ECLI:NL:PHR:2017:799

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
21 augustus 2017
Zaaknummer
15/04812
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432.1.a SvArt. 2 Leerplichtwet 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij betwisting betekening appeldagvaarding

In deze zaak is de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van verdachte aan de orde. Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het niet nakomen van leerplichtverplichtingen. Verdachte stelde in cassatie dat de appeldagvaarding niet aan hem persoonlijk was betekend, omdat de handtekening op de akte van uitreiking niet de zijne zou zijn.

De Hoge Raad onderzocht de handtekeningen op de akte van uitreiking en vergeleek deze met handtekeningen op identiteitsbewijzen en andere processtukken. De afwijkingen waren gering en er was geen aannemelijk bewijs dat een ander dan verdachte de dagvaarding had ontvangen. Het hof had het oordeel dat betekening in persoon had plaatsgevonden niet onbegrijpelijk geoordeeld.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het cassatieberoep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het arrest van het hof was ingesteld. Hierdoor kon verdachte niet in cassatie worden ontvangen. De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens overschrijding van de cassatietermijn en geldige betekening van de appeldagvaarding.

Conclusie

Nr. 15/04812
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 15 september 2015 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbedoelt kennelijk te klagen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend.
Zou het middel falen, dan is de consequentie daarvan dat de verdachte in het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hier doet zich de bijzondere situatie voor dat de vraag naar de ontvankelijkheid eerst kan worden beantwoord nadat het middel inhoudelijk is besproken.
De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
- een akte instellen hoger beroep van 22 april 2015, blijkens welke de verdachte in persoon ter griffie van de rechtbank Amsterdam is verschenen om hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis van de kantonrechter d.d. 9 april 2015 en welke akte is voorzien van een handtekening die klaarblijkelijk door de comparant, de verdachte, is geplaatst;
- een grievenformulier hoger beroep van 22 april 2015 dat, mede gelet op de naamstelling en de overige persoonsgegevens, kennelijk van de hand is van de verdachte en tevens is voorzien van een handtekening;
- een akte van uitreiking, gehecht aan de dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 15 september 2015 (13:55 uur) te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam, welke akte inhoudt dat de appeldagvaarding op 31 juli 2015 op het adres van de verdachte ([a-straat 1] Amsterdam) is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon en voor ontvangst is getekend door de ontvanger;
- een akte van uitreiking van de schriftelijke mededeling van de uitspraak van het hof, inhoudende dat deze op 10 oktober 2015 op het adres van de verdachte ([a-straat 1] Amsterdam) is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon. Deze akte is onder het cursiefje “Handtekening voor ontvangst” voorzien van een handtekening.
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2015 is de verdachte aldaar niet verschenen en heeft de raadsman van de verdachte medegedeeld niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het proces-verbaal vermeldt geen reden voor de afwezigheid van de verdachte. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat het hof verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, met bevel tot voortzetting van de behandeling van de zaak.
7. In de schriftuur wordt aangevoerd dat “requirant tot cassatie zich op het standpunt [stelt] dat de dagvaarding in hoger beroep niet in persoon is betekend en dat de geplaatste handtekening niet de zijne is”. Ten bewijze van de juistheid van deze stelling zijn een kopie van de identiteitskaart van de verdachte en een kopie van diens paspoort als bijlage 1 bijgevoegd.
8. Vooropgesteld zij dat aan een cassatieklacht over de betekening van een dagvaarding of oproeping slechts gegevens ten grondslag kunnen worden gelegd die blijken uit de stukken van het geding of die als vaststaand kunnen worden aangenomen op grond van eerst in cassatie overgelegde bescheiden, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld. [1]
9. Voor zover ik dat kan waarnemen en beoordelen, lijken de handtekeningen op het identiteitsbewijs en het paspoort sterk op de handtekening die op onderscheidenlijk de akte instellen hoger beroep, het grievenformulier en de akte van uitreiking van de mededeling uitspraak zijn geplaatst en iets minder op de handtekening die gezet is op de akte van uitreiking van de appeldagvaarding, doch is deze afwijking gering.
10. Voorts stel ik vast dat door de steller van het middel in het geheel niet wordt uitgelegd waarom het niet de verdachte zelf is of kan zijn geweest die voor ontvangst heeft getekend, en dat ook niet wordt verklaard wie – als het niet de verdachte zelf is geweest – dan wél de dagvaarding op het adres van de verdachte heeft aangenomen en daarbij een handtekening heeft gezet die dan ook nog eens zou moeten doorgaan voor die van de verdachte.
11. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de stukken van het geding niet het ernstige vermoeden wekken dat een ander dan de verdachte op diens adres de appeldagvaarding in ontvangst heeft genomen. Daaruit volgt dat het kennelijke oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is betekend, niet onbegrijpelijk is en dat het middel geen doel treft.
12. Mitsdien moet ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv worden vastgehouden aan een cassatietermijn van veertien dagen te rekenen daags na de uitspraak. [2] De verdachte heeft het cassatieberoep echter ingesteld op 13 oktober 2015.
13. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn cassatieberoep heeft ingesteld, kan hij niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. [3]
14. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
2.A.J.A. van Dorst,
3.In HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5790 werd geklaagd over een betekening in persoon op het BRP-adres van de verdachte, zonder dat was aangegeven wie de dagvaarding in ontvangst zou hebben genomen. De Hoge Raad oordeelde dat de handtekening op de akte van uitreiking van de appeldagvaarding niet overeenkwam met de handtekening op het identiteitsbewijs van de verdachte en dat het daarom aannemelijk was dat de appeldagvaarding niet in persoon was uitgereikt aan de verdachte. In HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2745 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3713 werd eveneens gesteld dat de handtekening van de verdachte niet overeenkwam met de handtekening voor ontvangst op de akte en geklaagd over het oordeel dat de betekening in persoon was geschied. In beide gevallen deelde de Hoge Raad dat standpunt en achtte hij het derhalve aannemelijk dat de oproeping respectievelijk de dagvaarding niet in persoon was uitgereikt.