5.4.Daarbij is van belang dat het openbaar ministerie zijn cassatieberoep in de schriftuur heeft beperkt aan de hand van
zijnlezing van het oordeel van de rechtbank (zie hieronder 5.4.2 en 5.4.3). Gelet hierop acht ik het noodzakelijk als eerste te bespreken hoe naar mijn mening het oordeel van de rechtbank omtrent de (resterende) omvang van het beslag moet worden gelezen, voordat ik het middel inhoudelijk zal bespreken.
De omvang van het beslag ten tijde van het cassatieberoep
Standpunt openbaar ministerie
5.4.1.Volgens het openbaar ministerie rustte tijdens het wijzen van de beschikking door de rechtbank nog voor 2.712.743,24 euro beslag op de
spaarrekening van [klager] bij Van Lanschot Bankiers en is het beslag ten aanzien van de
betaalrekening bij Van Lanschot Bankiers en de vordering op [A] B.V. in zijn geheel opgeheven. Feitelijk heeft het openbaar ministerie een bedrag van 1.776.891,24 euro vrijgegeven op de wijze zoals in de bestreden beschikking is weergegeven:
- 62.166,22 euro door middel van het opheffen van het beslag op de
betaalrekening bij Van Lanschot Bankiers;
- 228.901,02 euro door middel van het vrijgeven van dit bedrag op het door beslag getroffen saldo van 2.941.644,26 euro op de
spaarrekening bij Van Lanschot Bankiers;
- 1.485.824,- euro door middel van het opheffen van het beslag op de vordering van [klager] op [A] B.V.
5.4.2.Het openbaar ministerie heeft uitdrukkelijk in de schriftuur aangegeven geen cassatieklachten te richten tegen de ontvankelijk-verklaring door de rechtbank van [klager] voor zover diens beklag gericht is tegen het beslag dat door de officier van justitie reeds was opgeheven. Ik neem aan dat het openbaar ministerie hierbij zowel doelt op de bankrekeningen van [klager] als op de vordering van [klager] op [A] B.V.
5.4.3.Daarnaast ziet het openbaar ministerie ook af van een cassatieklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie, gelet op haar uitdrukkelijke toezegging tijdens de behandeling in raadkamer van 25 januari 2016, het beslag had behoren op te heffen tot een bedrag van 2.620.000,- euro in plaats van 1.776.891,24 euro.
5.4.4.Doordat het openbaar ministerie gedeeltelijk berust in het oordeel van de rechtbank, wordt in cassatie alleen opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank voor zover dat betrekking heeft op het beslag ten aanzien van de
spaarrekening op naam van [klager] bij Van Lanschot Bankiers tot een bedrag van 1.869.634,48 euro (in plaats van 2.712.743,24 euro).
5.4.5.De schriftuur houdende tegenspraak die namens [klager] is ingediend, gaat uit van een andere lezing van de beschikking van de rechtbank die consequenties heeft voor de omvang van het beslag waarvan in cassatie uit moet worden gegaan. Volgens die opvatting heeft de rechtbank geoordeeld, dat de officier van justitie gelet op haar uitdrukkelijke toezegging tijdens de behandeling in raadkamer van 25 januari 2016 het beslag niet had moeten opheffen tot een bedrag van 1.776.891,24 euro maar tot een bedrag van 2.620.000,- euro. Dit laatste bedrag had moeten worden vrijgegeven van het door de beslagen getroffen gezamenlijke saldo van 3.003.810,48 euro van de betaalrekening (62.166,22 euro) en de spaarrekening (2.941.644,26 euro) van [klager] bij Van Lanschot Bankiers.
5.4.6.Dit staat, zo begrijp ik de raadsvrouw van [klager] , los van de opheffing van het beslag op de vordering van [klager] op [A] B.V. waartoe het openbaar ministerie reeds eerder op 28 januari 2016 had besloten. Ten aanzien van dit beslag heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op deze opheffing door het openbaar ministerie, niet langer gesproken kan worden over enig strafvorderlijk belang bij de voortduring van dit deel van het beslag en heeft de rechtbank het beklag ook voor dit deel gegrond verklaard. Nu het openbaar ministerie tegen dat laatste oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk geen cassatiemiddel heeft geformuleerd, staat dit oordeel volgens de raadsvrouw van [klager] vast.
5.4.7.Kortom, de schriftuur houdende tegenspraak gaat ervan uit dat het oordeel van de rechtbank niet alleen gevolgen heeft voor de hoogte van het door de officier van justitie vrijgegeven bedrag maar ook voor de wijze waarop dat bedrag is vrijgegeven. Aangezien het openbaar ministerie in cassatie berust in het oordeel van de rechtbank over de gegrondheid van het beklag tegen het beslag op de vordering op [A] B.V., gaat het volgens [klager] in cassatie nog slechts om het beslag op de bankrekeningen ter hoogte van een bedrag van 383.810,48 euro (3.003.810.48 – 2.620.000 = 383.810,48 euro).
Beoordeling: de omvang van het beslag in de cassatieprocedure
5.4.8.Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat thans nog beslag rust op een bedrag ter waarde van 1.869.634,48 euro op de spaarrekening van [klager] bij Van Lanschot Bankiers. Dit volgt uit het feit dat het openbaar ministerie het beslag op de banktegoeden van [klager] bij Van Lanschot Bankiers op 17 november 2017 heeft gereduceerd tot een saldo van 1.869.634,48 euro. Naast de eerder vrijgegeven bedragen zoals weergegeven in de beschikking van de rechtbank, heeft het openbaar ministerie dus ná het wijzen van de bestreden beschikking nog een bedrag van 843.108,76 euro van het beslag opgeheven, het verschil tussen 2.620.000 en 1.776.891,24 euro.
5.4.9.Hoe moeten de overwegingen van de rechtbank nu worden gelezen? Ik ben geneigd daarin de stelling in de schriftuur houdende tegenspraak te volgen en wel om de volgende redenen.
5.4.10.Uit de bestreden beschikking kan worden opgemaakt dat de rechtbank het beslag ten aanzien van de banktegoeden en het beslag op de vordering op [A] afzonderlijk heeft beoordeeld. Onder het kopje ‘’Ten aanzien van de rekeningen bij Van Lanschot Bankiers’’ heeft de rechtbank overwogen niet mee te gaan in de berekening van de officier van justitie om in plaats van de oorspronkelijke 2.620.000 euro slechts 1.776.891,24 euro vrij te geven. Volgens de rechtbank mocht de klager op de teruggave van 2.620.00 euro vertrouwen en staan de beginselen van een behoorlijk proces er aan in de weg hierop terug te komen.
5.4.11.Van belang acht ik hierbij de navolgende passages uit de hiervoor reeds geciteerde overwegingen van de rechtbank:
“[…] Vervolgens heeft de officier van justitie bij de heropening van het onderzoek in raadkamer op 9 februari 2016 kenbaar gemaakt dat zij bij de behandeling in raadkamer van 25 januari 2016 niet had bedoeld het beslag tot een bedrag van € 2.620.000,= op de rekeningen van Van Lanschot Bankiers op te willen heffen. Zoals ook omschreven is in de mail van mr. P.F. van Nieuwenhuizen, parketsecretaris, van 28 januari 2016 had de officier van justitie kennelijk eigenlijk bedoeld om een breukdeel van het beslag vrij te geven dat gelijk is aan de verhouding tussen enerzijds de totale ontvangsten (€ 6.619.900,=) en anderzijds het geldbedrag met een reëel zakelijk motief (€ 2.620.000,=). De opheffing van dat percentage, te weten 39,58 % (hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.776.891,24), is vervolgens door het openbaar ministerie vrij gegeven door middel van opheffing van het beslag op de vordering van de klager op [A] B.V., opheffing van het beslag op de betaalrekening [001] tot een bedrag van € 62.166,22 en opheffing van het beslag op het saldo van € 228.901,02 op de spaarrekening [003] .
De rechtbank kan de officier van justitie in deze redenering en berekening niet volgen. Bij de behandeling in raadkamer van 25 januari 2016 heeft de officier van justitie herhaaldelijk en uitdrukkelijk toegezegd dat zij het beslag op de bankrekeningen van de klager tot een bedrag van € 2.620.000,= op zou heffen omdat volgens de officier van justitie voldoende aannemelijk was geworden dat dit geldbedrag een reëel zakelijk motief had en hierbij geen sprake was van de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv. De klager mocht op deze toezegging vertrouwen. De beginselen van een behoorlijk proces staan er aan in de weg om een andere en nadeligere beredenering en berekening te maken.”
5.4.12.In deze overwegingen heeft de rechtbank eerst weergegeven op welke wijze de officier van justitie de vordering op [A] B.V. heeft betrokken bij de vrijgave van het eerder toegezegde bedrag van 2.620.000 euro en vervolgens overwogen dat zij de officier van justitie in de gegeven “redenering en berekening” niet kan volgen. Hierin ligt het oordeel van de rechtbank besloten dat het gehele bedrag van 2.620.000 euro van de beslagen rekeningen van [klager] dient te worden vrijgegeven en dit bedrag dus niet (gedeeltelijk) kan worden verrekend met de opheffing van het beslag op de vordering van [klager] op [A] B.V. Nu geen cassatiemiddel is geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze laatste vordering, moet deze beslissing van de rechtbank in cassatie als onherroepelijk worden beschouwd en is naar mijn mening de stelling, die wordt betrokken in de schriftuur houdende tegenspraak, juist. Dat betekent dat ná het wijzen van de bestreden beschikking nog een bedrag van 383.810,48 euro overblijft waarop het beslag rust.
5.4.13.In cassatie ligt dus slechts het oordeel van de rechtbank, voor zover dat betrekking heeft op het ‘’resterende beslag’’ tot een bedrag van 383.810,48 euro op de
spaarrekening (nummer [002] ) bij Van Lanschot Bankiers op naam van [klager] , ter beoordeling voor.