Voetnoten
1.Zie het tussenarrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 15 juli 2014, rov. 4.1.1 waarin het hof de door de rechtbank Roermond in haar vonnis van 26 september 2012 vastgestelde feiten (rov. 2.1-2.22) heeft overgenomen met weglating van de door [verweerster] bestreden onderdelen van de feitenvaststelling.
2.Voor zover van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 en 3.1-3.5 van het vonnis van 26 september 2012 en voor het procesverloop in hoger beroep het rov. 2, 4.5.1.-4.5.2. van het tussenarrest van 15 juli 2014, rov. 6 van het tussenarrest van 8 maart 2016 en rov. 9 van het eindarrest van 28 juni 2016.
3.Het hof spreekt in rov. 2.15 van ‘hij’, maar uit de gedingstukken komt naar voren dat hier de rechtspersoon [verweerster] en niet [betrokkene 4] is bedoeld.
4.Het hof doelt hier met ‘ [verweerster] ’ op [betrokkene 4] en – terecht – niet op de rechtspersoon. Uit p. 4 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 augustus 2012 volgt dat de desbetreffende mededeling door [betrokkene 4] is gedaan.
5.[verweerster] heeft in de inleidende dagvaarding (onder 65-67) gesteld dat zij zich genoodzaakt zag zowel Act als Bewotec te dagvaarden omdat onduidelijk is met wie de overeenkomst is gesloten. Zie ook rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank van 26 september 2012.
6.Zie de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie van 18 april 2012.
7.Deze vordering is door [verweerster] ter comparitie van partijen op 31 augustus 2012 ingetrokken. Zie rov. 3.2 van het vonnis van 26 september 2012 en rov. 4.3.1 van het tussenarrest van 15 juli 2014.
8.De cassatiedagvaarding is op 21 september 2016 uitgebracht.
9.De door partijen gefourneerde procesdossiers zijn niet identiek. In het door Bewotec gefourneerde procesdossier (A) ontbreekt de antwoordakte van Act en Bewotec van 16 mei 2012, de bij de conclusie na enquête van [verweerster] behorende productie 13, de conclusie van antwoord van 9 december 2016, de schriftelijke toelichting zijdens [verweerster] van 17 maart 2017 en de repliek zijdens Bewotec van 31 maart 2017.
10.Aldus G.R. Rutgers, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 154, aant. 2.
11.Zie MvT, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 114.
12.Zie Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 64 onder verwijzing naar HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616, NJ 2006/156, JBPR 2006/75 m.nt. A. Knigge, rov. 3.4.3. 13.Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/116.
14.Zie MvA, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 114.
15.Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/117 en T.A. Sterk, Erkentenis van ‘de waarheid’, WPNR 5938 (1989), p. 707.
16.Vgl. de nadere MvA TK, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 116. Zie ook o.a. Asser Procesrecht/Asser 3 2013/115, Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 64, Snijders, Klaassen & Meijer 2011, nr. 145 en Sterk, t.a.p., p. 709.
17.Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/115.
18.Vgl. H.W.B. thoe Schwartzenberg, Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2013, p. 46.
19.Zie de nadere MvA TK, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 117.
20.Zie MvA, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 115.
21.Zie de nadere MvA TK, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 117. Zie voorts: HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5355, NJ 2002/121, rov. 3.4 22.Zie de MvA EK, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 118.
23.Zie de nadere MvA TK, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 114-117 en voor een samenvatting daarvan Asser Procesrecht/Asser 3 2013/120.
24.Nadere MvA TK, Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 116.
25.Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/119; T.A. Sterk, Erkentenis van ‘de waarheid’, WPNR 5938 (1989), p. 709 en W. Heemskerk, Hoe zat het ook alweer met… de gerechtelijke erkentenis?, Advocatenblad 2001, p. 424-425.
26.Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2013/119 onder verwijzing naar HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5355, NJ 2002/121. 27.Zie Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 117.
28.Zie Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 117 onder verwijzing naar HR 20 december 1957, NJ 1958/69 m.nt. D.J. Veegens.
29.Zie bijv. G.R. Rutgers, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 154, aant. 7, Asser Procesrecht/Asser 3 2013/121 Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 65 en Beenders, T&C Rv, art. 154, aant. 3 onder a, allen onder verwijzing naar HR 20 december 1957, NJ 1958/69 m.nt. D.J. Veegens.
30.Onder I.2 worden de volgende rov. genoemd: rov. 4.13.5 t/m 4.13.7, 4.14.3, 4.14.5 t/m 4.14.7, 4.15.4, 4.17.3, 4.17.4, en voorts het dictum van het tussenarrest van 15 juli 2014.
31.Het onderdeel citeert vervolgens de bewijsopdrachten die het hof in het dictum van zijn tussenarrest aan [verweerster] heeft gegeven.
33.Uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt niet dat met partijen de afspraak is gemaakt dat zij na ontvangst van het proces-verbaal daarop schriftelijk mochten reageren. Bij gebreke van een dergelijke afspraak volgt uit het artikel 6.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken dat de rechter nadat vonnis is bepaald geen kennis meer kan nemen van berichten van partijen, bijv. over de inhoud van het proces-verbaal. Zie: M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 127.
34.Zie rov. 4.15.1 en 4.15.2 van het tussenarrest van 15 juli 2014.