ECLI:NL:PHR:2018:1068

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2018
Publicatiedatum
27 september 2018
Zaaknummer
17/01344
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 10 lid 4 en 5 OpiumwetArt. 27a SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt klacht over afwijzing getuigenverzoek in hoger beroep bij medeplegen Opiumwet

In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat de veroordeling van verdachte wegens medeplegen van een Opiumwetdelict bevestigde. De verdediging klaagde dat het hof ten onrechte het verzoek tot het horen van twee getuigen in hoger beroep had afgewezen.

De Hoge Raad overwoog dat het verzoek pas ter terechtzitting in hoger beroep was gedaan en dat het hof het noodzakelijkheidscriterium juist toepaste. Het hof achtte het horen van de getuigen niet noodzakelijk, mede vanwege het late tijdstip van het verzoek en het ontbreken van een appelschriftuur. De begrijpelijkheid van de beslissing werd getoetst in het licht van het procesverloop en de inhoud van het verzoek.

De Hoge Raad stelde vast dat de verdediging onvoldoende had onderbouwd dat het hof onvolledig had getoetst of dat de beslissing onbegrijpelijk was. Ook was geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met een gevangenisstraf van 10 maanden.

Conclusie

Nr. 17/01344
Zitting: 2 oktober 2018
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 22 februari 2017 het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd’ bevestigd, behalve ten aanzien van de straf en de motivering daarvan. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
Namens de verdachte heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie ingesteld.
Het
middelklaagt dat het hof het verzoek tot oproeping van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ten onrechte en onbegrijpelijk heeft afgewezen.
Het in het middel bedoelde verzoek is ter terechtzitting van het hof van 8 februari 2017 door de verdediging als volgt toegelicht:
“Ik heb bij brief van 24 januari 2017 verzocht om [getuige 1] en [getuige 2] als getuige te horen. De advocaat-generaal heeft bij brief van 26 januari 2017 de verzoeken afgewezen, omdat de naam [getuige 1] haar niet uit het dossier zou blijken, althans zo begrijp ik haar mail. Cliënt heeft bij de rechtbank reeds aangegeven dat hij in hoger beroep getuigen wilde horen. Ik heb het verzoek naar mijn beleving ruim binnen de termijn gedaan. Ik herhaal het verzoek om [getuige 1] en [getuige 2], als getuigen te horen.
Ik verzoek u daartoe de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris teneinde [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te laten horen.
[getuige 1] heeft een belastende verklaring voor mijn cliënt afgelegd. Eerst heeft hij niets willen verklaren en daarna komt hij plots met een belastende verklaring. Ik vind dit een vreemde verklaring, gelet op het feit dat de bewuste pomp waarmee het GBL werd om gepompt bij [getuige 1] is aangetroffen. [getuige 2] kan over de bedreigingen aan-het adres van cliënt verklaren. Het [zijn] in mijn beleving twee relevante getuigen. Ik houd er niet van om getuigen mee te brengen naar de zitting. Ik zie graag dat zij bij de raadsheer-commissaris worden gehoord. Het klopt dat ik geen appelschriftuur heb ingediend.” [1]
5. Het hof heeft tijdens dezelfde terechtzitting als volgt op het verzoek van de verdediging beslist:
“De voorzitter [….] deelt als beslissing van het hof mede dat het hof de noodzaak niet ziet om de gevraagde getuigen te horen met betrekking tot de bedreigingen. Voorts heeft de Hoge Raad recent een standaardarrest gewezen, waarbij de Hoge Raad heeft bepaald dat het tijdstip waarop het verzoek is gedaan bij de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen ook mag worden meegenomen. Verdachte heeft in eerste aanleg bij gelegenheid van het laatste woord reeds aangegeven in hoger beroep getuigen te willen horen. Het vonnis is van 10 december 2014. De verdediging heeft geen appelschriftuur ingediend. Op 14 november 2016 is de raadsman akkoord gegaan met het feit dat de zaak vandaag zou dienen. Eerst bij brief van 24 januari 2017 wordt het verzoek tot het horen van de getuigen gedaan en vandaag ter terechtzitting nog eens herhaald. Het verzoek tot het horen van de getuigen wordt, mede gelet op het tijdstip waarop het verzoek is gedaan, afgewezen.” [2]
6. De steller van het middel betoogt allereerst dat het hof het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] niet volledig heeft getoetst. De verdediging heeft bij de onderbouwing van dat verzoek immers ook de (on)betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige 1] betrokken. Op dat punt is het hof ten onrechte niet ingegaan, aldus de steller van het middel. Voorts wordt ten aanzien van beide verzoeken, mede gelet op hetgeen aan de verzoeken ten grondslag is gelegd, geklaagd over de begrijpelijkheid van ’s hofs afwijzende beslissingen hieromtrent. Vanwege het doorslaggevend belang van de verklaring van [getuige 1] voor de bewezenverklaring van het strafbare feit, is de procedure in zijn geheel in strijd met art. 6 EVRM Pro, aldus het middel.
7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het verzoek tot het horen van de genoemde getuigen is eerst ter terechtzitting in hoger beroep gedaan. De toepasselijke maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek betreft het noodzakelijkheidscriterium. [3] Over de vraag of en in welke mate een afwijzing van zo’n verzoek nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen geen algemene regels te geven. De aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren of de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen kan hierbij een rol spelen. [4] De verdediging kan in cassatie slechts klagen over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing. [5] Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij die beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan. [6] Daarbij verdient voorts opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. [7] Het feit dat de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen omtrent het oproepen/horen van getuigen neemt, laat onverlet dat hij zich, voordat hij uitspraak doet, ervan moet vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces conform art. 6 EVRM Pro. [8] Art. 6 EVRM Pro biedt een verdachte evenwel niet een onbeperkt recht om getuigen te doen horen. [9]
8. Terug naar het onderhavige geval. Over de door het middel veronderstelde onvolledige toetsing van het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] merk ik op dat in cassatie slechts kan worden geklaagd over de bij die beoordeling toegepaste maatstaf en begrijpelijkheid van de beslissing. Die begrijpelijkheidstoets is voorts beperkt in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. In tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel betoogt, is de vraag dus niet of het hof alle in het verzoek genoemde punten bij zijn beoordeling van het verzoek tot het horen van [getuige 1] heeft betrokken, maar of bij die beoordeling de juiste maatstaf is aangelegd en of de (afwijzende) beslissing niet onbegrijpelijk is. Hierover merk ik het volgende op. In ’s hofs oordeel ligt besloten dat het de verzoeken (terecht) heeft aangemerkt als eerst ter terechtzitting in hoger beroep gedaan. Het hof overweegt dat de noodzaak tot het horen van beide getuigen ten aanzien van de veronderstelde bedreigingen niet is gebleken en heeft zodoende de juiste maatstaf aangelegd. De resterende vraag is dus slechts of de afwijzende beslissingen, in het licht van hetgeen aan de verzoeken ten grondslag is gelegd, begrijpelijk zijn.
9. De verdediging heeft aan het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ten grondslag gelegd dat de verdachte reeds in eerste aanleg heeft aangegeven deze getuigen in hoger beroep te willen horen. [10] Met betrekking tot de getuige [getuige 1] wordt aan dit verzoek nader ten grondslag gelegd dat hij een belastende verklaring heeft afgelegd, die in de ogen van de verdediging vreemd is omdat de pomp waarmee het GBL (ik begrijp in kleinere verpakkingen, D.P.) is omgepompt bij [getuige 1] is aangetroffen. Aan het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 2] wordt voorts nader ten grondslag gelegd dat zij over de bedreigingen aan het adres van de verdachte kan verklaren. Het hof overweegt om te beginnen dat het de noodzaak niet ziet om de gevraagde getuigen te horen met betrekking tot de bedreigingen. Voorts heeft het hof overwogen dat de verdachte al ter terechtzitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat hij (in hoger beroep) getuigen zou willen horen, maar dat de verdediging hiertoe geen appelschriftuur heeft ingediend en pas kort voor de behandeling in hoger beroep per brief om deze getuigen verzocht.
10. Tegen de achtergrond van de inhoud van de tenlastelegging en gelet op hetgeen de verdediging aan het verzoek tot het horen van de getuigen ten grondslag heeft gelegd, mede in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de genoemde beslissingen het procesverloop van belang kan zijn, zoals het (late) stadium waarin de verzoeken zijn gedaan, zijn ‘s hofs beslissingen hieromtrent niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat voor zover de verdediging heeft beoogd de (on)betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1] bij de onderbouwing van het verzoek te betrekken, dit niet expliciet is aangevoerd.
11. Voor zover het middel klaagt dat de verklaring van [getuige 1] van doorslaggevend belang is geweest voor de bewezenverklaring, mist het gezien de gebezigde bewijsmiddelen feitelijke grondslag. Van een schending van art. 6 EVRM Pro is derhalve hoe dan ook geen sprake.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Zie: proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 8 februari 2017, p. 3.
2.Zie: proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 8 februari 2017, p. 3 – 4.
3.Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.59: “
4.Zie: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 2.9.
5.Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.74.
6.Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.76. Zie ook r.o. 2.77 inzake de terughoudende toetsing in cassatie van dergelijke beslissingen. Zie ook HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:440, r.o. 3.8.2.
7.Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.77.
8.Zie: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 3.9.
9.Zie: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 3.3.1.
10.Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte bij zijn laatste woord over [getuige 1] verklaard dat deze werd bedreigd omdat hij geld van iemand had aangenomen en dat hij daarom van de verdachte 10.000 euro wilde hebben, hetgeen de verdachte niet heeft willen geven. Daarop zou [getuige 1] hebben gezegd dat de verdachte dat dan nog wel zou merken. Hiervan zou de verdachte getuigen hebben en die zou hij in hoger beroep willen horen. Vgl. proces-verbaal van de zitting van 26 november 2014 van de rechtbank te Arnhem, p. 5.