Conclusie
complex perianaal abces. [verzoeker] stelt dat zowel [verweerster] als Sehos fouten hebben gemaakt en vordert schadevergoeding van [verweerster] en Sehos. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (‘het GEA’) heeft deze vorderingen afgewezen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (‘het hof’) heeft op 24 november 2015 de afwijzing van de vordering jegens Sehos bevestigd. Uw Raad heeft op 19 mei 2017 het daartegen gerichte cassatieberoep (zaaknummer 16/00984) verworpen. Het hof heeft op 26 juli 2016 de afwijzing van de vordering jegens [verweerster] bevestigd. Daartegen wordt in deze cassatiezaak opgekomen.
1.Feiten
Conclusies en aanbevelingen
een verwijzen naar een andere hulpverlener vergezeld [te] gaan van relevante inlichtingen benevens een duidelijke omschrijving van het doel van de verwijzing. Daarmee zou de huisarts de verantwoordelijkheid van de keus om wél of geen verdere hulp te zoeken ongeacht zijn financiële en zorgverzekeringstatus bij de patiënt neergelegd hebben. Door de patiënt zelf te blijven behandelen heeft zij de volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling op zich genomen.
De klacht
2.Het procesverloop
‘hemorrhoids’) waaraan hij in het verleden heeft geleden. Na aanhoudende pijn heeft hij zich op 21 september 2008 bij het Advent Ziekenhuis gemeld, afdeling spoedeisende gevallen, waar hij door de dienstdoende arts [verweerster] is onderzocht. Haar diagnose was dat er inderdaad sprake was van aambeien. Zij heeft pillen (
‘anti-inflammatory’en
‘analgetic’) voorgeschreven met het advies een zoutwaterbad te nemen. Omdat de pijn aanhield, heeft [verzoeker] [verweerster] op 22 en 23 september 2008 opnieuw geraadpleegd. Beide keren werden hem pijnstillende injecties gegeven. De laatste keer heeft [verweerster] een specialist gebeld, maar die had geen tijd om [verzoeker] op korte termijn te ontvangen. Op 24 september 2008 heeft hij [verweerster] zowel in de ochtend als in de middag bezocht. Beide keren werden hem weer pijnstillende injecties gegeven. In de ochtend heeft [verweerster] bovendien vergeefs getracht contact te leggen met een chirurg. Op 25 september 2008 heeft [verzoeker] de polikliniek van Sehos bezocht voor spoedeisende hulp. Daar liet men hem weten dat hij niet kon worden behandeld, omdat hij geen verzekeringspapieren bij zich had en niet over een verwijsbrief van de huisarts beschikte. Op 26 september 2008 is [verzoeker] naar Valencia in Venezuela gevlogen waar de door hem geraadpleegde specialist vaststelde dat hij leed aan een
‘complex perianal abces’ [4] van ernstige aard nu hij niet tijdig was behandeld. In de avond van 26 september 2008 is [verzoeker] in het
‘Centro Quirurgico’te Maracay geopereerd. Nadien is er afstervend weefsel verwijderd, een colostoma [5] (
‘colostomy’) aangebracht, volgden nog zes operaties, verkeerde [verzoeker] tot 2 oktober 2008 in een kritieke toestand en werd hem ter bestrijding van de pijn morfine toegediend. Op 10 december 2008 vond er een operatie plaats waarbij stukken huid van zijn rechterbeen in het anale gebied zijn geïmplanteerd. Op 4 mei 2009 mislukte een operatie waarbij de colostoma zou worden verwijderd. Op 4 november 2009 is [verzoeker] opnieuw geopereerd en werd de intestinale doorgang hersteld. De kosten van deze medische behandeling bedragen omgerekend NAfl. 91.077,29. Daarnaast vordert [verzoeker] de kosten van een speciaal dieet over 18 maanden, omgerekend NAfl. 8.300,= alsmede 18 maanden inkomstenderving, omgerekend NAfl. 21.600,=. In totaal vordert hij NAfl. 120.959,29 (volgens de berekening van het GEA moet dat NAfl. 120.977,29 zijn) aan materiële schade en NAfl. 180.000,= aan immateriële schade. Ter rechtvaardiging van voormelde schade-opstelling gaat [verzoeker] ervan uit dat indien hem onmiddellijk adequate medische hulp geboden zou zijn, de ontsteking vroegtijdig had kunnen worden behandeld zonder hoge medische kosten en zonder lange behandeltijd, in welk geval
“de kosten (…) waarschijnlijk door de SVB(zouden)
zijn vergoed”. Na wijziging van eis bij repliek vordert [verzoeker] dat het GEA gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden materiële en immateriële schade begroot op NAfl. 300.000,= (uitspraak GEA 24 november 2014, rov. 3.1).
Conclusies en aanbevelingen” tot de conclusie dat achteraf niet gesteld kan worden dat met een eerder consult bij de chirurg een langdurige behandeling met veelvuldige operaties en complicaties voorkomen had kunnen worden. Ten aanzien van de gestelde vordering op [verweerster] staat het vereiste causaal verband derhalve niet vast, noch is het te bewijzen aangeboden.”
3.Bespreking van de cassatieklachten
Indien een partij als getuige is gehoord, kan haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.Is de verklaring afgelegd in het kader van het leveren van tegenbewijs, dan is de rechter vrij in de waardering van de verklaring van een partijgetuige. [25]
eerste onderdeel(randnummers 1-13) komt op tegen de waarde die het hof heeft toegekend aan de in de handgeschreven verklaring van [verweerster] opgenomen zin “Carta referimientos(2) EHBO Curacao y otra Venezuela”. Volgens de vertaling van [verweerster], die op zichzelf niet bestreden is, betekent deze zin: “Verwijsbrieven (twee): een voor de EHBO poli chirurgie Curaçao en de andere voor Venezuela.” (productie 15C bij memorie van antwoord).
randnummers 1 en 2van het verzoekschrift tot cassatie staat de getuigenverklaring van [verweerster] dat zij twee verwijsbrieven aan [verzoeker] heeft gegeven tegenover de aanvankelijk door het hof voor waar gehouden stelling dat dit niet is gebeurd. [verzoeker] stelt dat in dit licht aan de enkele verklaring van [verweerster] als getuige geen doorslaggevende waarde kan worden toegedicht. Dit zou volgens [verzoeker] slechts mogelijk zijn als deze verklaring wordt ondersteund, doordat kan worden vastgesteld dat [verweerster] de genoemde zin op 21 september 2008 heeft toegevoegd.
randnummers 1 en 2waarschijnlijk het oog op de beperking van de bewijskracht van een verklaring van een partijgetuige. Die beperking houdt in dat de verklaring van een partij geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Deze beperking geldt echter niet naar het recht van Curaçao (hiervoor randnummer 3.4). Overigens zou de beperking in een geval als hier aan de orde ook naar Nederlands recht niet gelden, aangezien het thans gaat om tegenbewijs en de beperking van de bewijskracht van een partijgetuigenverklaring op de voet van art. 164 lid 2 Rv Pro niet geldt voor (de waardering van) tegenbewijs (hiervoor randnummer 3.5). Daarop stuit de klacht van
randnummers 1 en 2af.
wanneer[verweerster] de gewraakte zin heeft opge-schreven. Het hof zou die kritiek niet hebben besproken en dus acht [verzoeker] het oordeel van het hof niet naar behoren gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk.
randnummers 9-13heeft [verzoeker] hieraan toegevoegd dat het hof zijn kritiek op de verklaring van de Inspecteur Gezondheidszorg niet (op voldoende kenbare wijze) in zijn beoordeling heeft betrokken. [verzoeker] wijst in dat verband naar randnummer 12 van zijn antwoordconclusie na enquête. Daarin betoogt hij kort gezegd dat de Inspecteur in zijn verklaring niet heeft aangegeven ten aanzien van welke passages de Inspectie aan [verweerster] heeft verzocht de tekst te verduidelijken c.q. leesbaarder te maken. Volgens [verzoeker] blijkt dus uit niets dat de Inspecteur het oog had op de hier bedoelde passage. In dat licht acht [verzoeker] de redenering van het hof onvoldoende dragend.
randnummers 3-13falen dus.
eerste onderdeelgeen doel treft.
tweede onderdeel(randnummers 14-19) richt zich tegen de overweging van het hof dat de schriftelijke verklaring van de chirurg uit Venezuela dr. [getuige 4]. dat hij geen verwijsbrief heeft ontvangen niet genoeg steun oplevert voor het standpunt van [verzoeker] dat hij geen verwijsbrieven van [verweerster] heeft gekregen. Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd waarom deze schriftelijke verklaring door het hof ontoereikend is geacht om het tegenbewijs van [verweerster] te kunnen ontkrachten.
randnummers 14-19het volgende betoog ontwikkeld. [verweerster] heeft niet de stelling weersproken dat [verzoeker] geen verwijsbrief aan de Venezolaanse chirurg heeft gegeven, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan. De vaststelling van het hof dat [verzoeker] bij het bezoek aan Sehos op 25 september 2008 geen verwijsbrief heeft getoond, was voor het hof aanleiding om de stelling over het ontbreken van verwijsbrieven voorshands bewezen te achten. [verzoeker] had verder groot belang bij een zo spoedig mogelijke behandeling en zou, indien hij daarover zou hebben beschikt, daartoe een verwijsbrief hebben getoond. In dat licht had aan de onweersproken stelling dat de Venezolaanse chirurg van [verzoeker] (ook) geen verwijsbrief heeft gekregen volgens hem meer waarde moeten worden gehecht dan het hof heeft gedaan.
tweede onderdeelis dus ook tevergeefs voorgesteld.