Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding
andere dan de onder a t/m g genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’, kan niet worden gebruikt om een niet-voldragen gronden te ‘repareren’. Deze h-grond is alleen bedoeld voor omstandigheden die niet onder een van de ontslaggronden gebracht kunnen worden en losstaan van de eerdergenoemde gronden. Als voorbeeld is in de wetsgeschiedenis genoemd ontslag wegens detentie, illegaliteit of wegens het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning. Ook is genoemd het ontslag van een manager wegens verschil van inzicht over het te voeren beleid. [9]
doordatde werkgever ten onrechte getracht heeft de werknemer op een andere, onvolkomen, grond te ontslaan, is door Sagel de
Asscher-escapegenoemd. [16] De Asscher-escape komt er dus op neer dat met geld een ‘tekort aan ontslaggrond’ wordt gecompenseerd. In zijn oratie heeft Sagel betoogd dat een ruime toepassing van de Asscher-escape niet waarschijnlijk is, omdat nog steeds zal moeten zijn voldaan aan de eis dat van de werkgever
in redelijkheidniet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Als de werkgever zelf de verstoorde verhouding heeft veroorzaakt, zal aan die eis niet snel zijn voldaan. Sagel acht een ruime toepassing van de Asscher-escape ook niet wenselijk, omdat de door de wetgever beoogde separate toetsing van de ontslaggronden daarmee zou worden uitgehold. [17] Ook andere auteurs zijn van mening dat de Asscher-escape uiterst terughoudend zou moeten worden toegepast, omdat anders – kort gezegd – in feite het stelsel van gesloten ontslaggronden wordt verlaten. [18] In de jurisprudentie wordt de Asscher-escape wel af en toe toegepast, meestal in uitzonderlijke situaties, waarin de rechter besluit dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst geen zin meer heeft. [19]
Wet Arbeidsmarkt in Balansin consultatie gebracht. [24] Het concept-wetsvoorstel bevat meerdere aanvullingen en wijzigingen op de Wwz, waaronder een nieuwe ontslaggrond. Daartoe zal in art. 7:669 lid 3 BW Pro een ‘cumulatiegrond’, de i-grond worden geïntroduceerd: [25]
Decor-beschikking. [31]
de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.
- de ongeschiktheid is geen gevolg van ziekte of gebreken;
- de werkgever heeft de werknemer tijdig van het onvoldoende functioneren in kennis gesteld;
- de werkgever heeft hem in voldoende mate in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren;
- de ongeschiktheid is niet het gevolg van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.
‘een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren.’Deze ontslaggrond is ontleend aan art. 5:1 lid 4 van Pro het Ontslagbesluit. [34] Daarin was het volgende bepaald:
ernstigeen
duurzameverstoorde arbeidsverhouding. In de memorie van toelichting bij de Wwz is over deze vereisten, in relatie tot de formulering van de g-grond, het volgende opgemerkt: [35]
zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.” Niet in alle situaties hoeft echter sprake te zijn van een ‘duurzame’ verstoring, omdat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst ontbonden moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd. Daarmee lijkt de ontslaggrond ‘verstoorde arbeidsverhouding’ toch in enige mate te zijn verruimd ten opzichte van het Ontslagbesluit en de Beleidsregels ontslagtaak UVW. [36]
in beginselgeen toetsingscriterium is. [38] In de toelichting op het Ontslagbesluit is echter vermeld dat de woorden ‘in beginsel’ worden verwijderd, omdat art. 5:1 lid 4 van Pro het Ontslagbesluit daar bij nader inzien geen ruimte voor laat. [39] Sinds 1 september 2012 luidden de Beleidsregels ontslagtaak UWV op dit punt dan ook als volgt: [40]
[A]) heeft de Hoge Raad bevestigd dat voor de toepassing van de g-grond niet vereist is dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt staat evenmin aan ontbinding op de g-grond is de weg. De Hoge Raad overweegt daarover onder 3.3.2 het volgende: [41]
New Hairstyle-beschikking van 30 juni 2017 een richtinggevende beslissing gegeven over de wijze waarop de billijke vergoeding dient te worden begroot. [45] Beslist werd:
- dat het stelsel van de Wwz zich er echter niet tegen verzet dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt (rov. 3.4.3);
- dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW vanwege de in dat artikel gegeven keuzemogelijkheid mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd (rov. 3.4.4);
- dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen, waarbij mede van belang is of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd (rov. 3.4.4);
Zinzia-beschikking van 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad bepaald dat de in de
New Hairstyle-beschikking gegeven (niet-limitatieve) gezichtspunten ook toepasbaar zijn ten aanzien van de billijke vergoeding van art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b, BW (ontbinding op verzoek van de werknemer). [46] Ook in dat geval gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. En ook daar geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De Hoge Raad herhaalt dat de rechter in de motivering van zijn oordeel inzicht dient te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid en dat de billijke vergoeding geen punitief doel heeft (rov. 3.3.2).
[Van der W.]-beschikking van eveneens 8 juni 2018 overwogen dat een op de voet van art. 7:683 lid 3 BW Pro toe te kennen billijke vergoeding dient als een alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst. Het ligt daarom in de rede dat de appelrechter bij de bepaling van de hoogte van een op de voet van die bepaling toe te kennen billijke vergoeding de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst betrekt. Die gevolgen worden naar hun aard mede bepaald door de ‘waarde’ die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer had (rov. 4.4.2). Ook de overige gezichtspunten uit
New Hairstylekunnen toepassing kunnen vinden bij het vaststellen van de billijke vergoeding op de voet van art. 7:683 lid 3 BW Pro (rov. 4.4.2). [47]
New Hairstyle-beschikking waarin staat ‘
dat mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd’ (en de daarop volgende overwegingen, waarin wordt opgesomd welke omstandigheden in dat kader een rol kunnen spelen), hebben specifiek betrekking op de billijke vergoeding die in de plaats komt van vernietiging van de opzegging (art. 7:681 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW). Omdat de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro daarmee in dit opzicht op één lijn staat – ook daar gaat het immers om een billijke vergoeding die in de plaats komt van herstel van de arbeidsovereenkomst – is het logisch dat dit uitgangspunt ook geldt voor de billijke vergoeding van art. 7:683 BW Pro (conform
[Van der W.]).
New Hairstyle-beschikking. Dat laat natuurlijk onverlet dat de andere uitgangspunten uit de
New Hairstyle-beschikking wél onverkort van toepassing zijn op deze billijke vergoeding: de hoogte van de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. En ook hier geldt dat het er uiteindelijk om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
twee onderdelen. Het eerste onderdeel richt zich tegen het oordeel dat de arbeidsovereenkomst dient te eindigen op de g-grond en het tweede onderdeel richt zich tegen de hoogte van de billijke vergoeding.
eerste onderdeel, dat uit drie subonderdelen bestaat, ziet op rov. 3.7.2 tot en met 3.8 van ’s hofs beschikking. Deze luiden als volgt:
eerste subonderdeelhoudt in dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door op grond van de omstandigheden die ten grondslag lagen aan het oordeel dat het ontbindingsverzoek op de d-grond niet slaagt, te oordelen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in de g-grond. Daarmee miskent het hof dat iedere grond op zijn eigen merites beoordeeld moet worden (cassatieverzoekschrift I.1.9). Om het verzoek op de g-grond te kunnen toewijzen is voorts vereist dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is en dat de werkgever pogingen heeft ondernomen om die verstoorde relatie te herstellen. Pas als de werkgever kan aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de relatie te herstellen, kan worden geoordeeld dat de verstoorde relatie zodanig is dat van de werkgever niet gevergd kan worden dat het dienstverband wordt voortgezet. Vaststaat dat ServiceNow hieraan niet heeft voldaan. Door op de omstandigheden die aan de d-grond ten grondslag zijn gelegd de aanwezigheid van de g-grond vast te stellen, miskent het hof dat de wetgever juist heeft willen voorkomen dat een werkgever die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, de arbeidsovereenkomst toch kan ontbinden op de g-grond, aldus het subonderdeel.
Asscher-escapeheeft nu juist betrekking op de situatie waarin de verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan
doordatde werkgever een procedure op de d-grond aanhangig heeft gemaakt (zie hiervoor onder 3.6-3.7). In dat geval kan de arbeidsovereenkomst worden ontbonden en kan de rechter de werknemer ter compensatie een billijke vergoeding toekennen. Het gaat dan dus om de situatie waarin de verhoudingen verstoord zijn geraakt
doorde ernstig verwijtbare wijze waarop de werkgever het gestelde disfunctioneren heeft aangekaart. Dat betekent dat een eventuele toewijzing op de g-grond in de praktijk vaak deels gebaseerd zal zijn op dezelfde feiten als waarop het verzoek op de d-grond is afgewezen.
Asscher-escapeniet te gemakkelijk moet worden toegepast. Voorkomen moet worden dat de werkgever eenvoudig een ontbinding kan bewerkstelligen door zich na een beroep op een onvoldragen ontslaggrond op het standpunt te stellen dat de verhoudingen verstoord zijn. [51] Dat neemt echter niet weg dat zich omstandigheden kunnen voordoen waardoor een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. Het hof heeft die situatie aanwezig geacht en daarbij niet alleen acht geslagen op het aanlooptraject, maar ook op de bijzondere positie die [de werknemer] in de organisatie innam. Op grond van die omstandigheden heeft het hof geconcludeerd dat een onwerkbare situatie was ontstaan. Dat deze onwerkbare situatie door ServiceNow is gecreëerd, doet daar op zichzelf niet aan af.
tweede subonderdeel(cassatieverzoekschrift onder I.1.8) heeft het hof in de tweede en derde volzin van rov. 3.7.3 miskend dat de schuldvraag bij de beoordeling van de g-grond een rol kan spelen en ook moet spelen, indien de werkgever niets gedaan heeft om de verstoorde arbeidsrelatie te herstellen. Bovendien heeft het hof miskend dat de Beleidsregels UWV en het Ontslagbesluit per 1 juli 2015 zijn komen te vervallen (derde subonderdeel).
[A]-beschikking [52] is bevestigd dat de omstandigheid dat de verstoring van de arbeidsrelatie aan de werkgever is te wijten, niet aan ontbinding op de g-grond in de weg hoeft te staan (zie onder 3.16). Voor de toepassing van de g-grond is dus niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. Daarmee faalt het tweede subonderdeel.
tweede onderdeelheeft betrekking op de overwegingen van het hof over de hoogte van de billijke vergoeding (rov. 3.10 tot en met 3.12). Deze overwegingen luiden als volgt:
onderdeel I.1wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat sprake was van een kortdurend dienstverband, geen neerwaarts effect kan hebben op de hoogte van de gevraagde vergoeding van € 25.000,-. Het onderdeel verwijst daarbij naar de omstandigheden die het hof heeft weergegeven onder 3.10, die leiden tot het oordeel dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In het licht van die omstandigheden zou het korte dienstverband juist een opwaarts effect moeten hebben op de hoogte van de vergoeding, zo wordt betoogd. Het feit dat [de werknemer] een kortdurend dienstverband heeft gehad en lange tijd met behoud van loon op non-actief is gesteld is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van ServiceNow. Als dit handelen achterwege was gebleven, was de verstoring van de arbeidsrelatie niet opgetreden. Dit wordt door het hof miskend. Voorts miskent het hof dat volgens de
New-Hairstyle-beschikking als een van de gezichtspunten heeft te gelden ‘de verwachte duur van het dienstverband’. Ook dit maakt het oordeel dat de hoogte van de vergoeding gerelateerd moet worden aan het kortdurende dienstverband onbegrijpelijk (cassatieverzoekschrift onder I.1, p. tweede alinea). Verder wordt bij
onderdeel II.2betoogd dat onbegrijpelijk is waarom het korte dienstverband in combinatie met de op non-actiefstelling die volledig aan ServiceNow te wijten zijn, toch een negatief effect hebben op de hoogte van de billijke vergoeding. Het oordeel van het hof is daarmee onvoldoende gemotiveerd.
New Hairstyle-beschikking volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer (zie onder 3.19). Het hof verwoordt dit ook in rov. 3.11 en gaat daarmee uit van een juiste rechtsopvatting.
verwachteduur van het dienstverband als maatstaf had moeten nemen is dit onjuist. Die maatstaf heeft betrekking op de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1 BW Pro en art. 7:683 lid 3 BW Pro, waarbij de vergoeding
in de plaatskomt van de vernietiging van de opzegging c.q. voor het herstel van de dienstbetrekking. Zoals onder 3.23 is vermeld, ligt de toepassing daarvan in de onderhavige situatie (billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8 sub c BW) niet in de rede, omdat hier geen sprake is van een billijke vergoeding die in de plaats komt van de vernietiging van de opzegging of het herstel van de arbeidsovereenkomst. In zoverre faalt onderdeel II.1.
Daarmee faalt ook onderdeel II.2.
onderdeel II.3wordt aangevoerd dat onvoldoende gemotiveerd is waarom het verzochte bedrag van € 25.000,- niet is toegekend, maar in plaats daarvan een lager bedrag van € 15.000,-. Volgens het onderdeel is dit onvoldoende gemotiveerd gelet op het ernstige verwijtbare handelen van ServiceNow.
New Hairstyle-beschikking volgt dat de rechter
inzicht moet geven in de omstandighedendie tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Dit sluit aan bij het grondbeginsel van behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig gemotiveerd moet zijn dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [53] Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter gaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat. [54] Het debat tussen partijen bepaalt in zoverre de motiveringsplicht van de rechter, dat hij in ieder geval in zijn uitspraak essentiële stellingen niet onbesproken mag laten, tenzij deze stellingen in een zo laat stadium van de procedure zijn aangevoerd dat zij op grond van de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven. [55] De rechter behoeft dus niet op
alledoor partijen aangedragen stellingen in te gaan. [56]