Conclusie
1.Feiten en procesverloop
eerste griefheeft zij hoger beroep ingesteld tegen het uitspreken van de echtscheiding door de rechtbank, omdat zij abusievelijk in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd tegen het feit dat zij haar bestaande vooruitzicht op pensioenuitkeringen in de zin van art. 1:153 lid 1 BW Pro door het verzoek van de man tot echtscheiding mogelijk zou verliezen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
“geen rechtens te respecteren processueel belang heeft”om de echtscheidingsbeslissing in hoger beroep alsnog aan te tasten, en dat hieraan
“niet af(doet) (...) dat haar toenmalige advocaat – mogelijk abusievelijk – het verweer van artikel 1:153 lid 1 BW Pro in eerste aanleg niet naar voren heeft gebracht.” Het klaagt, samengevat, dat het hof met zijn bestreden oordeel de herstelfunctie van het hoger beroep heeft miskend. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak wordt betoogd dat het de vrouw vrij stond om haar omissie in eerste aanleg – het nalaten verweer te voeren tegen het echtscheidingsverzoek van de man – in hoger beroep te herstellen door alsnog het pensioenverweer te voeren (art. 1:153 lid 1 BW Pro). Althans is, aldus
onderdeel 2, het oordeel van het hof onbegrijpelijk nu de vrouw het in rechte te respecteren belang had bij herstel van haar eigen omissie door aantasting van de onvoorwaardelijke echtscheidingsbeslissing in die zin dat het hof daaraan de voorwaarde van een billijke voorziening als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW Pro zou verbinden.
Voortswordt in onderdeel 2 geklaagd dat het hof ten onrechte niet ambtshalve in aanmerking heeft genomen dat de rechtbank de echtscheidingsbeslissing niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, waardoor het door de vrouw ingestelde hoger beroep schorsende werking toekomt en de echtscheidingsbeslissing ook daarom werd aangehouden (totdat de echtscheiding onherroepelijk is).
“Bij dit alles komt dat de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft betwist.”en klaagt dat het hof hiermee heeft miskend dat deze omstandigheid niet in de weg staat aan het voeren van het pensioenverweer.
Voortsneemt het onderdeel tot uitgangspunt dat het hof toepassing heeft gegeven aan de uitzonderingsbepaling van art. 1:153 lid 2 aanhef Pro en sub b BW en bestrijdt het het oordeel van het hof met een rechts- en motiveringsklacht.
“op het punt van de door haar verzochte echtscheiding de uitspraak heeft gekregen waarom de vrouw zelf had verzocht”. Betoogd wordt dat de omstandigheid dat beide echtgenoten over en weer een echtscheidingsverzoek hebben gedaan, niet in de weg staat aan een beroep van een van de echtgenoten jegens de andere op het pensioenverweer. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte art. 1:153 lid 1 BW Pro buiten toepassing gelaten op een niet in art. 1:153 lid 2 BW Pro bepaalde (uitzonderings)grond.