ECLI:NL:PHR:2017:984

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 augustus 2017
Publicatiedatum
29 september 2017
Zaaknummer
17/03320
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 8 lid 6 Wet BopzArt. 31 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking voorlopige machtiging wegens ontbreken motivering afwijzing contra-expertise verzoek

De zaak betreft een verzoek tot voorlopige machtiging tot opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis wegens schizofrenie en gevaar voor de omgeving. De rechtbank Rotterdam verleende de machtiging, maar wees een verzoek van betrokkene om een contra-expertise af zonder motivering.

Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank het verzoek om nader psychiatrisch onderzoek niet gemotiveerd heeft afgewezen, wat in strijd is met artikel 8 lid 6 Wet Pro Bopz. De Hoge Raad bevestigde dat een dergelijk verzoek slechts gemotiveerd mag worden afgewezen, mede vanwege de ingrijpende aard van vrijheidsbeneming.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank weliswaar kennis had genomen van het verzoek, maar dit niet heeft gemotiveerd afgewezen. Dit is een schending van het criterium dat de Hoge Raad eerder heeft vastgesteld. Daarom werd de beschikking vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam voor hernieuwde beoordeling.

Een tweede klacht over de beoordeling van het gevaar buiten opname werd niet inhoudelijk behandeld omdat de eerste klacht tot vernietiging leidde. De Hoge Raad benadrukte dat de beoordeling van het gevaar feitelijk is en aan de rechtbank is voorbehouden.

De uitspraak onderstreept het belang van een gemotiveerde beslissing bij verzoeken om contra-expertise in gedwongen opnameprocedures onder de Wet Bopz.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug vanwege het ontbreken van een gemotiveerde beslissing op het verzoek om contra-expertise.

Conclusie

Zaaknr: 17/03320
mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 11 augustus 2017
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de rechtbank zonder motivering voorbij is gegaan aan een verzoek om een contra-expertise.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In een op 18 april 2017 ingekomen verzoekschrift heeft de officier van justitie de rechtbank Rotterdam verzocht een voorlopige machtiging te verlenen ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geboren in 1992, hierna: betrokkene) [1] . Betrokkene verbleef op dat moment krachtens een inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis, Bavo Europoort locatie Capelle aan den IJssel. Bij het verzoekschrift was een verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur, die als niet bij de behandeling betrokken psychiater betrokkene heeft onderzocht. De verklaring d.d. 14 april 2017 vermeldt als diagnose: ‘schizofrenie’.
1.2
De rechtbank heeft ter zitting van 26 april 2017 betrokkene en zijn advocaat, de behandelend arts en de moeder van betrokkene gehoord.
1.3
Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven tot 27 oktober 2017. De rechtbank overwoog dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en dat deze geestesstoornis hem gevaar doet veroorzaken. Onder verwijzing naar de geneeskundige verklaring en het verhandelde ter zitting overwoog de rechtbank onder meer dat betrokkene bekend is met psychotische episodes, waarbij hij last heeft van akoestische en visuele hallucinaties. Betrokkene is zeer achterdochtig en angstig naar zijn omgeving, en dit uit zich onder andere in agressie jegens medepatiënten. Het gevaar kan volgens de rechtbank niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend.
1.4
Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Onderdeel 1neemt tot uitgangspunt dat tijdens de zitting namens betrokkene is verzocht om hem opnieuw psychiatrisch te laten onderzoeken omdat hij twijfelt aan de juistheid van de diagnose. De klacht houdt in dat de rechtbank heeft nagelaten op dit verzoek om een contra-expertise te beslissen, dan wel het verzoek ten onrechte zonder enige motivering heeft afgewezen.
2.2
Op grond van artikel 8 lid 6 Wet Pro Bopz kan de betrokkene de rechter verzoeken om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een nader onderzoek door een of meer deskundigen te gelasten (bij wijze van contra-expertise naast de door de officier van justitie overgelegde geneeskundige verklaring). Gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, kan een verzoek van de patiënt aan de rechtbank om door een deskundige nader onderzoek te doen verrichten, slechts gemotiveerd worden afgewezen. De Hoge Raad heeft het criterium als volgt verwoord:
“De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten.” [2]
Dit criterium is in de rechtspraak nadien herhaald. [3] Aan de (medische) onderbouwing door een patiënt van een verzoek om een contra-expertise kunnen niet al te hoge eisen worden gesteld, juist omdat de benodigde medische kennis bij de patiënt veelal ontbreekt. [4]
2.3
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt op blz. 2 dat de advocaat van betrokkene heeft medegedeeld dat betrokkene opnieuw onderzocht wil worden omdat hij twijfelt aan de diagnose. Hij bestrijdt te lijden aan schizofrenie; zijns inziens ontbreekt de door art. 1 Wet Pro Bopz vereiste stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken. Uit deze vermelding in het proces-verbaal blijkt dat de rechtbank notie heeft genomen van het verzoek van betrokkene om een nader onderzoek. In de beschikking wordt echter geen woord besteed aan het verzoek om contra-expertise. De enkele vaststelling door de rechtbank in rov. 2.1 dat betrokkene aan schizofrenie lijdt is hiervoor geen toereikende motivering. De rechtbank heeft het in de vorige alinea aangehaalde criterium miskend. Onderdeel 1 is derhalve gegrond.
2.4
Onderdeel 2klaagt over onjuistheid dan wel onbegrijpelijkheid van het oordeel dat het gevaar als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Ter toelichting wordt aangevoerd dat de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene nu medicatie krijgt toegediend die zijn toestand heeft verbeterd, dat betrokkene een eigen huis heeft en dat de moeder van betrokkene heeft aangegeven dat hij bij haar kan verblijven.
2.5
Gegrondbevinding van onderdeel 1 brengt mee dat onderdeel 2 geen behandeling meer behoeft. Voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt, bespreek ik kort onderdeel 2. Het oordeel of het gevaar op een andere wijze dan door een gedwongen opname kan worden afgewend vergt een beoordeling van feitelijke aard, die aan de rechtbank is voorbehouden en waarvan de inhoudelijke juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht. In cassatie onbestreden is de vaststelling door de rechtbank dat weliswaar de toestand van betrokkene door de toegediende medicatie enigszins is verbeterd, maar dat hij nog steeds psychotisch en achterdochtig is. De geneeskundige verklaring vermeldt bij de anamnese dat er nog onvoldoende vertrouwen is in het medicatiegebruik. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt bovendien dat de behandelend arts aan de rechter heeft medegedeeld dat het de bedoeling is, de medicatie nog beter te doen aansluiten teneinde het psychotisch toestandsbeeld van betrokkene te verminderen. Gelet op dit een en ander, is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat verdere stabilisatie noodzakelijk is alvorens afspraken kunnen worden gemaakt over een mogelijke ambulante behandeling. Onderdeel 2 stuit hierop af.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv.

Voetnoten

1.Zie art. 2 in Pro verbinding met art. 31 Wet Pro Bopz.
2.HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, BJ 2005/14 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.1.
3.HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6545, BJ 2008/23;
4.Zie ook W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar Wet Bopz, art. 8 aant Pro. C. 6.3.6-6.3.7.