ECLI:NL:PHR:2018:1087

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2018
Publicatiedatum
1 oktober 2018
Zaaknummer
18/02656
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 12 Europees Verdrag betreffende uitleveringArt. 18 UitleveringswetArt. 6 EVRMArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen uitlevering aan Russische Federatie

De zaak betreft de uitlevering van een persoon aan de Russische Federatie ter vervolging wegens strafbare feiten waarvan de betrokkenheid van de opgeëiste persoon wordt betwist. De rechtbank Noord-Holland verklaarde de uitlevering toelaatbaar, waarbij zij zich baseerde op beschikkingen en aanhoudingsbevelen uit Rusland. De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in met acht middelen, waarin onder meer werd betoogd dat de uitlevering onterecht is en dat de stukken onvolledig of onjuist zouden zijn.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad merkt op dat de uitleveringsprocedure geen Nederlandse strafprocedure is en dat het bewijsrecht en de beoordeling van de juistheid van de beschuldigingen niet aan de Nederlandse uitleveringsrechter toekomt. Het vertrouwensbeginsel vereist dat de Nederlandse rechter uitgaat van de juistheid van de informatie van de verzoekende staat, tenzij uitzonderingen aan de orde zijn, die hier niet spelen.

De middelen van cassatie worden stuk voor stuk verworpen omdat zij de uitleveringsprocedure als een strafproces benaderen en daarmee afstuiten op vaste rechtspraak. Ook het beroep op mensenrechtenschendingen wordt niet door de uitleveringsrechter beoordeeld maar door de minister van Justitie en Veiligheid. De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de uitlevering aan de Russische Federatie wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

Nr. 18/02656 U
Zitting: 2 oktober 2018
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Standpunt/conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. Bij uitspraak van 12 juni 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Russische Federatie toelaatbaar verklaard ter fine van vervolging ter zake van de feiten omschreven in de “beschikking over het aanspannen en in behandeling nemen van strafzaak d.d. 1 maart 2013” en in de “beschikking over het aanpassen en in behandeling nemen van strafzaak d.d. 10 december 2013”, welke stukken als bijlage aan de uitspraak zijn gehecht. Van enige betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] bij deze feiten kan uit beide beschikkingen niet blijken nu daarin uiteen is gezet dat de feiten zijn begaan door “ongeïdentificeerde personen uit het bestuur van [A]” respectievelijk “ongeïdentificeerde personen, waaronder een aantal medewerkers en bestuurders van [A]”. Kennelijk heeft de rechtbank beide beschikkingen gelezen in samenhang met de “beschikking over het aanmerken als verdachte” van 2 oktober 2017 waarin de betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] uiteen wordt gezet en hij wordt aangeduid als “leider van Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] (verder in de tekst [A])”, naar welke beschikking wordt verwezen in het aanhoudingsbevel van 8 december 2017. [1]
2. De opgeëiste persoon heeft het cassatieberoep doen instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. T. Meevis, advocaat te Eindhoven, een schriftuur met acht middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voordat ik de middelen bespreek merk ik op dat in de meeste ervan de uitleveringsprocedure wordt benaderd als ware het een Nederlandse strafzaak. Dat is het niet. De Nederlandse uitleveringsprocedure staat ten dienste van de Russische strafzaak maar is geen strafprocedure. Dit betekent onder meer dat het “bewijsrecht” niet van toepassing is (middel 4). Om dezelfde reden staat de vraag of de beschuldigingen juist zijn, niet ter beoordeling van de Nederlandse uitleveringsrechter maar ter beoordeling van de rechter in de verzoekende staat (middelen 2 en 8). Het vertrouwensbeginsel waarop de uitleveringsprocedure berust, brengt mee dat de Nederlandse uitleveringsrechter moet uitgaan van de juistheid van de informatie die door de Russische autoriteiten is verstrekt, afgezien van uitzonderingen die in deze zaak niet aan de orde zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of het Russische aanhoudingsbevel tegen [de opgeëiste persoon] terecht en op juiste gronden is gegeven (middelen 6 en 8).
4. Het
eerste middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat “de daadwerkelijke reden voor het strafrechtelijke onderzoek van de Russische Federatie naar verzoeker ingegeven is door het feit dat verzoeker in het bezit is van Russische staatsobligaties die de Russische Federatie tracht te verkrijgen”. Aangevoerd wordt dat de verzoekende staat [de opgeëiste persoon] in feite wil vervolgen wegens het verwerven van staatsobligaties uit 1982.
5. Het specialiteitsbeginsel verzet zich ertegen dat [de opgeëiste persoon] na te zijn uitgeleverd wordt vervolgd ter zake van feiten waarvoor zijn uitlevering niet toelaatbaar is toegestaan en voorafgaand aan zijn uitlevering zijn gepleegd. Een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel staat niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter. [2]
6. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen inhoudende dat de stukken ongenoegzaam zijn. De ongenoegzaamheid van de stukken zou eruit bestaan dat “er fouten in het uitleveringsverzoek staan en dat dit verzoek in strijd met de waarheid is opgesteld”. Aan de uitleveringsrechter komt geen oordeel toe over de juistheid van de tegen [de opgeëiste persoon] aangevoerde beschuldigingen; dat oordeel is aan de Russische rechter. Het onderzoek naar de vraag of het verzoek in strijd met de waarheid is opgesteld, staat evenmin ter beoordeling van de uitleveringsrechter. [3]
7. Het
derde middelklaagt over het verzuim van de rechtbank te responderen op het verweer dat de uitlevering van [de opgeëiste persoon] in strijd zou zijn met het in artikel 8 EVRM Pro gegarandeerde recht op een privéleven.
8. In de schriftuur is niet aangegeven waaruit kan blijken dat dit verweer ter zitting is gevoerd. Uit de ter zitting overgelegde pleitnota noch uit het laatste woord waarvan een schriftelijke versie zich bij de stukken bevindt, kan blijken dat een dergelijk verweer is gevoerd. Wel wordt daarin aangegeven dat [de opgeëiste persoon] is aangehouden toen hij zijn kinderen en zwangere vrouw begeleidde die op weg waren naar de Verenigde Staten ten behoeve van de bevalling. Dit is echter geen beroep op het recht op een privéleven dat volgens de toelichting op dit middel zou worden geschonden omdat [de opgeëiste persoon] na te zijn veroordeeld nooit meer een paspoort zou kunnen krijgen om naar zijn vrouw en kinderen in het buitenland te reizen. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
9. Het
vierde,
vijfdeen
zesdemiddel hebben betrekking op de “beschikking aangaande het oplegging van een maatregel van inhechtenisneming van verdachte” die is afgegeven door O.J. Zatomskaja, rechter bij de arrondissementsrechtbank te Moskou en gedateerd 8 december 2017.
10. De middelen gaan ervan uit dat [de opgeëiste persoon] in deze beschikking reeds onherroepelijk schuldig is verklaard aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. De rechtbank heeft de beschikking echter niet aangemerkt als een onherroepelijk vonnis, maar als een aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 12 Europees Pro Verdrag betreffende uitlevering en artikel 18 Uitleveringswet Pro. Die uitleg is feitelijk en allesbehalve onbegrijpelijk gelet op de inhoud van de beschikking waarin wordt overwogen dat het noodzakelijk is om met betrekking tot [de opgeëiste persoon] “een maatregel in de vorm van voorlopige hechtenis op te leggen voor de internationale signalering via Interpol met het oog op de vaststelling van zijn verblijfsplaats, aanhouding en uitlevering naar de Russische Federatie.” Om deze reden faalt het vijfde middel waarin wordt geklaagd dat de rechtbank “ten onrechte heeft aangenomen dat de overgelegde beschikking van 8 december 2017 geen onherroepelijke beslissing betreft.”
11. Het
vierdeen
zesdemiddel klagen over de wijze waarop het aanhoudingsbevel tot stand is gekomen. Het middel faalt omdat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of het Russische aanhoudingsbevel tegen [de opgeëiste persoon] terecht en op juiste gronden is gegeven. [4]
12. Het
zevende middelklaagt over de verwerping van het beroep op mensenrechtenschendingen. Het middel stuit af op bestendige rechtspraak die inhoudt dat niet de uitleveringsrechter, maar de minister van Justitie en Veiligheid oordeelt over een beroep op mensenrechtenschendingen dat bestaat uit een reeds voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en een dreigend reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. [5]
13. Het
achtste middelklaagt over de afwijzing door de rechtbank van een aanhoudingsverzoek dat er blijkens de toelichting op het middel toe strekte “de door de verdediging aangeleverde feiten en omstandigheden te laten verifiëren door de Russische Federatie” en daarmee te onderbouwen “dat het uitleveringsverzoek in strijd met de waarheid is opgesteld.” Behalve dat de uitleveringsrechter op basis van het vertrouwensbeginsel, behoudens uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn, moet uitgaan van de juistheid van de door de verzoekende staat overgelegde informatie, stuit het middel af op HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489
NJ2013/263 r.o. 4.2.2.
14. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden en rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat zij afstuiten op bestendige rechtspraak en het karakter van de uitleveringsprocedure miskennen.
15. Deze conclusie strekt ertoe de opgeëiste persoon met toepassing van het bepaalde in artikel 80a in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder,
2.HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791,
3.Swart a.w. 1986, p. 393 nr. 348 onder verwijzing naar HR 28 juni 1977,
4.Swart a.w. 1986, p. 393 nr. 348 onder verwijzing naar HR 28 juni 1977,
5.HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463,