Conclusie
KIA Motors) een doorstart gemaakt. Het netwerk van dealers en reparateurs is daarbij opnieuw gestructureerd. Reparateurs die buiten de boot vielen, waaronder [eiseressen] , hebben tegen KIA Motors geprocedeerd, zowel in kort geding als in een bodemprocedure, met als inzet om weer tot het KIA-netwerk te worden toegelaten. [1] Zij hebben daarbij steeds aan het kortste eind getrokken. Net als in de eerdere procedures worden in de onderhavige bodemprocedure civielrechtelijke en mededingingsrechtelijke gronden aangevoerd. Rechtbank en hof hebben de vorderingen afgewezen.
KIA Nederland) was destijds importeur van voertuigen van het merk KIA in Nederland. Zij was onderdeel van Kroymans Corporation, die op 6 april 2009 failliet is verklaard. Het faillissement omvatte ook KIA Nederland. In het dealerbulletin van 7 april 2009 heeft [betrokkene] , managing director van KIA Nederland, bericht dat een doorstart zou worden gemaakt via een dochteronderneming van KIA Motors Europe GmbH.
waarna u
ofwel Kia Dealer en/of Kia Reparateur wordt op basis van (een) met (KIA Motors) te sluiten distributieovereenkomst(en), zulks indien (KIA Motors) besluit u (een) dergelijke overeenkomst(en) ter ondertekening voor te leggen en op voorwaarde dat deze overeenkomst(en) door u vóór het aflopen van de Overgangsperiode zijn ondertekend en aan (KIA Motors) zijn geretourneerd;
ofwel geen Kia Dealer bent, omdat (KIA Motors) u voordien (geen) distributieovereenkomst(en) ter ondertekening heeft voorgelegd of omdat u (een) dergelijke distributieovereenkomst niet vóór het aflopen van de Overgangsperiode ondertekend aan de afzender heeft geretourneerd;
2.Procesverloop
het hof). Zij hebben – na wijziging van eis – gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest (zo veel mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad: [11]
ertoe strektde mededinging te beperken (rov. 4.33-4.34). Evenmin kan worden geoordeeld of die afstemming
tot gevolgheeft dat de mededinging wordt beperkt (rov. 4.35).
bestaan geen vaststaande leverings-en/of aanstellingsbeperkingen;
kunnen ook derden/onafhankelijke reparateurs originele onderdelen aankopen – zowel rechtstreeks bij KIA Motors als bij erkende Kia reparateurs;
kunnen officiële, Kia erkende, reparateurs garantiediensten ook aan/via] standalone reparateurs leveren;
de standalone reparateur kunnen niet rechtstreeks kijken of een onderdeel voorradig is, maar moeten dit altijd bestellen via een erkend KIA reparateur;
zogenaamde recalls, waarbij door KIA Motors de klant aanschrijft; [ [eiseressen] ] wijst erop dat zij niet weten dat er een recall is, zij kunnen daar de klant dus niet over aanschrijven en zij mogen ook zelf geen recall uitvoeren. Hetzelfde geldt voor garantiewerkzaamheden. [ [eiseressen] ] kan de auto van haar klanten dan wel naar de erkende Kia reparateur brengen, maar het is lastig om de klant daarvoor geld in rekening te brengen;
de marketing door KIA Motors, bijvoorbeeld doordat de klant bij een recall een cadeaubon voor een gratis servicebeurt wordt aangeboden;
het gemis van deelname aan de coulanceregeling (bij een reparatie na afloop van de garantieperiode), een driepartijenregeling tussen KIA Motors, de importeur en de Kia dealer, waarbij ieder 1/3 deel van de kosten betaalt.
3.Bespreking principaal cassatieberoep; verbintenisrechtelijke klachten
[eiseres 2]) niet een voorlopige overeenkomst met KIA Motors heeft gesloten en dat [eiseres 2] geen contractspartij is van KIA Motors, dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Grief III in appel behelst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat KIA Motors en [eiseres 2] geen voorlopige overeenkomst hebben gesloten. [14] Het hof heeft die grief onbesproken gelaten, althans de afwijzing ervan niet gemotiveerd en [eiseressen] niet tot bewijslevering toegelaten, ondanks hun aanbod daartoe. [15]
“voormalig leden van het netwerk van KIA Nederland”, waartoe [eiseres 2] blijkens rov. 3.8 niet behoorde.
–anders dan de rechtbank [18] –bij de beoordeling van de grieven geen betekenis toe aan het feit dat [eiseres 2] geen voorlopige overeenkomst met KIA Motors heeft gesloten (hetgeen het hof zelf niet expliciet vaststelt). Het betrekt zijn overwegingen steeds op
“[D] c.s.”, waaronder blijkens de partij-aanduiding in het bestreden arrest ook [eiseres 2] valt. Ik lees daarin niet dat het hof grieven van [eiseres 2] heeft verworpen of diens vorderingen heeft afgewezen
omdatzij geen voorlopige overeenkomst zou zijn aangegaan met KIA Motors. Het hof heeft de vorderingen van [eiseressen] op andere, toereikende, gronden afgewezen. Daarom faalt het onderdeel bij gebrek aan belang.
subonderdelen 2.1 en 2.3-2.5bestrijden een deel van de in rov. 4.7 vervatte vooropstelling van het hof, te weten:
Subonderdeel 2.4voert aan dat, indien het hof de vraag heeft willen beantwoorden of uit de door [eiseressen] gestelde, op 15 april 2009 althans op 8 mei 2009 ontstane overeenkomst, volgt dat KIA Motors die overeenkomst na 31 juli 2009 had moeten voortzetten, het ten onrechte niet de Haviltex-maatstaf heeft toegepast.
Subonderdeel 2.5sluit hierbij aan met de klacht dat het hof zijn kennelijk beslissing om de Haviltex-maatstaf niet toe te passen ten onrechte niet heeft gemotiveerd.
–althans in ieder geval de subonderdelen 2.1 en 2.3
–klagen evenmin over (de juistheid van) de door het hof vooropgestelde maatstaf; zij richten hun pijlen (enkel) op oordelen van het hof die in deze algemene vooropstelling besloten zouden liggen. De subonderdelen 2.1, 2.3, 2.4 en 2.5 kunnen reeds hierom niet tot cassatie leiden.
ofeen overeenkomst tot stand is gekomen. Tot slot merk ik op dat het hof in rov. 4.7 – waarin overigens wordt verwezen naar de Haviltex-maatstaf – alleen een maatstaf formuleert en niet, zoals de subonderdelen lijken te veronderstellen, daaraan toepassing geeft. Subonderdelen 2.4 en 2.5 zijn ook hierom tevergeefs voorgesteld.
“dat [ [eiseressen] ] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat KIA Motors de contractuele relatie zou voortzetten.” [23]
Subonderdeel 3.2voegt hieraan toe dat het hof genoemde eis niet heeft beoordeeld.
KIA Motorsvoor onbepaalde tijd voortduurt. [24] Voorts doelt het hof – gelet op de overige overwegingen in rov. 4.8 – m.i. inderdaad op de contractuele relatie die [eiseressen] voorheen met
KIA Nederlandhadden. Dit betekent evenwel niet dat de subonderdelen slagen. [25]
KIA Nederland.
voor onbepaalde tijd.Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof heeft geoordeeld dat van een dergelijke relatie geen sprake is (zie zojuist 3.15).
eerste klachthoudt in dat het bestreden oordeel
“althans”rechtens onjuist is, omdat het hof ten onrechte niet de Haviltex-maatstaf heeft toegepast bij de uitleg van
“die contractuele relatie”. Vervolgens wordt verwezen naar twee stellingen van [eiseressen] , die het hof ertoe hadden moeten brengen na te gaan wat de betekenis was van de contractuele relatie die na het faillissement van KIA Nederland was ontstaan, aldus het subonderdeel.
tweede klachtbehelst dat het bestreden oordeel van het hof onjuist is omdat het hof [eiseressen] ten onrechte,
“mede vanwege het ontbreken van enige motivering”, niet tot het leveren van (tegen)bewijs heeft toegelaten
“teneinde de onjuistheid van de door het gerechtshof op voorhand aangenomen juistheid van de lezing van KIA Motors aan te kunnen tonen.”De klacht verwijst daarbij naar het bewijsaanbod [eiseressen] in
“mvg paragraaf 34 o.a.”. [26]
“op voorhand”de juistheid van de lezing van KIA Motors zou hebben aangenomen, zoals het subonderdeel in de aanhef doet voorkomen, vermag ik niet in te zien. Het hof heeft enkel geoordeeld dat [eiseressen] niet aan hun stelplicht hebben voldaan.
kunnenoordelen dat [eiseressen] niet aan hun stelplicht hebben voldaan, want hen tot bewijslevering van hun stellingen ter zake van het gerechtvaardigd vertrouwen had moeten toelaten, ziet de klacht eraan voorbij dat in het geval een procespartij naar het oordeel van de rechter niet aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan (al dan in niet in het licht van de gemotiveerde betwisting van de wederpartij), aan de vraag van bewijslevering niet wordt toegekomen. [27] Het bewijsaanbod is dan niet ter zake dienend en kan daarom worden gepasseerd. Pas als de eiser (of de gedaagde) aan zijn stelplicht heeft voldaan en de wederpartij de aangevoerde feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist, is bewijslevering aan de orde. [28]
allestellingen en argumenten die [eiseressen] ter ondersteuning van hun standpunt hadden aangevoerd, in te gaan. Niettemin zal ik deze sub-klachten kort bespreken.
KIA Motorsde contractuele relatie zou voortzetten. Van belang was dus of die berichtgeving, direct na de faillietverklaring van KIA Nederland, van
KIA Motorsafkomstig was dan wel aan
KIA Motorswas toe te rekenen. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is, wat niet onbegrijpelijk is, [30]
subonderdeel 3.5.4geldt hetzelfde Het hof heeft in rov. 4.8 (3e en 4e volzin) gemotiveerd geoordeeld dat [eiseressen] aan de berichten van 6 en 7 april 2009 niet het vertrouwen konden ontlenen dat zij in de toekomst onderdeel zouden uitmaken van het netwerk van KIA Motors.
subonderdeel 3.5.6had het hof moeten ‘bepalen’ wat de omstandigheid betekent dat [eiseressen] na het faillissement van KIA Nederland (mede) op verzoek KIA Motors werkzaamheden voor het merk KIA zijn blijven uitvoeren. Dit subonderdeel ziet eraan voorbij dat het hof
heeftbepaald wat de betekenis van deze omstandigheid is. In rov. 4.8 (5e volzin) overweegt het hof dat die omstandigheid niet met zich brengt dat [eiseressen] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat KIA Motors (i.o.) met hen een contractuele (duur)relatie was aangegaan.
“mede”van belang acht de brief van 8 mei 2009, gelet op de inhoud van de passages uit die brief waar het hof op wijst. Daarbij merk ik tevens op dat waar het subonderdeel rept over het vóór de gewraakte brief al bestaande vertrouwen, het eraan voorbijgaat dat het hof nergens heeft geoordeeld dat dergelijk vertrouwen op enig moment heeft (mogen) bestaan.
“onmiskenbare stelling”dat in het bulletin van 29 april 2009
“het voortbestaan van de samenwerking zelf als uitgangspunt is genomen”niet als zodanig door [eiseressen] is betrokken in de passage van de memorie van grieven, [32] waarnaar het subonderdeel verwijst.
–dat het oordeel van het hof goeddeels verkeerd weergeeft [33] –lees ik aldus dat wordt geklaagd dat de verwijzing naar de bewoordingen van de brief van 8 mei 2009 onbegrijpelijk is, omdat het hof had moeten ingaan op een zevental (a-g)
“voor de uitleg van die brief met bijlage onmiskenbaar relevante”stellingen.
sub a-cin wezen wordt aangestuurd op een feitelijke (her)beoordeling waarvoor in cassatie geen plaats is. De stelling
sub dlees ik als zodanig niet terug in de door het subonderdeel genoemde vindplaats in punt 11.6 van de memorie van grieven. Voor de stelling
sub fgeldt dat de door het subonderdeel genoemde vindplaats in de memorie van grieven geen stelling behelst, maar de weergave van grief VII. De stelling
sub evormt in de kern een herhaling van subonderdeel 3.5.3.
“omissie”heeft genoemd, zodat het hof
“er kennelijk vanuit is gegaan dat die vermelding in de brief had moeten worden opgenomen, indien KIA Motors het ontstaan of voortduren door [eiseressen] van het gestelde vertrouwen had willen vermijden.”[eiseressen] gaan er ten onrechte aan voorbij dat volgens het hof de omissie die niet is hersteld in de brief van KIA Motors van 12 mei 2009,
evenminafdoet aan het oordeel dat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde [eiseressen] (vgl. rov. 4.8, de op twee na laatste en laatste volzin).
“in die zin”ook onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 4.28 (5e volzin), zonder duidelijk te maken
in welke zindit oordeel onbegrijpelijk is. Ik acht het aangevochten oordeel niet onbegrijpelijk.
subonderdelen 3.5.12-3.5.14zijn gekant tegen de overweging dat
“hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat deze kennelijke omissie niet is hersteld in de brief van KIA Motors van 12 mei 2009”(rov. 4.8, voorlaatste volzin). De klachten willen dat Uw Raad het niet herstellen van de “kennelijke omissie” anders waardeert dan het hof heeft gedaan. Daarvoor is in cassatie geen plaats.
“onmiskenbare”betoog van [eiseressen] dat KIA Motors haar berichtgeving had moeten aanpassen op de perceptie van [eiseressen] dat
“volgens de gangbare interpretatie van het Europese mededingingsrecht iedere reparateur die aan de standards voldoet als erkend reparateur moet worden toegelaten” [34] , teneinde valse verwachtingen te voorkomen. Verder sluit ik mij aan bij wat KIA Motors in haar schriftelijke toelichting onder 4.3.16 opmerkt: als [eiseressen] een uitleg geven van het mededingingsrecht die volgens KIA Motors onjuist is, dan is het niet aan KIA Motors “
die verkeerde voorstelling van zaken weg te nemen, ‘op straffe van’ gerechtvaardigd vertrouwen.”
tot slotdat het hof [eiseressen]
“in elk geval”tot (tegen)bewijslevering hadden moeten toelaten, gelet op hun bewijsaanbod. Deze klacht faalt om de in 3.22 en 3.23 hiervoor genoemde reden.
“relevante”stellingen van [eiseressen] . De klacht zou zich ook richten tegen rov. 4.14, waarin het hof de grief verwerpt tegen het oordeel van de rechtbank dat KIA Motors niet in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke betamelijkheid. [eiseressen] lichten echter niet toe op welke punt(en) en op welke grond(en) zij ook die rechtsoverweging aanvechten.
onder c en dgenoemde stellingen in de gedingstukken in feitelijke instanties worden niet vermeld in de procesinleiding in cassatie. Het subonderdeel voldoet op dit punt derhalve niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
onder a(KIA Motors is betrokken geweest bij de dealerrelatie tussen KIA Nederland en [eiseressen] ) is in de context van bestreden oordeel niet als essentieel aan te merken. De (mogelijke) betrokkenheid van KIA Motors bij het KIA-verleden van [eiseressen] [35] zegt op zichzelf namelijk niets over de verhouding tussen KIA Nederland en KIA Motors. Het oordeel dat KIA Motors bij dat verleden geen betrokkenheid heeft gehad is in elk geval niet onbegrijpelijk.
onder b(KIA Motors heeft zich met KIA Nederland vereenzelvigd) merk ik op dat [eiseressen] – anders dan het subonderdeel doet voorkomen –
niethebben gesteld dat KIA Motors zich met
KIA Nederlandheeft vereenzelvigd, maar dat beide zich met het
KIA-concernhebben vereenzelvigd. [36] Indien echter [eiseressen] de onder b genoemde stelling wel zouden hebben betrokken, ligt de respons van het hof daarop besloten in de overweging dat KIA Nederland en KIA Motors verschillende rechtspersonen zijn. Daarmee wordt het andersluidende betoog van [eiseressen] verworpen.
onder e(gelet op de geruststellende woorden van KIA Motors dient de balans in het voordeel van [eiseressen] door te slaan) is in deze context evenmin essentieel. Hoe dan ook heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de door [eiseressen] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat het niet verlengen (“
beëindigen”) van de voorlopige overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 4.11, tweede volzin).
ten onrechte onbewezen achten van de stellingen van [eiseressen]” dan wel een “
juist bevinden van het verweer van KIA Motors” is evenmin sprake.
4.Bespreking principaal cassatieberoep; mededingingsrechtelijke klachten
wederkerigecontacten. Onder omstandigheden kan ook een stilzwijgen voldoende zijn voor het aannemen van onderlinge afstemming. [37] Naast afstemming omvat een o.a.f.g. volgens vaste rechtspraak twee andere bestanddelen: een op de afstemming volgend marktgedrag en een oorzakelijk verband tussen de afstemming en het gedrag. [38]
verticaleverhouding aan de orde, namelijk die tussen KIA Motors en de leden van haar netwerk. Aan dergelijke verticale verhoudingen is contact en wellicht ook enige mate van coördinatie min of meer inherent. In de praktijk speelt het begrip o.a.f.g. in verticale zaken ook nauwelijks een rol van betekenis. Dit laat onverlet dat het begrip o.a.f.g. wel degelijk betrekking
kanhebben op verticale verhoudingen. Noch de tekst van art. 101 lid 1 VWEU Pro noch genoemde rechtspraak sluiten dat uit. [39] Voorbeelden betreffen oudere zaken waarin afgestemd gedrag erop was gericht parallelimporten van merkartikelen tegen te gaan. [40] Een en ander speelt in de onderhavige zaak niet.
overeenkomsttussen de fabrikant/importeur en zijn erkende handelaren. In dat verband is het arrest
Bayerleidend [41] (zie ook hierna onderdeel 5). Ook daar komt het element van wederkerigheid terug, namelijk in de vorm van wilsovereenstemming als wezenlijk element van een ‘overeenkomst’ in de zin van art. 101 lid 1 VWEU Pro. Over het begrip o.a.f.g. heeft het HvJEU zich nog niet in deze zin uitgelaten. Volgens een gezaghebbend handboek is het evenwel goed voorstelbaar dat het HvJEU in
Bayerde ondergrens heeft geformuleerd voor toepassing van art. 101 lid 1 VWEU Pro op verticale verhoudingen (zowel voor overeenkomsten als voor o.a.f.g’s), namelijk dat er op zijn minst stilzwijgende instemming moet zijn. [42]
waarbij twee of meer (…) elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzame ondernemingen partij zijn en die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of wederverkopen.” [44]
inter-brandconcurrentie tussen leveranciers wordt dan beperkt. Ander voorbeeld: als handelaren behorend tot het netwerk van een leverancier zich ertoe hebben verplicht geen contractproducten door te leveren aan niet-erkende handelaren, wordt de
intra-brandconcurrentie tussen handelaren beperkt.
SGD e.a./Agib). [45] Leidend precedent is hier het arrest
Cartes bancaires. [46] Het praktisch belang van het verschil tussen beide categorieën beperkingen is dat van strekkingsbeperkingen de effecten op de mededinging niet hoeven te worden onderzocht en dat zij voorts worden geacht de mededinging
merkbaarte beperken. In de praktijk is vaak de vraag aan de orde hoe moet worden vastgesteld of een bepaald beding of een bepaalde gedraging ertoe strekt de mededinging te beperken. Soms springt in het oog dat dat zo is, bijvoorbeeld als een afspraak redelijkerwijs geen ander doel kan hebben dan de mededinging te beperken. Meestal echter moet de partij die zich beroept op een strekkingsbeding de aanwezigheid daarvan aan de hand van de juridische en economische context en de structuur van de betrokken markt aantonen. Ook in deze zaak was dat laatste noodzakelijk, zoals het hof terecht heeft geoordeeld naar aanleiding van de stelling van [eiseressen] dat de weigering haar toe te laten als erkend reparateur een handeling dan wel gedraging is die naar haar strekking de mededinging beperkt (rov. 4.33).
IATA [47] betrekkelijk hoge eisen gesteld aan de stelplicht van eiseressen, die zich op een mededingingsinbreuk beroepen (rov. 4.20). De Hoge Raad overwoog in dat arrest:
3.6.1 In het mededingingsrecht staan vraagstukken van (niet zelden complexe) economische aard centraal. Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. Tegen deze achtergrond bepaalt art. 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003 L 1/1-25) dat in alle nationale of communautaire procedures tot toepassing van art. 81 en Pro 82 EG (art. 101 en Pro 102 VWEU) de partij die beweert dat een inbreuk op een van deze artikelen is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk dient te dragen. De rechter dient immers in staat te worden gesteld, zo nodig nader voorgelicht door partijen, deskundigen en in voorkomende gevallen de Nederlandse Mededingingsautoriteit of de Europese Commissie (art. 89h Mw), de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden teneinde te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. (…).”
Groepsvrijstelling Verticalen. Mededingingsbeperkingen in verticale overeenkomsten zijn op de voet van die verordening van rechtswege overeenkomstig art. 101 lid 3 VWEU Pro vrijgesteld van het verbod van art. 101 lid 1 VWEU Pro als zij binnen de werkingssfeer van de betrokken verordening vallen en aan alle daarin opgenomen voorwaarden voor een vrijstelling voldoen. De vigerende versie van die verordening dateert uit 2010. [48]
Groepsvrijstelling Automobielen. Ten tijde van het besluit van KIA Motors om aan [eiseressen] geen Reparateursovereenkomst aan te bieden (juli 2009) was Verordening (EU) nr. 1400/2002 nog van kracht. Art. 1 van Pro die verordening bevat onder meer de volgende definities:
Richtsnoeren Automotive. [53] [eiseressen] hebben met name gewezen op punt 70 van deze richtsnoeren:
Toegang tot erkende herstellingsnetwerken
de factoeen beperking van het aantal reparateurs wordt aangebracht, zonder dat met kwantitatieve selectiecriteria wordt gewerkt. Volgens [eiseressen] is dat kennelijk geval: als niet elke reparateur lid kan worden die in staat en bereid is aan de kwalitatieve voorwaarden te voldoen, zou de mededinging worden beperkt. Zo stellig zegt de Commissie het in de onderstreepte passage zeker niet. Het standpunt van Van Benthem komt er bovendien op neer dat de leverancier ieder garagebedrijf dat lid kan en wil worden van het netwerk, moet toelaten. M.i. levert een weigering tot contracteren c.q. een garagebedrijf toe te laten tot een netwerk
op zichzelfgeen schending op van het kartelverbod; de contractsvrijheid is uitgangspunt. [54] Over de contractsvrijheid overwoog de Hoge Raad in het arrest
NVM/Veerman q.q.:
5.3.2 Iedere onderneming heeft in beginsel het recht haar eigen handelspartners te kiezen en over haar eigendom te beschikken (…).” [55]
Bronner-arrest uit 1998 heeft gesteld aan de ‘
essential facility’-leer: (i) het product of de dienst waarvoor toegang wordt gevraagd moet onontbeerlijk (objectief onmisbaar) zijn, in de zin dat er geen enkel reëel of potentieel alternatief voor bestaat, (ii) de weigering kan elke mededinging op de stroomafwaartse markt uitsluiten en (iii) de weigering is niet objectief gerechtvaardigd. [56]
“hetgeen [ [eiseressen] ] in dit verband aanvoert, [onvoldoende is] om te kunnen aannemen dat tussen KIA Motors en de dealers/reparateurs binnen haar netwerk wilsovereenstemming bestond in de hiervoor bedoelde zin”(rov. 4.24, 6e volzin).
Bayer/Commissieheeft het Gerecht de volgende, inmiddels tot standaard verworden omschrijving gegeven van dit begrip: [58]
wilsovereenstemmingbestond over het weren van [eiseressen] . Door aldus wilsovereenstemming tot uitgangspunt te nemen bij zijn oordeel heeft het hof klaarblijkelijk aansluiting gezocht bij het mededingingsrechtelijke overeenkomstenbegrip. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
relevante argumenten”, die [eiseressen] in feitelijke instanties hebben aangevoerd.
zijnbeoordeeld (zie rov. 4.24):
“in dit verband is van belang”), onder verwijzing naar de omstandigheid dat KIA Motors zes nieuwe standalone reparateurs tot haar netwerk heeft toegelaten.
AEG Telefunken [62] volgt dat de weigering van een producent om een handelaar die aan de toelatingseisen voldoet tot zijn netwerk toe te laten, niet als een eenzijdige handeling moet worden aangemerkt, maar veeleer valt binnen de contractuele betrekkingen die hij met zijn wederverkopers onderhoudt. Ik ga daar niet in mee. Het HvJEU heeft in het
Bayer-arrest verduidelijkt dat het in
AEG Telefunkenniet ging om de vraag of een overeenkomst in de zin van art. 101 lid 1 VWEU Pro was gesloten (dat stond in die zaak al vast), maar of de maatregelen die de producent later had genomen, pasten in het kader van die overeenkomst en daarom in aanmerking dienden te worden genomen bij de toetsing van deze overeenkomst aan bedoeld artikel
. [63] In casu gaat het wél om de vraag óf een overeenkomst tot stand was gekomen tussen KIA Motors en de leden van haar netwerk om onafhankelijke reparateurs te weigeren.
“KIA Motors slechts één nieuwe zuivere stand-alone erkend reparateur heeft aangesteld” en dat dit “
niets afdoet aan de gestelde afspraak c.q. de afstemming.”
niet(
“evenmin”) duidt op de gestelde overeenkomst. Aldus behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de (in verschillende opzichten) andersluidende stelling van [eiseressen] .
“ten onrechte niet [heeft] geuit over de doelen van de geconstateerde afstemming”.
Subonderdeel 6.2koppelt daar de motiveringsklacht aan vast dat het hof niet
“de stellingen van [eiseressen] omtrent de doelen van de overeenkomst heeft besproken,”waarbij naar vindplaatsen in de memorie van grieven wordt gewezen.
strektde mededinging te beperken. Het bij de beantwoording van deze vraag toe te passen beoordelingskader volgt uit het arrest
Groupement des cartes bancaires, [64] waarin het HvJEU – voor zover hier van belang – overwoog: [65]
subonderdeel 6.2gegeven.
“in relaties zoals hier”, zodat het bestreden oordeel rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
“voor het bepalen van de positie van zowel KIA Motors als haar aftersalesnetwerk (de KIA-dealers en de enkele stand-alone KIA-erkend reparateur) op de relevante productmarkt, [bepalend is] (de marktpositie van de genoemde partijen op) de (merkspecifieke) markt voor de levering (aan eindafnemers) van reserve-onderdelen en reparatie en onderhoudsdiensten voor KIA’s.”Vervolgens wijzen [eiseressen] er
“ten overvloede”op dat de NMa
“overeenkomstig”heeft geoordeeld. [67]
De relevante markten voor toepassing van artikel 101 en Pro 102 VWEU zijn gelijk. Hierboven is dat reeds aangetoond alsmede dat de stroomafwaarts markt voor onderhoud en reparatie van KIA’s de relevante markt is.” Deze laatste zinsnede vormt m.i. een verwijzing naar het op de Richtsnoeren Automotive van de Commissie en de conclusies van de NMa (daterend van vóór die richtsnoeren) berustende betoog.
“het hof heeft miskend dat het ambtshalve, althans op grond van de verwijzing van [eiseressen] daarnaar, de richtsnoeren had moeten beoordelen in het kader van de onderhavige stellingen van [eiseressen] ”, omdat a) “
de richtlijnen” (bedoeld zal zijn: de richtsnoeren) gelden als ervaringsregels die van belang zijn bij de beoordeling of er een strekkingsbeperking is, dan wel omdat b) in de parlementaire geschiedenis van de Mededingingswet het belang van onder meer richtsnoeren (soft law) van de Commissie is benadrukt.
heefthet hof acht geslagen op de stellingen die [eiseressen] ontlenen aan de Richtsnoeren Automotive (zie de bespreking van subonderdeel 6.3). Ten tweede rust op het hof niet de verplichting om richtsnoeren van de Commissie ambtshalve toe te passen. Ten derde zijn genoemde richtsnoeren niet meer dan een nuttige leidraad. Een enkele verwijzing naar richtsnoeren volstaat ook niet om aan te tonen dat een bepaalde gedraging de mededinging ertoe strekt de mededinging te beperken. [68]
“aangehaalde stellingname van de NMa”.
“standpunten van [eiseressen]”
Onder awijzen [eiseressen] tevergeefs op de mededingingsrechtelijke relevantie van de koppeling tussen het dealerschap en het erkend reparateurschap. Die kwestie stond centraal in de eerdere procedures van reparateurs tegen KIA Motors (zie daarover ook de meergenoemde stellingname van de NMa), maar die koppeling heeft KIA Motors opgegeven. KIA Motors heeft immers inmiddels zes erkende standalone-reparateurs. Bovendien staat de kwestie van genoemde koppeling los van het oordeel in rov. 4.33 waar de klacht zich tegen richt. De stelling omtrent de koppeling is in deze context dus niet als essentieel aan te merken. Hetzelfde geldt voor het betoog waarnaar
onder cverwezen wordt (
“het draait om de toelating tot het KIA-netwerk”): dit betoog is in niet essentieel voor de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat [eiseressen] onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat hier sprake is van een strekkingsbeperking. De
onder bgenoemde stelling lees ik niet terug op de door het subonderdeel genoemde vindplaats in de memorie van grieven. Als met deze stelling hetzelfde is bedoeld als met de stelling onder a, geldt wat ik zo juist over die stelling heb opgemerkt. Voor de
onder dgenoemde stelling noemt het subonderdeel geen vindplaats in de gedingstukken. Het voldoet daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro.
alhun stellingen ter zake voldoende te onderbouwen met relevante (economische) feiten en omstandigheden. [70]
“desondanks”van oordeel is dat zich geen strekkingsbeperking voordoet.
“indien het gerechtshof van mening was dat dit bewijsaanbod in geen geval zou kunnen bijdragen aan de overtuigingskracht van de stellingen van [eiseressen] terzake.”Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Ik volsta met een verwijzing naar 3.22 en 3.23 hiervoor. Hetgeen daar is opgemerkt geldt voor alle plaatsen waar [eiseressen] klagen dat het hof is voorbijgegaan aan een door hen (beweerdelijk) gedaan bewijsaanbod.
Subonderdeel 1bevat een rechtsklacht: er was sprake van een strekkingsbeding en dus lag de stelplicht “
ter zake” bij KIA Motors.
merkbaarheidvan de mededingingsbeperking. De stelplicht ter zake van de merkbaarheid van de – ten onrechte veronderstelde – strekkingbeperking is daarom niet aan de orde. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag. Dat het hof in rov. 4.34 de frases
“de mededinging merkbaar beperkt”en
“merkbare beperking”bezigt, [71] maakt dit niet anders. Het hof bespreekt de merkbaarheid van de gestelde mededingingsbeperking die het gevolg zou zijn van de weigering van KIA Motors eerst in rov. 4.36-4.39 in het kader van de vraag of men hier van doen heeft met een
gevolgbeperking,
nadathet in rov. 4.33 en 4.34 heeft geoordeeld dat niet kan worden beoordeeld of sprake is van een
strekkingsbeding.
“de (manier van) mededingingsbeperking door limitering van het aantal erkend reparateurs.”Daarnaast (2) zou het hof ten onrechte niet de stelling hebben besproken dat
“de omzet bijna geheel is weggevallen”. Ook (3) zou het hof hebben
“miskend dat het, bij het staken van de stemmen, diende te bepalen welke van de gestelde markten, de relevante markt is.”
Klacht 2slaagt evenmin. Het oordeel in rov. 4.34 behelst immers dat [eiseressen] in hun stelplicht zijn tekortgeschoten, meer concreet op het punt van de afbakening van de relevante markt. De stelling omtrent het vrijwel geheel wegvallen van de omzet is in deze context niet als essentieel aan te merken omdat niet duidelijk is hoe die stelling kan bijdragen aan het aantonen van een strekkingsbeperking.
Klacht 3faalt omdat niet wordt aangegeven waaruit de genoemde verplichting van het hof zou volgen. Het was bovendien aan [eiseressen] , als de partij die zich beroept op een schending van de mededingingsregels, om voldoende inzicht te geven in alle relevante feiten en omstandigheden. [72]
gevolgheeft dat de mededinging wordt beperkt. Het hof komt, zij het wat impliciet, tot het oordeel dat dit
niethet geval is. Kernoverweging is rov. 4.35 (zie hiervoor, 2.13). Deze rechtsoverweging valt in twee delen uiteen. In het
eerstedeel oordeelt het hof, voortbouwend op rov. 4.34, dat het niet voldoen aan de stelplicht met betrekking tot de afbakening van de relevante markt met zich brengt dat evenmin kan worden beoordeeld of sprake is van een gevolgbeperking. Het
tweededeel behelst het oordeel dat, indien in het midden wordt gelaten wat de relevante markt in dit geval is, niet is komen vast te staan dat zich mededingingsbeperkende gevolgen voordoen als gevolg van de litigieuze weigering van KIA Motors.
gevolgbeperking. [73] Teneinde de grond aan dit oordeel te doen ontvallen zullen [eiseressen] beide gronden met succes moeten bestrijden. Zouden de tegen het eerste deel van rov. 4.35 gerichte klachten (subonderdeel 8.1) falen, dan behoeven de tegen het tweede deel gerichte klachten (subonderdeel 8.2, onderdelen 9-11) geen bespreking bij gebreke van belang van [eiseressen] bij die klachten, en
vice versa.
geen gevolgbeperking
“die overwegingen en beslissingen [geen stand kunnen] houden, gelet op dat wat hierboven bij klacht 6 is aangevoerd over het belang van de richtsnoeren en de stellingname van de NMa, waaruit blijkt hoe de markt afgebakend moet worden.”
Two other major rigidities still exist, neither of which can be satisfactorily removed by competition rules. (…). Secondly, while the extension of warranty periods undoubtedly has consumer benefits, it also has the effect of shutting independent repairers out from a sizeable slice of the overall repair market. It should also not be forgotten that part of the key to maintaining after-market competition lies in the hands of consumers, who until now have demonstrated a certain reluctance to turn to the independent sector, particularly for the repair and maintenance of younger vehicles. Ultimately, this reticence may only be overcome if the independent sector is able to build brand images that are equal to those of the vehicle manufacturers' networks. The evolution of independent chains is one sign that this may be beginning to happen.”
Reparateurs/KIA Motors), in rov. 6.7:
de factohet aantal reparateurs beperkt.
de factowordt beperkt, zoals wordt overwogen in rov. 4.23. De weigering van KIA Motors een onafhankelijke reparateur toe te laten tot haar netwerk is niet aan te merken als een leveringsverbod of –beperking. Voor de door het hof vastgestelde keuzevrijheid maakt het niet uit of niet-erkende reparateurs reserveonderdelen enkel kunnen afnemen bij erkende KIA-reparateurs of bij KIA Motors, zodat het subonderdeel m.i. ook in zoverre geen grond biedt voor aantasting van het bestreden oordeel van het hof.
subonderdeel 9.2is het oordeel dat derden/onafhankelijke reparateurs originele onderdelen zowel rechtstreeks bij KIA Motors als bij KIA erkende reparateurs kunnen aankopen onbegrijpelijk in het licht van de volgende stellingname van [eiseressen] bij pleidooi in appel: [79]
Dat [ [eiseressen] ] daardoor in een nadeliger positie verkeert dan de erkende KIA-reparateurs, die zelf reserveonderdelen bij KIA Motors kunnen bestellen en deze zonder vertraging van een à twee dagen geleverd krijgen is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [dit] een merkbare beperking van de mededinging tot gevolg heeft.”
“centrale stellingen”in de laatste fase van het hoger beroep zouden hebben prijsgegeven of hebben willen prijsgeven.
subonderdeel 10.1kan niet tot cassatie leiden, nu de klacht voortbouwt op de subonderdelen 8.2 en/of 9.3, die tevergeefs zijn voorgesteld.
subonderdeel 11.1is het bestreden oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet ingaat op de door [eiseressen] in punten 29.15-29.17 en 33.2-33.6 van de memorie van grieven gestelde gevolgen van de litigieuze weigering. Het subonderdeel vertoont overeenstemming met subonderdeel 10.2. In beide gevallen is het oordeel toegespitst op de door [eiseressen] ter zitting aangevoerde concrete nadelen die aan het door KIA Motors gehanteerde distributiesysteem zouden kleven. Daarnaast wijst het subonderdeel op dezelfde gevolgen (en de vindplaatsen daarvan) als subonderdeel 10.2. De klacht stuit daarom op dezelfde gronden af.
nadeliger positie” waarin [eiseressen] verkeren ten opzichte van erkende KIA-reparateurs.
Hoffman-La Rocheen
British Airways, het besluit van de Commissie in
IBMen de uitspraak van een Belgisch gerecht in de zaak
Ducati. [84] Subonderdeel 13.2voegt hieraan toe dat, indien het hof deze grondslagen heeft afgewezen, het die afwijzingen ten onrechte niet heeft gemotiveerd.
Hoffmann-La Rochegegeven omschrijving van het begrip ‘misbruik’, in het kader van hun beroep op art. 102 VWEU Pro onder meer het volgende aangevoerd (mijn onderstrepingen): [85]
British Airwaysen
IBMvolgt volgens hen dat “
het toepassen van ongelijke voorwaarden voor handelspartners of het niet (meer) (be)leveren van of aan (voormalige) handelspartners – lees: het laten eindigen van de relatie met voormalige handelspartners – misbruikelijk is.” [86] Zij hebben daarnaast betoogd dat in de onderhavige zaak sprake is van een koppeling tussen sales en aftersales, welke koppeling in de
Ducati-zaak als ‘misbruik’ werd aangemerkt. [87]
“de weigering om te worden toegelaten als erkend reparateur”(rov. 4.49-4.52), respectievelijk de door [eiseressen]
“gestelde discriminatie tussen door KIA Motors erkende én niet erkende reparateurs”(rov. 4.53) misbruik in de zin van art. 102 VWEU Pro/24 Mw vormt. Het falen van subonderdelen 13.1 en 13.2 ligt daarin besloten.
Bronner-criteria’ [89] toegepast en aldus de juiste beoordelingsmaatstaf aangelegd. Tot een bespreking (of een gemotiveerde afwijzing) van de andere door [eiseressen] ingeroepen grondslagen was het hof niet gehouden.
Bronner-arrest, omdat de verhouding tussen partijen in die zaak van een andere aard was dan die tussen partijen in de onderhavige zaak. Bronner was een outsider, terwijl [eiseressen] “
na gegrondbevinding van klacht 1 geen outsider zijn maar ‘betrokkene’”.
Bronner-criteria. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen ‘outsiders’ en ‘betrokkenen’. Het hof heeft niet, zoals het subonderdeel lijkt te veronderstellen, het standpunt van [eiseressen] afgewezen op grond van een op de feiten van de zaak
Bronnertoegespitste beoordeling.
“de door [eiseressen] gestelde (…), door het hof ten onrechte onbesproken gelaten bijzondere omstandigheid dat gelijkwaardige partijen, althans voorheen gelijkwaardige partijen (allebei erkend reparateur) zonder gerechtvaardigde redenen niet langer gelijk behandeld worden.”De discriminatie bestaat er voorts in, aldus
subonderdeel 14.2, dat
“bepaalde stand alones wel zijn toegelaten en [eiseressen] niet, zonder dat een objectieve redengeving is gegeven (…).”
subonderdeel 14.2ligt reeds hierin besloten dat de door het subonderdeel aangehaalde stelling als zodanig niet terug te lezen is in de genoemde vindplaatsen in de gedingstukken. Het feit dat uit de gedingstukken zijdens KIA Motors niet blijkt waarom zes (en niet meer) onafhankelijke standalone-reparateurs wél zijn toegelaten en waarom dat
dezezes zijn (en niet andere die om toelating hebben verzocht), leidt niet tot een ander oordeel. Ik lees in de stellingen van [eiseressen] niet de klacht dat zij zijn gediscrimineerd ten opzichte van (specifiek) de zes die wél zijn toegelaten.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
selectiefdistributiestelsel
–dat zich volgens het subonderdeel onder andere kenmerkt door tussen leveranciers en distributeurs overeengekomen beperkingen in de vorm van een doorleververbod en een aanstellingsverbod
–buiten de werkingssfeer van art. 101 lid 1 VWEU Pro valt. Volgens het subonderdeel heeft het hof aldus miskend dat ten aanzien van de aftersalesdiensten van KIA Motors geen sprake is van een selectief distributiestelsel, omdat KIA Motors voornoemde (mededingings)beperkingen niet is overeengekomen met enige wederpartij. Nu van enige (mededingings)beperking geen sprake is, zo vervolgt het subonderdeel, kan geen sprake zijn van een schending van het kartelverbod, en behoort het – naar het hof heeft miskend – tot de vrijheid van KIA Motors om te contracteren met wie zij wil. Een weigering om met [eiseressen] te contracteren kan in beginsel niet verboden zijn op grond van art. 101 lid 1 VWEU Pro/art. 6 lid 1 Mw Pro.
onder de werking van art. 101 lid 1 VWEU Pro valt” lijkt mij te zien op dezelfde vraag als wat even verderop heet: “
onder het verbod van art. 101 lid 1 VWEU Pro valt”. Het komt er dus op aan of het distributiestelsel voor de aftersalesmarkt een of meer mededingingsbeperkingen bevat. Volgens het hof is dat het geval: slechts als het stelsel voldoet aan de eisen van een kwalitatief selectief distributiestelsel valt het buiten “
het werkingsbereik”van het eerste lid. Het door KIA Motors gehanteerde distributiestelsel voldoet niet aan die eisen omdat
de factohet aantal reparateurs beperkt wordt en niet is gebleken dat dit op grond van objectieve criteria gebeurt, aldus het hof. Volgens KIA Motors daarentegen is het niet zo dat een distributiestelsel slechts buiten het verbod van art. 101 lid 1 VWEU Pro valt als het is vormgegeven als selectief distributiestelsel. Zij heeft m.i. in zoverre het gelijk aan haar zijde waar zij stelt dat de criteria die het hof in rov. 4.23 noemt enkel zien op selectieve distributiestelsels, althans die waarin sprake is van een overeengekomen aanstellingsbeperking. [90] Dat is echter niet de kern van de discussie.
c) Aufgabe des selektiven Vertriebssystems?
isdat toelating niet geschiedt op grond van objectieve criteria. Voor de vraag óf het distributiestelsel van KIA Motors aan art. 101 lid 1 VWEU Pro/art. 6 lid 1 Mw Pro moet worden getoetst, was die laatste vaststelling niet noodzakelijk.
“genoegzaam”is gegeven dat:
“uit de door het hof in rov. 4.28 relevant geachte omstandigheden”niet blijkt dat – zoals het hof in rov. 4.29 heeft overwogen – KIA Motors aan de leden van haar netwerk heeft duidelijk gemaakt dat in beginsel geen standalone reparateurs tot haar netwerk (kunnen) worden toegelaten.
“KIA Reparateur”juist standalone-reparateurs worden verstaan. De categorie standalone reparateurs werd – anders dan het hof heeft aangenomen – niet uitgesloten, aldus het subonderdeel.
ofKIA erkend reparateurwilden worden, zoals het hof overweegt, suggereert dat ook (enkel) een KIA erkend reparateurschap, oftewel standalone-reparateurschap binnen het KIA-netwerk, tot de mogelijkheden behoorde. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het hof deze vaststelling doet volgen met de overweging dat de overeenkomsten
geenbetrekking hadden op
standalone- reparateurs. In het licht van het voorgaande is evenmin begrijpelijk de conclusie van het hof dat de categorie van standalone-reparateurs (
“deze laatste categorie”) dus, met uitzondering van zes toegelaten standalone-reparateurs, buiten de met KIA Motors te sluiten overeenkomsten is gevallen. Het subonderdeel treft dan ook doel.
nietkan worden afgeleid dat enige beperking zal gelden (met betrekking tot o.a. het aanstellen van standalone reparateurs). [96] In het licht van deze stelling is m.i. zonder motivering onbegrijpelijk hoe de overweging onder E leidt tot c.q. kan bijdragen aan (onder meer) het oordeel dat KIA Motors aan de leden van haar netwerk heeft duidelijk gemaakt dat in beginsel geen standalone reparateurs tot haar netwerk (kunnen) worden toegelaten. Het hof houdt het bij een verwijzing naar (en het citeren van) overweging E, zonder aan te geven wat het hieruit afleidt met betrekking tot de aan de orde zijnde vraag naar het bestaan van een o.a.f.g. (vgl. rov. 4.27).
“dat het hof heeft geoordeeld dat bij KMNL geen plaats meer zou zijn voor erkend reparateurs, althans dat KMNL in beginsel geen (standalone) reparateurs tot haar netwerk (kunnen) worden toegelaten. Dat [eiseressen] niet tot het KIA netwerk is toegelaten maakt het voorgaande niet anders.”
nieuwestandalone-reparateurs zijn toegelaten tot het KIA-netwerk, nog steeds overeind staat dat in beginsel onafhankelijke reparateurs als standalone-reparateur tot het KIA netwerk worden toegelaten. De overige klachten van het subonderdeel kunnen onbesproken blijven.
“actie en reactie”, maar dat daarvan in dit geval geen sprake is. [97] Volgens het subonderdeel kan en zal KIA Motors een besluit om wel of niet met een bepaalde (potentiële) handelspartner te contracteren altijd eenzijdig nemen. Zij heeft daarvoor dus geen feitelijke samenwerking met of een handeling van een andere partij nodig.
gedraging(of ‘praktijk’; vgl.
concerted practiceen
pratique concerteé). Dat acht ik juist. Zie ook reeds 4.3 e.v. waar ik ben ingegaan op de eis van wederkerigheid. [98] M.i. volgt uit geen van de door het hof in rov. 4.28 genoemde omstandigheden dat sprake is van wederkerigheid tussen KIA Motors en de leden van haar netwerk ter zake van de litigieuze weigering. De motiveringsklacht van het subonderdeel acht ik gegrond.