Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en beslissing op een gevoerd verweer
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd ervan beschuldigd op 1 januari 2011 in Rozenburg met een mes een persoon in het been te hebben gestoken tijdens een voorgenomen poging tot doodslag. Het hof verwierp het beroep van de verdachte op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer, omdat hij bewust de confrontatie had opgezocht en de kans op escalatie had aanvaard. Het hof oordeelde dat de situatie niet zodanig was dat de verdediging noodzakelijk was.
De verdediging stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op noodweer werd verworpen, verwijzend naar jurisprudentie waarin wordt gesteld dat het opzoeken van een confrontatie niet per definitie het beroep op noodweer uitsluit. De Hoge Raad bevestigde dat gedragingen voorafgaand aan een wederrechtelijke aanranding het beroep op noodweer kunnen belemmeren, maar alleen onder bijzondere omstandigheden zoals provocatie of uitlokken van een gewelddadige reactie.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op noodweer werd afgewezen, omdat het enkel stelde dat de verdachte de confrontatie bewust had opgezocht, wat op zichzelf niet voldoende is om het beroep uit te sluiten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.