In deze zaak verzocht de officier van justitie bij de rechtbank Gelderland om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene verbleef op dat moment onder een voorlopige machtiging die was verlopen. Tijdens de procedure bleek dat betrokkene voorwaardelijk was ontslagen uit het ziekenhuis en dat de beslistermijn voor het verzoek tot voortgezet verblijf was verstreken. De rechtbank verleende desalniettemin een voorlopige machtiging, omdat een machtiging tot voortgezet verblijf niet meer kon worden afgegeven.
Betrokkene stelde beroep in cassatie tegen deze voorlopige machtiging. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet bevoegd was ambtshalve een voorlopige machtiging te verlenen zonder dat de officier van justitie daarvoor een verzoek had ingediend. De rechtbank had de officier van justitie op grond van art. 8a Wet Bopz in de gelegenheid moeten stellen het verzoek aan te passen. De voorlopige machtiging kan niet worden beschouwd als het 'mindere' van de machtiging tot voortgezet verblijf zonder expliciet verzoek.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking en wees het verzoek van de officier van justitie af. De zaak werd niet verwezen naar de rechtbank, omdat reeds toepassing was gegeven aan art. 8a Wet Bopz en de situatie een nieuwe beoordeling vereist. De uitspraak benadrukt de strikte naleving van beslistermijnen en de procedurele eisen bij machtigingen onder de Wet Bopz.