ECLI:NL:HR:2014:2745

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
22 september 2014
Zaaknummer
13/05123
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 416 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-ontvankelijke oproeping in hoger beroep ontnemingsvordering

In deze zaak stond de geldigheid van de oproeping van betrokkene voor de terechtzitting in hoger beroep centraal. Betrokkene werd in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet binnen de gestelde termijn grieven had ingediend en niet was verschenen. De oproeping was volgens het hof rechtsgeldig betekend, maar betrokkene stelde in cassatie dat hij de akte van uitreiking niet had ondertekend en dat de oproeping niet persoonlijk was uitgereikt.

De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat een cassatieklacht over betekening alleen kan steunen op stukken die in het geding zijn of die als vaststaand kunnen worden aangenomen. De handtekeningen op de akte van uitreiking van de oproeping kwamen niet overeen met de handtekeningen op het identiteitsbewijs en rijbewijs van betrokkene, terwijl de handtekening op de aanzegging wel overeenkwam. Dit leidde tot de conclusie dat de oproeping niet persoonlijk was uitgereikt en dus niet rechtsgeldig betekend.

Daarmee kon het arrest van het hof niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verklaarde de oproeping in hoger beroep nietig. Dit arrest bevestigt het belang van een correcte en persoonlijke betekening van oproepingen in strafprocedures en de strikte toetsing daarvan in cassatie.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verklaart oproeping in hoger beroep nietig wegens niet-persoonlijke betekening.

Uitspraak

9 september 2014
Strafkamer
nr. S 13/05123 P
AGE/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2013, nummer 20/004224-12, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
2.2.
Het Hof heeft tegen de ter terechtzitting in hoger beroep niet verschenen betrokkene verstek verleend. Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:
"Het hof stelt vast dat veroordeelde niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend en evenmin ter terechtzitting van 4 oktober 2013 mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
Het hof zal het door de veroordeelde ingestelde hoger beroep dan ook op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk verklaren."
2.3.
Bij de stukken van het geding bevinden zich:
- een akte van uitreiking van de oproeping van de betrokkene om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep, welke inhoudt dat die oproeping op 4 september 2013 is uitgereikt aan de betrokkene in persoon en onder "Handtekening voor ontvangst" is voorzien van een handtekening;
- een akte van uitreiking, welke inhoudt dat op 20 januari 2014 een aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is uitgereikt aan de betrokkene in persoon en onder "Handtekening voor ontvangst" is voorzien van een handtekening.
2.4.
Vooropgesteld moet worden dat aan een cassatieklacht over de betekening van een dagvaarding of oproeping slechts gegevens ten grondslag kunnen worden gelegd die blijken uit de stukken van het geding of die als vaststaand kunnen worden aangenomen op grond van eerst in cassatie overgelegde bescheiden, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317).
2.5.
Namens de betrokkene is in cassatie gesteld dat de oproeping om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep niet aan hem in persoon is uitgereikt en dat hij niet degene is geweest die de akte van uitreiking heeft ondertekend. Daartoe zijn onder meer een kopie van een ten name van de betrokkene gesteld, op 19 mei 2010 afgegeven identiteitsbewijs en een kopie van een ten name van de betrokkene gesteld, op 9 juli 2007 afgegeven rijbewijs overgelegd. De op dit identiteitsbewijs en rijbewijs geplaatste handtekeningen komen overeen met de handtekening die de betrokkene blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft gezet op de uitreiking van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, maar niet met de handtekening die voorkomt op de akte van uitreiking van de oproeping van de betrokkene om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep.
2.6.
Op grond van het voorgaande acht de Hoge Raad het aannemelijk dat de oproeping van de betrokkene om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep niet in persoon is uitgereikt aan de betrokkene. Dit brengt mee dat deze oproeping niet geldig is betekend.
2.7.
Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de oproeping in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 september 2014.