijke grondslag en alleen al daarop stranden deze klachten, die ik daarom verder inhoudelijk laat rusten. Voor zover in deze onderdelen beroep wordt gedaan op een of meer van de twaalf in het onderdeel ingeroepen stellingen in feitelijke instanties, hebben die te gelden als impliciet verworpen door het hof, hetgeen geen nadere motivering vereiste.
wijzenop het risico rond de “clearing”, dit niet volstaat, omdat de Bank had moeten verifiëren of BBV zich daadwerkelijk bewust was van het hier gelopen risico, waarbij de Bank BBV zodanig moest waarschuwen, dat dat naar verwachting zou leiden tot vermijding van dit risicovolle gedrag, waarbij het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van BBV dat zij zich niet bewust is geweest van de hier gelopen risico’s. Klaarblijkelijk ligt in de hiervoor in 2.18 onder 3) – 6) weergegeven oordeelelementen van het hof besloten dat volgens het hof de in de klacht aangekaarte waarschuwingselementen niet kunnen worden verlangd in de omstandigheden van dit geval. Dat is een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel. Uit het oog is verloren dat de zorgplicht voor particulieren, waar de klachtonderdelen op steunen, van verdergaande strekking is dan die voor zakelijke cliënten [24] . Het hof mocht daarin betrekken dat het hier ging om een commercieel advocatenkantoor met door de wol geverfde partners met jarenlange ervaring bij Curaçaose en (grote) Nederlandse kantoren. In rov. 3.1 brengt het hof tot uitdrukking dat een dergelijk kantoor de risico’s die het potentieel liep kende, althans behoorde te kennen. Dat lijkt mij bepaald niet onbegrijpelijk. Ook is niet vereist dat de Bank zich moet verzekeren van een
informed consentzijdens BBV; waarschuwingen behoeven niet gegarandeerd effectief te zijn [25] . De slotklacht dat voor zover het hof oordeelt dat de Bank aan de hier bedoelde zorgplicht heeft voldaan door het bedingen van art. 22 van Pro haar voorwaarden, dit oordeel onjuist is, mist opnieuw feitelijke grondslag, omdat dat niet in het oordeel van het hof valt te lezen.
onderdeel 3is gericht tegen rov. 3.1 en 3.2 van het vonnis van het hof en rov. 4.4 van het vonnis van het GEA. Het onderdeel klaagt dat de Bank ook haar zorgplicht heeft geschonden door BBV – na acceptatie van de cheque – over het geld te laten beschikken voordat de “clearing”-periode was verstreken en zonder BBV te waarschuwen voor de hieraan verbonden risico’s, meer in het bijzonder het risico dat het chequebedrag in geval van vervalsing alsnog zou worden gedebiteerd. Het onderdeel wijst in dit verband op tien stellingen die BBV in feitelijke instanties naar voren heeft gebracht en die het hof ten onrechte en/of zonder voldoende (begrijpelijke) motivering zou hebben verworpen.
onder a en f,die aanvoeren dat is miskend dat de Bank de overboeking van $ 294.500,- had moeten weigeren, althans indringender voor de risico’s had moeten waarschuwen. Een algemene (zorg)plicht om sowieso de “clearing”-periode af te wachten, bestaat volgens mij niet, vgl. hiervoor 2.8-2.10 en de toelichting bij art. 23 algemene Pro bankvoorwaarden onder 2.5. Dat hangt af van de omstandigheden. Een plicht om een cliënt te weerhouden te lichtvaardig een voor haar risicovolle transactie aan te gaan (dus door de opdracht te weigeren), wordt wel eens gezien bij particulieren, waarbij te voorzien is dat een financiële catastrofe kan optreden [26] . Dat voor BBV faillissement zou dreigen, zoals zij aanvoert, is door de Bank gemotiveerd bestreden (mva p. 18, plta zijdens de Bank in appel p. 9).
onder b-e(die corresponderen met de overeenkomstige klachten uit onderdelen
2b-2e;vlg. hiervoor 2.19 en 2.20) gaan uit van het onjuiste uitgangspunt dat is geoordeeld dat de bank hier geen zorgplicht zou hebben. Dat valt in de bestreden overwegingen van het hof niet te lezen.
onder gdat het oordeel van het hof dat BBV “weet” dat er pas na “clearing” voldoende zekerheid bestaat over de goede afloop onbegrijpelijk is gelet op stellingen van BBV dat BBV niet “wist” wat “clearen” betekent, omdat de Bank dat niet had toegelicht en zij in de veronderstelling verkeerde dat de “clearing” op 8 juli 2011, toen de creditering van $ 350.000,- en de overboeking van $ 294.500,- plaatsvonden, reeds was voltooid, dus dat er toen reeds voldoende zekerheid bestond over de goede afloop. Zoals hiervoor is toegelicht, acht ik het oordeel van het hof dat BBV bekend was met de aan de “clearing” verbonden risico’s niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de stellingen van BBV dat zij niet bekend zou zijn met de risico’s verworpen. Daarnaast is in rov. 3.1 expliciet overwogen dat BBV, gelet op de e-mailcorrespondentie van de Bank, niet in redelijkheid kon menen dat op het moment van de overmaking de “clearing” al was voltooid.
onder ggericht tegen het oordeel van het GEA behoeven in het licht van het voorgaande geen aparte bespreking. Het hof heeft immers in aanvulling op het GEA-vonnis geoordeeld dat BBV bekend was met de aan de “clearing” verbonden risico’s en deze risico’s kennelijk heeft willen nemen teneinde een (potentiële) klant te gerieven, welk oordeel de beslissing van het hof zelfstandig draagt. Overigens corresponderen deze klachten goeddeels met die onder
2gen stranden zij op overeenkomstige gronden, vgl. hiervoor 2.22.
onder hdat het hof ongemotiveerd voorbijgaat aan de stelling en het terzake gedane bewijsaanbod van BBV dat zij door mededelingen van de accountmanager van de Bank actief op het verkeerde been is gezet, doordat telefonisch is toegezegd dat de “clearing”-periode zou worden versneld, waardoor BBV meende dat de “clearing” was voltooid toen de creditering en de daarop volgende overboeking op 8 juli 2011 plaatsvonden.