Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat “de daadwerkelijke reden voor het strafrechtelijke onderzoek van de Russische Federatie naar verzoeker ingegeven is door het feit dat verzoeker in het bezit is van Russische staatsobligaties die de Russische Federatie tracht te verkrijgen”. Aangevoerd wordt dat de verzoekende staat [de opgeëiste persoon] in feite wil vervolgen wegens het verwerven van staatsobligaties uit 1982.
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen inhoudende dat de stukken ongenoegzaam zijn. De ongenoegzaamheid van de stukken zou eruit bestaan dat “er fouten in het uitleveringsverzoek staan en dat dit verzoek in strijd met de waarheid is opgesteld”. Aan de uitleveringsrechter komt geen oordeel toe over de juistheid van de tegen [de opgeëiste persoon] aangevoerde beschuldigingen; dat oordeel is aan de Russische rechter. Het onderzoek naar de vraag of het verzoek in strijd met de waarheid is opgesteld, staat evenmin ter beoordeling van de uitleveringsrechter. [3]
derde middelklaagt over het verzuim van de rechtbank te responderen op het verweer dat de uitlevering van [de opgeëiste persoon] in strijd zou zijn met het in artikel 8 EVRM Pro gegarandeerde recht op een privéleven.
vierde,
vijfdeen
zesdemiddel hebben betrekking op de “beschikking aangaande het oplegging van een maatregel van inhechtenisneming van verdachte” die is afgegeven door O.J. Zatomskaja, rechter bij de arrondissementsrechtbank te Moskou en gedateerd 8 december 2017.
vierdeen
zesdemiddel klagen over de wijze waarop het aanhoudingsbevel tot stand is gekomen. Het middel faalt omdat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of het Russische aanhoudingsbevel tegen [de opgeëiste persoon] terecht en op juiste gronden is gegeven. [4]
zevende middelklaagt over de verwerping van het beroep op mensenrechtenschendingen. Het middel stuit af op bestendige rechtspraak die inhoudt dat niet de uitleveringsrechter, maar de minister van Justitie en Veiligheid oordeelt over een beroep op mensenrechtenschendingen dat bestaat uit een reeds voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en een dreigend reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. [5]
achtste middelklaagt over de afwijzing door de rechtbank van een aanhoudingsverzoek dat er blijkens de toelichting op het middel toe strekte “de door de verdediging aangeleverde feiten en omstandigheden te laten verifiëren door de Russische Federatie” en daarmee te onderbouwen “dat het uitleveringsverzoek in strijd met de waarheid is opgesteld.” Behalve dat de uitleveringsrechter op basis van het vertrouwensbeginsel, behoudens uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn, moet uitgaan van de juistheid van de door de verzoekende staat overgelegde informatie, stuit het middel af op HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489
NJ2013/263 r.o. 4.2.2.