Conclusie
1.De feiten
Rabobankom financiering verzocht. Op 15 juni 2009 heeft [eiser 1] daarover met Rabobank gesproken. Het naar aanleiding daarvan door Rabobank opgemaakte gespreksverslag houdt het volgende in:
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
nietis geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. Rabobank heeft hiertegen in hoger beroep gegriefd met een subsidiaire grief. [3] Het hof is niet toegekomen aan de beoordeling van deze subsidiaire grief (zie rov. 3.16 van het arrest van het hof), omdat de eerste grief van Rabobank reeds slaagde (zie rov. 3.14).
ongeachtof voor de borgstelling op zichzelf toestemming van [eiseres 2] vereist was.
nadatde borgtochtovereenkomst is overeengekomen zich omstandigheden hebben voorgedaan, die maken dat geen sprake is van het sluiten van een financieringsovereenkomst ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschappen, de echtgenote ook op grond van die omstandigheden een beroep kan doen op vernietiging van de borgtochtovereenkomst ex. art. 1:89 BW Pro.
anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Lid 5 bepaalt dat toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c, niet is vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een naamloze vennootschap of van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en
mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Uit de door mij gecursiveerde zinsneden volgt dat het voor partijen die een overeenkomst van borgstelling beogen te sluiten, met name voor de geldlener, van belang is om te weten of de borgstelling
op dat momentaansluit bij de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Hiervan hangt immers af of (op dat moment) al dan niet toestemming van de andere echtgenoot vereist is. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid als omstandigheden die pas na het sluiten van een overeenkomst van borgtocht bij partijen bekend worden, kunnen meebrengen dat achteraf bezien
tochgeen sprake is van een normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf of van het bedrijf van de vennootschap. [5]
Klaarblijkelijk is bedoeld dat de toestemming van de andere echtgenoot alleen dan niet is vereist indien de rechtshandeling waarvoor de in art. 1:88 lid 1 onder Procbedoelde zekerheid wordt verstrektzelfbehoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht[onderstreping A-G ].”
zelf’’? Deze vraag kwam aan de orde in de zaak die ten grondslag lag aan een arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005 ( Rabobank/ [...] ). De Hoge Raad overwoog hierin het volgende:
Echter, mede gezien de discussie die in de gedingstukken in verband met grief II is gevoerd over dat arrest, moet worden aangenomen dat het hof in deze rechtsoverweging aansluiting heeft gezocht bij de hiervoor in 3.2 aangehaalde overweging uit het arrest van 14 april 2000 en dat het hofin overeenstemming daarmeemet de woorden 'de handeling zelf' niet doelt op de borgstelling, maar op de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is verstrekt. Hieraan kan niet afdoen dat het hof voor dit oordeel in rov. 4.5.5 mede belang heeft gehecht aan omstandigheden die de borgstelling betreffen[cursivering en onderstreping A-G]. Het hof heeft kennelijk een zodanig verband aanwezig geacht tussen de borgstelling en de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is verstrekt, dat ook de bedoelde omstandigheden betreffende de borgstelling van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is verstrekt behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van het betrokken bedrijf plegen te worden verricht. Daarmee heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het is in het licht van de gang van zaken, zoals deze naar voren komt uit de door het hof als vaststaand aangenomen feiten (zie hiervóór, 3.1) ook niet onbegrijpelijk. De onderdelen 3.a en 3.b, die beide ten aanzien van rov. 4.5.2–4.5.7 van een andere lezing uitgaan dan hiervoor als juist is aangemerkt, kunnen derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.” [7]
Dierechtshandeling (bijvoorbeeld de lening van de bank aan de vennootschap) – waarvoor de borgtocht is verstrekt – moet een rechtshandeling zijn die in de normale uitoefening van een bedrijf pleegt te worden verricht. [8] Alleen dan is geen toestemming van de andere echtgenoot nodig. Uit de zojuist geciteerde overweging van de Hoge Raad blijkt voorts dat ook rekening mag worden gehouden – in het kader van de vraag of de rechtshandeling waarvoor de borgtocht is verstrekt, een rechtshandeling in de normale uitoefening van een bedrijf betreft – met ‘omstandigheden die de borgstelling betreffen’. [9]
bijzonder, verhoogd, kredietrisicoeen overeenkomst is die
nietbehoort tot de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap. De bestuurder-aandeelhouder die zekerheid verschaft voor zo een financiering stelt geen zekerheid ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap. Wanneer sprake is van zo een verhoogd kredietrisico moet volgens Verdaas van geval tot geval worden beoordeeld. [13]
Aan een ‘wezenlijke beperking’ beantwoordt meer wanneer men aanneemt dat een rechtshandeling binnen het verband van lid 5 van artikel 1:88 BW Pro dan reeds niet meer tot de normale bedrijfsuitoefening wordt gerekend, wanneer de rechtshandeling naar zijn aard en/of risico afwijkt van wat bij de uitoefening van het bedrijf van de voorliggende vennootschap gangbaar en gebruikelijk is[cursivering A-G]. Op een rechtshandeling waarvan weliswaar niet kan worden gezegd dat het vreemd is dat deze door de vennootschap wordt verricht maar die toch niet valt binnen of niet verbonden is met wat voor die vennootschap de gangbare en gewone bedrijfsactiviteiten zijn, is derhalve de uitzondering van lid 5 van artikel 1:88 BW Pro niet van toepassing.
. Onderdeel 7voert aan dat indien de voorgaande klachten gegrond zijn, rov. 3.18 en het dictum van het bestreden arrest niet in stand kan blijven. Het middel kan buiten behandeling blijven.